MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Revalidatie bij specifieke aandoeningen

Ziekten, aangeboren afwijkingen en letsels die blijvende gevolgen hebben, komen in aanmerking voor revalidatie. Het meerledige doel van de revalidatiebehandeling wordt gevormd door een optimaal lichamelijk functioneren, de preventie van lichamelijke complicaties die het functioneren bedreigen, het trainen van zelfstandigheid, het herstel van maatschappelijk functioneren en een terugkeer van de patiënt naar de eigen omgeving. Hoe deze doelen kunnen worden bereikt, wordt in de volgende paragrafen geïllustreerd aan de hand van enkele voorbeelden van aandoeningen die in de revalidatiegeneeskunde veelvuldig voorkomen.

Revalidatie na een cerebrovasculair accident

Het cerebrovasculair accident (CVA, ‘beroerte') is een aandoening die meestal op laat-middelbare leeftijd en bij ouderen optreedt. Een belangrijk percentage CVA-patiënten kan direct vanuit het ziekenhuis naar huis worden ontslagen. Poliklinische revalidatie is dan vaak voldoende. Patiënten met ernstige uitvalsverschijnselen en onvoldoende zelfredzaamheid, bij wie hierdoor de terugkeer naar huis vanuit het ziekenhuis onmogelijk is, worden op een speciale CVA-unit in een revalidatiecentrum opgenomen. Oudere CVA-patiënten met aan de leeftijd gerelateerde stoornissen worden in een verpleeghuis opgenomen en gereactiveerd.

De mate van herstel wordt bepaald door het natuurlijke herstellende vermogen van het beschadigde hersengebied (onder meer door geleidelijke verdwijning van vocht en bloed in het getroffen hersengebied) en door de plasticiteit van het zenuwstelsel. Het neurologische herstel voltrekt zich het snelst in de eerste drie maanden na het CVA en neemt daarna geleidelijk af. Algemeen wordt aangenomen dat na zes maanden dit herstel nog gering is.

De revalidatiearts kan op grond van klinische gegevens en snelheid van herstel in de eerste weken vrij nauwkeu

illustrative-material.figure-short 1

Vergroting van het bewegingsbereik van de schouder

Vergroting van het bewegingsbereik van de schouder

Een therapeut stabiliseert met één hand de schouder terwijl met de andere hand de elleboog van die persoon zo ver mogelijk omhoog wordt gebracht. In de loop van een aantal sessies wordt de elleboog geleidelijk iets hoger gebracht, waardoor het bewegingsbereik van het gewricht wordt vergroot.

rig bepalen hoe de functionele eindtoestand, de zelfredzaamheid en de loopfunctie een halfjaar na het CVA zullen zijn.

Revalidatie dient zo spoedig mogelijk na het ontstaan van het CVA, dus al in het ziekenhuis, te beginnen. Dit komt de algehele conditie ten goede en beperkt complicaties als het optreden van doorligwonden (decubitus), een toename van dwangstanden in gewrichten (contracturen) door snel optredende spasticiteit en urinewegproblemen, waaronder incontinentie voor urine.

Welke functie verloren gaat, is afhankelijk van het hersengebied dat is aangetast. Vrijwel altijd is er sprake van een halfzijdige spastische verlamming (spastische hemiparese). Een spastische verlamming wordt gekenmerkt door een vermindering van spierkracht (parese) en krachtige, onwillekeurige spiersamentrekkingen (spasmen). De arm is meestal meer verlamd dan het been.

Een beschadiging in de linker hersenhelft veroorzaakt naast een halfzijdige spastische verlamming van de arm en het been rechtszijdig tevens een stoornis in het begrijpen en hanteren van de taal (afasie). Beschadigingen in de rechter hersenhelft leiden tot een spastische verlamming links en stoornissen in de ruimtelijke oriëntatie.

Andere uitvalsverschijnselen die aan de verlamde zijde optreden, zijn een halfzijdige uitval van het gezichtsveld en gevoelsstoornissen. In de eerste weken na het CVA kunnen slikstoornissen en incontinentie voor urine optreden. Beschadiging door een CVA in andere hersengebieden, bijvoorbeeld in dieper gelegen hersengebieden of in de hersenstam, komen veel minder voor. Deze veroorzaakt andere uitvalsverschijnselen die specifiek met het aangedane hersengebied samenhangen.

Afasie

Afasie is een stoornis in het begrijpen en uiten van gesproken of schriftelijke taal. De revalidatiebehandeling van afasie heeft als primair doel een communicatievorm te vinden waarbij de patiënt het meeste baat heeft en niet het trainen van de verbale uiting van woorden en zinnen. Het vinden van een adequate communicatievorm voor de patiënt en zijn omgeving staat voorop. Een communicatieschrift en een zakwoordenboek kunnen daarbij al hulp bieden.

Voldoende begrip en geduld bij familieleden en verzorgers van afasiepatiënten is van belang. Het lukt de afasiepatiënt vaak niet het juist woord te vinden (woordvindingsstoornis). Soms spreekt hij onsamenhangende woorden of zinnen. Ook moeten familieleden beseffen dat een afasiepatiënt niet dement is en niet in kindertaal moet worden aangesproken.

Neglect

Neglect is een door een CVA veroorzaakte stoornis in de ruimtelijke oriëntatie. De patiënt is zich onvoldoende bewust van de ruimte en daarin geplaatste voorwerpen aan de aangedane zijde, inclusief het lichaam zelf. Patiënten met een linkszijdige verlamming botsen ondanks een goed gezichtsvermogen dan bijvoorbeeld tegen deurposten of voorwerpen op die zich aan de linkerkant van de ruimte bevinden.

Een pijnlijke schouder aan de verlamde zijde is een veelvoorkomende complicatie bij een ernstige spastische

illustrative-material.figure-short 2

Precies de juiste lengte

Precies de juiste lengte

Voor mensen die herstellen van een beenwond of beenoperatie, is het belangrijk om een stok met de juiste hoogte te gebruiken. Een te lange of te korte stok kan lage rugpijn, een verkeerde houding en instabiliteit veroorzaken. De stok moet aan de zijde tegenover die van het gewonde been worden gehouden.

verlamming van de arm. Röntgenonderzoek toont daarbij vaak een ontwrichting van een neerwaarts gerichte schouder aan. Schouderpijn kan worden verminderd of voorkomen door de aangedane arm gedurende de eerste weken in een juiste houding te steunen en deze voorzichtig te laten doorbewegen. Pijnstillers en/of corticosteroïdinjecties in het schoudergewricht kunnen de pijn geheel of gedeeltelijk verminderen.

Bij een halfzijdige verlamming na een CVA treden verkrampingen van de aangedane spieren (spierspasmen) op. Bij passief bewegen is deze spasticiteit goed waarneembaar. Vooral de buigspieren in de aangedane arm en strekspieren in het aangedane been zijn spastisch. De ongelijke verdeling over buig- en strekspieren leidt tot dwangstanden in een gewricht (contractuur). Spasticiteit in het been doet een spitsvoet ontstaan, die het functionele staan en lopen ongunstig beïnvloedt.

Spasticiteit kan aanzienlijk door fenolisatie worden verminderd. Hierbij worden de motorische banen in toevoerende zenuwen naar spiergroepen met fenolinjecties geblokkeerd. Hetzelfde effect wordt ook wel bereikt met botuline-injecties in de spastische spier. De werkingsduur van fenolisatie of een botuline-injectie is ongeveer een halfjaar. Daarna moet de behandeling worden herhaald.

Incontinentie voor urine treedt vaak in de eerste weken na het CVA op. Een door de patiënt vaak als bezwaarlijk ervaren verblijfskatheter, waarbij de urine permanent door een kunststof buisje via de urinebuis uit de blaas wordt afgevoerd, moet zoveel mogelijk in duur worden beperkt. De blaasfunctie moet zo snel mogelijk op gang worden gebracht. Bepaalde geneesmiddelen kunnen dit herstel bevorderen.

