MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ
In dit onderwerp
Geheim en privacy
Naar boven

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Geheim en privacy

De communicatie tussen arts en patiënt vindt in vertrouwelijkheid plaats. Zelfs betrokken familieleden worden niet automatisch deelgenoot van dergelijke informatie. Alle mensen hebben recht op vertrouwelijkheid, tenzij ze toestemming geven voor het vrijgeven van informatie.

De patiënt heeft recht op geheimhouding (art. 7:457 BW). Dat betekent dat de hulpverlener moet zwijgen over alles wat hij in het kader van zijn beroepsuitoefening over de patiënt te weten is gekomen. Dat betreft niet alleen wat de patiënt hem als geheim heeft toevertrouwd, maar ook wat de hulpverlener zelf bij de patiënt heeft waargenomen. Het beroepsgeheim geldt ook na de dood. Tot geheimhouding is de arts ook strafrechtelijk (art. 272 Wetboek van Strafrecht) en tuchtrechtelijk (Wet beroepen in de individuele gezondheidszorg, BIG) verplicht. Verder geldt de Wet bescherming persoonsgegevens.

Voorts heeft de arts verschoningsrecht: hij kan zich tegenover de rechter op zijn geheimhoudingsplicht beroepen. Zwijgplicht hebben alle werkers in de gezondheidszorg, verschoningsrecht hebben alleen degenen van wie het verschoningsrecht door wet of rechtspraak is erkend. Naast de arts zijn dat onder anderen de verpleegkundige, de sociaal-psychiatrisch werker en de maatschappelijk werker van het RIAGG. Anderen (bijvoorbeeld medisch secretaressen) moeten zich op het verschoningsrecht van de arts beroepen.

Bij de medische behandeling is vaak meer dan één persoon betrokken. Daarom bepaalt de WGBO dat het geheim niet geldt ten opzichte van degenen die rechtstreeks bij de behandeling betrokken zijn. In dat geval wordt de toestemming van de patiënt verondersteld. Deze bepaling is ook voor artsen en verpleegkundigen nodig, omdat het beroepsgeheim ten opzichte van iedere derde geldt, dus ook een collega-arts en een verpleegkundige, ook al hebben die een zelfstandige geheimplicht.

Het geheim kan niet alleen worden doorbroken als de patiënt daarvoor toestemming geeft, maar ook in de bijzondere gevallen dat de wet daartoe verplicht. Een bekend voorbeeld daarvan is de verplichting van de arts bepaalde ziekten (bijvoorbeeld ernstige besmettelijke infecties) op naam van de patiënt aan de gezondheidsautoriteiten te melden. Welke ziekten dit betreft, wordt in de wetgeving inzake infectieziekten bepaald.

Ten slotte kan een noodsituatie ontstaan waarin de arts zich verplicht acht te spreken omwille van de bescherming van het leven of de gezondheid van een ander, al verbiedt zijn beroepsgeheim hem eigenlijk dit te doen. Men zegt dan wel dat de arts in een conflict van plichten komt te verkeren. Men kan hierbij bijvoorbeeld aan kindermishandeling denken. De arts mag dan voorrang geven aan zijn plicht om het kind te beschermen boven zijn zwijgplicht jegens de ouders.

Naast privacy ten aanzien van medische gegevens is privacy in de hulpverlening van belang. Daarover handelt artikel 7:459 BW. De verrichtingen moeten worden uitgevoerd buiten waarneming van anderen, tenzij de patiënt daarmee instemt. Onder ‘anderen' vallen natuurlijk niet degenen die beroepshalve aan de verrichting moeten meewerken, zoals een verpleegkundige.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Euthanasie en euthanasieverklaring

Volgende: Rechten van de patiënt in het algemeen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer