MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ
In dit onderwerp
Wilsonbekwaamheid
Naar boven

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Wilsonbekwaamheid

Patiënten zullen wegens ziekte of een verstandelijke handicap niet altijd in staat zijn zelf hun rechten uit te oefenen, ook al zijn zij meerderjarig. Men spreekt in dit verband van ‘wilsonbekwaamheid', wat inhoudt dat de patiënt niet in staat is op een bepaald punt een eigen, voldoende overwogen beslissing te nemen. Soms is het overduidelijk dat van wilsonbekwaamheid sprake is, bijvoorbeeld bij patiënten in coma of met een ernstige mate van dementie. In andere omstandigheden kan dit veel minder duidelijk zijn. Als maatstaf voor de vraag of de patiënt al dan niet wilsbekwaam is (en dus zelf kan en mag beslissen) wordt vrij algemeen beschouwd of de patiënt de relevante informatie kan verwerken en of hij in staat is de gevolgen van zijn beslissing te overzien. Uiteindelijk heeft de hulpverlener (arts) de verantwoordelijkheid om vast te stellen of iemand als wilsonbekwaam moet worden beschouwd. Dit betekent overigens niet dat de patiënt dan geen rechten meer heeft, maar wel dat deze door iemand anders zullen moeten worden uitgeoefend.

Voor wilsonbekwamen, dus mensen die niet in staat zijn in de zaak waarom het gaat tot een eigen beslissing te komen, geldt dat toestemming nodig is van iemand die hen vertegenwoordigt. Soms is zo'n vertegenwoordiger door de rechter aangewezen (curator of mentor). Het kan ook zijn dat de patiënt zelf iemand heeft aangewezen (schriftelijk gemachtigde). Is dat gebeurd, dan geldt die persoon, bijvoorbeeld een familielid of goede vriend, als vertegenwoordiger van de patiënt. Ontbreekt een door de rechter of patiënt aangewezen vertegenwoordiger, dan treedt de echtgenoot of andere levensgezel als plaatsvervangend beslisser op, of, indien deze ontbreekt, een ouder, kind, broer of zus van de patiënt (art. 7:465 BW).

Toestemming van een (wettelijke) vertegenwoordiger mag worden gepasseerd als de tijd voor het vragen van die toestemming ontbreekt en de behandeling onverwijld moet worden uitgevoerd om ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen (art. 7:466 BW). Verder kan een situatie ontstaan dat de vertegenwoordiger een bepaalde ingreep weigert, maar dat de hulpverlener die noodzakelijk acht. Vaak kunnen die verschillen in opvatting door verder overleg worden opgelost, soms ook door daarbij de opinie van een onafhankelijk arts te vragen. Als dat niet lukt en de arts blijft van mening dat ingrijpend geboden is en dat daarbij een zwaarwegend medisch belang van de patiënt in het geding is, kan hij zich beroepen op de verplichting jegens de wilsonbekwame de zorg van een goed hulpverlener te betrachten en kan hij de weigering van de vertegenwoordiger naast zich neerleggen (art. 7:465 lid 4 BW).

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Wetenschappelijk onderzoek

Illustraties
Tabellen
Disclaimer