Stemmingsveranderingen en depressies zijn niet ongewoon. Deze kunnen ontstaan zodra de revalidatieperiode achter de rug is en de patiënt in eigen omgeving met zijn beperkingen wordt geconfronteerd. Een behandeling met antidepressiva kan dan uitkomst bieden.

Trainen van activiteiten van het dagelijks leven

In de eerste fase van de revalidatie wordt bij de mobiliteitstraining de nadruk gelegd op het leren oefenen van de zelfstandige transfer: het zich verplaatsen in en uit bed en van toilet naar rolstoel, al of niet met het gebruik van steunpunten. Zodra de patiënt zelfstandig een transfer kan uitvoeren en een goede balans bij het staan heeft, begint de looptraining. Deze strekt zich uit tot en met traplopen en buiten op ongelijk terrein lopen.

Het herstel van de loopfunctie kan worden gehinderd door een spastische spitsvoet. Om de voet tijdens de stand en de zwaaifase van het been zoveel mogelijk in middenstand te brengen, wordt een enkelvoetorthese aangemeten. Een orthese is een lichaamsgebonden hulpmiddel dat gewrichten in een gewenste functionele stand corrigeert. De enkelvoetorthese bestaat uit parallel gemonteerde stangen naast het onderbeen die door middel van een enkelscharnier met de schoen verbonden zijn, het geheel al dan niet in kunststof uitgevoerd. Een moderne ontwikkeling, geschikt voor een beperkt aantal patiënten, is de functionele elektrostimulatie (FES). De spieren die de voet tijdens de zwaaifase heffen, worden hierbij op het juiste moment zodanig met een zogeheten ‘peroneusstimulator' elektrisch geprikkeld, dat de voet in middenstand raakt en niet meer over de grond sleept.

Het trainen van de activiteiten van het dagelijks leven (ADL) wordt direct na het optreden van het CVA door de ergotherapeut gestart. Allereerst worden basale vaardigheden getraind, zoals wassen, kleden en toiletbezoek. Het gebruik van de juiste hulpmiddelen en aanpassingen om een optimale zelfstandigheid te bereiken, maakt hiervan deel uit. Er zijn vele hulpmiddelen en aanpassingen die individueel worden verstrekt: handgrepen, grijpstokken of ‘helping hands', verhoogd toilet, douchekrukken, dienwandelwagen, bestekaanpassingen enzovoort. Patiënten met een halfzijdige verlamming en niet-functionele arm en hand kunnen door de training van alle basale ADL-vaardigheden zelfstandig worden.

De familie van de CVA-patiënt wordt nauw bij de revalidatie betrokken. Zodra het verantwoord is, brengt de patiënt in de eerste fase van de klinische revalidatie thuis een proefweekend door. Familieleden worden voorgelicht over de gevolgen van het CVA en de mogelijke veranderingen van het gedrag van de CVA-patiënt. Autorijden na een CVA is mogelijk. Bij potentiële geschiktheid en rijlessen in een aangepaste auto zal het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) een proefrit laten uitvoeren en bepalen welke aanpassingen en welke aantekening op het rijbewijs moet worden vermeld. Een CVA-patiënt wordt gedurende de gehele dag getraind, uiteraard met rustpauzen. Ook op de verpleegafdelingen wordt de ADL-training voortgezet. Veel trainingen vinden in groepsverband plaats. Patiënten met een vergelijkbaar functioneel herstel oefenen gezamenlijk (rolstoelgroep, binnenloopgroep, buitenloopgroep). De gemiddelde opnameduur van een CVA-patiënt met uitgebreide uitvalsverschijnselen en onvoldoende zelfredzaamheid is ongeveer drie maanden. Daarna wordt de revalidatie in een revalidatiedagbehandeling voortgezet.

Revalidatie na traumatisch hersenletsel

De gevolgen van traumatisch hersenletsel (contusio cerebri) kunnen uiteenlopen van lichte uitvalsverschijnselen tot een enkele weken durend coma in combinatie met ernstige neurologische uitval. De herstelprognose hangt af van de diepte en duur van het coma. Het herstel kan zich uitstrekken tot meer dan een jaar na het trauma. (zie Hoofdletsels: Introductie)

De meest voorkomende neurologische uitvalsverschijnselen zijn spastische parese, vaak gekenmerkt door een asymmetrische verdeling over armen en benen, schokkerige en ongecontroleerde spiercoördinatie (ataxie), een spraakstoornis met ongearticuleerde spraak (dysartrie) en posttraumatische epilepsie. Typische cognitieve stoornissen zijn traagheid, beperkt ziekte-inzicht, geheugenstoornissen en inprentingsstoornissen.

In de eerste periode na herstel uit het coma is de patiënt vaak gedesoriënteerd en kan agressief gedrag voorkomen. Dan wordt wel gekozen voor revalidatie in een prikkelarme omgeving, waarvoor sommige revalidatiecentra speciale, min of meer gesloten afdelingen hebben.

De behandeling van de motorische stoornissen is vergelijkbaar met die van spastische verlammingen na een CVA. In de revalidatie van een patiënt met traumatisch hersenletsel ligt de nadruk op behandeling van de cognitieve stoornissen en de gedragsveranderingen. (zie Depressie en manie: Introductie)

Psychofarmaca zijn daarbij onmisbaar.

Revalidatie bij aangeboren spasticiteit

Hersenbeschadiging die voor, tijdens of vlak na de geboorte optreedt, leidt tot verschillende vormen van aangeboren spasticiteit (infantiele encefalopathie, cerebral palsy). Spastische verlammingen kunnen zich beperken tot de benen of zich tot benen en armen uitstrekken. Ook aangeboren halfzijdige spastische verlammingen komen voor. Bij ernstige vormen kunnen de verstandelijke en zintuiglijke functies verminderd zijn. Gedurende de groei en ontwikkeling is voortdurende revalidatie met controle en behandeling noodzakelijk. Ernstige standsafwijkingen in gewrichten moeten dan veelal operatief worden gecorrigeerd. (zie Infantiele encefalopathie: Introductie)

Revalidatiebehandeling bij aangeboren spasticiteit bestaat onder meer uit oefentherapie, looptraining, ADL-training en orthopedagogische begeleiding. De aard, verdeling en ernst van de spastische verlamming bepalen of er een vooruitzicht van een zelfstandige loopfunctie is, al of niet met hulpmiddelen. Kinderrevalidatiecentra in Nederland bieden deze uitgebreide revalidatiebehandeling met bijzonder onderwijs (mytyl- en tyltylonderwijs).

Revalidatie bij traumatisch ruggenmergletsel

Het uitzicht op functieherstel bij een patiënt met een gedeeltelijk beschadigd of volledig doorkliefd ruggenmerg (traumatisch ruggenmergletsel respectievelijk dwarslaesie (zie Ruggenmergaandoeningen: Introductie)) is afhankelijk van de hoogte van de ruggenmergbeschadiging. Een onderbreking van het ruggenmerg ter hoogte van de nekwervels (cervicale dwarslaesie) leidt tot uitgebreide verlamming aan de armen en een complete verlamming aan de benen (quadriplegie). Bij deze beschadiging op de hoogte van de borstwervels blijven arm- en handfunctie volledig intact (paraplegie).

Onder het dwarslaesieniveau (de locatie in de wervelkolom waar het ruggenmerg is onderbroken) bestaat een volledige verlamming en treedt spierspasticiteit op. Spasticiteit onder het dwarslaesieniveau kan uitgesproken zijn, met krachtige onwillekeurige buig- of strekbewegingen, die hinderlijk kunnen zijn. Ook is hier een volledige gevoelsstoornis van de huid te verwachten. Het gevaar voor het optreden van doorligwonden (decubitus) is groot. De controle over de blaas- en darmfunctie is verloren gegaan en seksuele functiestoornissen treden op.

De revalidatiebehandeling bestaat uit spierversterking, functieverbetering van het houdings- en bewegingsapparaat boven het laesieniveau, ADL- en rolstoeltraining. Bij patiënten met een hoog dwarslaesieniveau wordt extra aandacht besteed aan het bereiken van een specifieke stand van de gewrichten in pols en vingers (functiehand). Bij het naar boven bewegen van de hand in de pols ontstaat op die wijze een functionele grijpfunctie.

De patiënt wordt geleerd doorligwonden te voorkomen en de blaas- en darmfunctie te trainen ter vermijding van urine- en ontlastingscontinentie. Door blaastraining kan een redelijke tot goede continentie worden bereikt. Ook kan de blaas worden geledigd door zelfkatheterisatie op regelmatige tijden (intermitterende zelfkatheterisatie). Een permanent katheter (verblijfskatheter) vormt het alternatief wanneer met medicamenten, chirurgische behandeling en/of hulpmiddelen onvoldoende continentie wordt bereikt.

Contracturen en spasticiteit worden door oefentherapie bestreden. Bij spasticiteit is medicamenteuze behandeling vaak noodzakelijk. Bij zeer ernstige spasticiteit kan operatief een pompsysteem (baclofenpomp) worden ingebracht dat rechtstreeks een spierontspanner (spasmolyticum) aan het ruggenmerg toedient.

Een patiënt met een paraplegie kan na de revalidatiebehandeling geheel zelfstandig functioneren, een handbewogen rolstoel goed hanteren, autorijden met aanpassingen en zelfstandig in de aangepaste eigen omgeving wonen. Iemand met een quadriplegie met laag nekletsel (lage cervicale dwarslaesie) is zelfstandig in de basale activiteiten van het dagelijks leven, kan een handbewogen rolstoel besturen, maar is aangewezen op een elektrische rolstoel voor buiten of een auto met uitgebreide aanpassingen. Bij een hogere cervicale dwarslaesie neemt de mate van zelfstandigheid af en is verplaatsing in een elektrische rolstoel mogelijk.

Revalidatie bij spina bifida

Spina bifida (open rug) is een aangeboren afwijking waarbij het ruggenmerg onvoldoende is aangelegd. De uitvalsverschijnselen komen deels overeen met het beeld bij dwarslaesie: verlamming, gevoelsstoornissen, blaas- en darmfunctiestoornissen en stoornissen in de seksuele functie. De aandoening wordt extra gecompliceerd door het optreden van een waterhoofd (hydrocefalus) na de geboorte en scheefgroei van de wervelkolom (scoliose) tijdens de groei. Er kunnen urinewegafwijkingen optreden en er is een verhoogde kans op doorligwonden (decubitus). (zie Aangeboren afwijkingen: Afwijkingen van de hersenen en het ruggenmerg)

De controle en behandeling geschiedt door een spina-bifida-team, een samenwerkingsverband van specialisten waarvan ook de revalidatiearts deel uitmaakt. Gedurende de ontwikkeling en groei van de patiënt zijn vaak meerdere operaties nodig door neurochirurg, uroloog en orthopeed. De revalidatiebehandeling start al gedurende de kleuterleeftijd. Voor mobilisatie van spina-bifida-patiëntjes is speciale staan- en loopapparatuur ontwikkeld (parapodium).

Alle leden van het revalidatieteam zijn betrokken bij de behandeling. Controle en behandeling door een spina-bifida-team duren voort totdat de patiënt volwassen is.

Revalidatie bij multipele sclerose

Bij multipele sclerose (MS) zijn de uitvalsverschijnselen (verlamming van spieren, coördinatiestoornissen bij het bewegen, blaasfunctiestoornissen, spasticiteit) wisselend of langzaam progressief. Er is veel variatie in uiting en progressie van de aandoening (zie Multipele sclerose en verwante aandoeningen: Introductie).

De revalidatiebehandeling van een patiënt met multipele sclerose richt zich op de preventie van dwangstanden in gewrichten (contracturen) en doorligwonden (decubitus), vermindering van spasticiteit en een maximale zelfredzaamheid door verstrekking van hulpmiddelen en aanpassingen.

Revalidatie bij neuromusculaire aandoeningen

Neuromusculaire aandoeningen (NMA) zijn aandoeningen waarbij de motorische zenuwcel, de toevoerende zenuwen naar spieren of de spieren worden beschadigd. Neuromusculaire ziekten of spierziekten zijn vaak geleidelijk progressief en sommige ziektebeelden zijn erfelijk. De variatie in ziektebeelden en verschijnselen is groot. Revalidatiebehandeling wordt gegeven bij neuromusculaire ziekten die de mobiliteit en zelfstandigheid van de patiënt bedreigen. (zie Spierdystrofie en verwante aandoeningen: Introductie, zie Aandoeningen van de perifere zenuwen: Introductie)

Er zijn spierziekten die zich al op de kleuterleeftijd manifesteren. Zo kan de spierziekte van Duchenne zich uiten door een vermindering van de loopfunctie als gevolg van een krachtsvermindering van de spieren aan de benen. Tijdens de groei ontstaat een forse scheefgroei van de rug (scoliose), die de longfunctie bedreigt. De scheefgroei kan worden gestopt door operatieve fixatie van de wervelkolom. Bij verdere progressie worden ook de ademhalingsspieren aangedaan en treden klachten op als ochtendhoofdpijn, problemen met ophoesten van slijm, concentratie en slaapstoornissen.

Ademhalingsproblemen worden voorkomen door toepassing van ademhalingsondersteunende apparatuur. Beademingsapparatuur voor aansluiting aan een opening in de luchtpijp (tracheostoma) is tegenwoordig technisch betrouwbaar en dankzij een compacte uitvoering aan de rolstoel te bevestigen.

De revalidatiebehandeling is gericht op preventie van dwangstanden in gewrichten (contracturen), bij een patiëntleeftijd van 4-12 jaar op looptraining met lichaamsgebonden hulpmiddelen (orthese of orthopedisch schoeisel) en in latere jaren op training met niet-lichaamsgebonden hulpmiddelen (rolstoel of elektrische rolstoel). Ook de ouders worden hierbij intensief begeleid. Voor patiënten die ademhalingsondersteuning nodig hebben, is er een nauwe samenwerking tussen de Centra voor Thuisbeademing en revalidatiecentra die gespecialiseerd zijn in de behandeling van patiënten met ernstige spierziekten.

Bij sommige neuromusculaire ziekten waarvan de symptomen snel in ernst toenemen, zoals amyotrofe laterale sclerose (ALS), is de revalidatiebehandeling vooral gericht op het snel en direct verstrekken van hulpmiddelen en op begeleiding om de patiënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving te laten verblijven.

Revalidatie bij amputatie

De belangrijkste oorzaak van beenamputatie is onherstelbaar weefselversterf door verminderde bloedtoevoer als gevolg van een ver voortgeschreden atherosclerose (vasculaire amputatie). De kans op beenamputatie is bij diabetes groter door een combinatie van een doorbloedingsstoornis en een gevoelsstoornis die ontstaat door een chronische zenuwaandoening. Intensieve controle, goed schoeisel en goede voetverzorging kunnen een amputatie voorkomen of in belangrijke mate uitstellen.

Het niveau van de amputatie in het been wordt bepaald door de vitaliteit van de weefsels boven het bedreigde deel van de voet of het been. Het been kan in de voet, de enkel, het onderbeen, door de knie (knie-exarticulatie) of in het bovenbeen worden geamputeerd. De geamputeerde spieren worden aan het boteinde gefixeerd (myodese) en onderling anatomisch goed aan elkaar gehecht (myoplastiek) om een goede, functionele stomp te verkrijgen die geschikt voor de prothesevoorziening is. Beenamputaties na een trauma of na kanker komen minder frequent voor. De niveaus van amputatie komen overeen met die bij vasculaire amputatie.

Direct na de amputatie wordt begonnen met zwachtelen om de vorm van de stomp zo spoedig mogelijk geschikt te maken voor het aanmeten van een prothese. Belangrijke onderdelen van het revalidatieprogramma zijn oefeningen voor conditieverbetering, spierversterking en bestrijding van dwangstanden in gewrichten, loop- en prothesetraining en ADL-training. In de eerste fase van de training wordt vaak een voorlopige oefenprothese (gipsstompverband of dubbelwandige luchtkoker) toegepast.

Een kunstbeen (beenprothese) bestaat uit een buisframe met een cosmetische kunststofovertrek. Bij bovenbeenamputatie wordt in de prothese een kniescharnier ingebouwd dat bij belasting van het been een remmend effect biedt en doorzakken van de knie voorkomt. Bij bovenbeenamputatie wordt in de koker een zuigkoker met vacuümwerking ingebouwd. Deze zorgt ervoor dat de prothese tijdens het lopen aan de bovenbeenstomp blijft vastzitten.

De loopfunctie bij voet- en onderbeenamputatie is nagenoeg normaal. Omgaan met een bovenbeenprothese vereist meer training en energie. Bij een dubbele beenamputatie is een functionele loopfunctie nagenoeg onmogelijk, maar blijft een staan- en steunfunctie vanuit de rolstoel wel mogelijk.

Het gevoel dat het geamputeerde deel van het been nog aanwezig is (fantoomgevoel), blijft lang aanwezig. Pijn die in het geamputeerde gedeelte wordt gevoeld, noemt men ‘fantoompijn'. Deze pijn kan optreden door uitgroei van een zenuwuiteinde in de amputatiestomp. Ook kan de uitgroei van botuiteinden pijn veroorzaken. Veelal wordt geen duidelijke oorzaak van fantoompijn gevonden. Een snelle mobilisatie en prothesevoorziening vermindert de kans op fantoompijn. Bij aanhoudende fantoompijn wordt specialistische pijnbestrijding toegepast.

Revalidatie van de arm vindt plaats bij armamputaties; deze komen voor als een aangeboren aandoening dan wel als gevolg van een ongeval. De meest voorkomende vorm van aangeboren amputatie is onderarmamputatie. Armprothesen worden mechanisch bekrachtigd of myo-elektrisch aangestuurd. Mechanisch bekrachtigde prothesen met een haak, aangestuurd door een schouderbandage en een veermechanisme, zijn betrouwbaar. Een geavanceerde prothese is een myo-elektrische prothese. Daarbij sturen in de prothese ingebouwde en boven functionerende spiergroepen geplaatste oppervlakte-elektroden een ingebouwde motor aan. Met deze armprothese is grijpen, knijpen, verplaatsen en loslaten mogelijk.

Revalidatie na een ernstig (verkeers)ongeval

Een ongeval kan leiden tot uitgebreid blijvend letsel van het houdings- en bewegingsapparaat, zoals een afwijkende stand of verkorting van een deel van een ledemaat, een beschadiging en bewegingsbeperking in een gewricht, een zenuwbeschadiging met gevoelsstoornissen van de huid en/of verlamming van spiergroepen. De armfunctie of loopfunctie kan door deze afwijkingen verminderd zijn.

Revalidatiebehandeling na een ongeval is gericht op het optimaliseren van de lichaamsfuncties en het aanmeten van lichaamsgebonden hulpmiddelen (orthesen en orthopedisch schoeisel). Omdat betrekkelijk veel jonge mensen bij verkeersongevallen betrokken zijn, biedt het revalidatieteam dikwijls extra begeleiding met het oog op werkhervatting (arbeidsrevalidatie).

Revalidatie bij langdurige rugklachten en chronische pijn

Rugpijn is een veelvoorkomende klacht. Meestal verdwijnen rugklachten spontaan na enige weken. Bij aanhoudende rugklachten volgt verwijzing naar een specialist (orthopeed, neuroloog of neurochirurg) om organische afwijkingen te diagnosticeren, uit te sluiten of te behandelen. Bij een klein deel van de patiënten blijft rugpijn ook na uitvoerige specialistische behandeling of een operatie bestaan. Deze ‘therapieresistente', chronische rugpijn invalideert de patiënt dan steeds meer. De mobiliteit neemt af en het dagelijks functioneren en de werkhervatting komen steeds meer in het gedrang. (zie Lage rugpijn: Introductie)

Revalidatiecentra en revalidatieafdelingen behandelen patiënten met langdurig therapieresistente rugklachten met speciale revalidatieprogramma's (rugscholen). Hierbij richt de behandeling zich vooral op uitgebreid functieonderzoek, proefbehandeling en houdings- en bewegingsinstructie, geleidelijke opbouw van mobilisatie en terugkeer naar het voormalig niveau van functioneren.

Bijzondere aandoeningen met chronische pijn zijn reflexdystrofie en fibromyalgie. Fibromyalgie (‘spierreuma') wordt gekenmerkt door spierpijn, stijfheid, moeheid en verminderde belasting. Reflexdystrofie is een chronische pijnlijke aandoening in een gedeelte van arm of been, ontstaan na een trauma of botbreuk. Aanvankelijk ontstaat een zwelling (oedeem), gepaard met roodheid en warmte, die later plaatsmaakt voor spiermassa-afname (atrofie), botontkalking en bleekheid van de huid. Kenmerkend is de aanhoudende heftige pijn, die bij aanraken verergert. Het getroffen ledemaat wordt ontzien en verliest zijn functie (het wordt a-functioneel).

Geneesmiddelen kunnen klachten bij fibromyalgie verminderen. De revalidatiebehandeling van fibromyalgie bestaat uit oefenbehandeling, instructie en geleidelijke mobilisatie (fibromyalgiecursus).

De behandeling van reflexdystrofie is langdurig en bestaat uit oefentherapie en voorzichtige mobilisatie. Lokale toediening op de huid van dimethylsulfoxide (DMSO) is bij sommige patiënten effectief. De behandeling met geneesmiddelen is divers en loopt uiteen van toediening van corticosteroïden tot het blokkeren van zenuwen van het autonome zenuwstelsel.

Revalidatie na een cardiologische ingreep

Na ontslag uit het ziekenhuis wordt een speciaal poliklinisch hartrevalidatieprogramma doorlopen. Oefeningen en conditietraining worden veelal in groepsverband uitgevoerd. Er wordt instructie gegeven over risicofactoren en noodzakelijke veranderingen in de leefstijl. Maatschappelijke en psychologische ondersteuning en begeleiding van de werkhervatting zijn onderdeel van het programma. Revalidatie na een myocardinfarct of een andere ernstige hartaandoening wordt vrijwel direct na de desbetreffende ingreep (angioplastiek, operatie) gestart, mits de medische toestand dit toelaat. Lichte inspannende lichamelijke activiteiten in en rondom het ziekbed zijn snel mogelijk en worden algauw uitgebreid met meer inspannende activiteiten, zoals aankleden, wassen en korte wandelingen.

Hartrevalidatienabehandeling wordt in Nederland verzorgd door cardiologische afdelingen van de algemene ziekenhuizen of door cardiologische centra. Er zijn slechts enkele revalidatiecentra in Nederland die hartrevalidatieprogramma's aanbieden in samenwerking met cardiologische centra. Het betreft dan meestal hartpatiënten met complicaties en een psychosociale problematiek.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Introductie

Volgende: Vaststelling van het functioneringsniveau

Illustraties
Tabellen
Disclaimer