MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Diagnose

Een arts kan gewoonlijk op basis van het klachtenpatroon en het lichamelijke onderzoek al aangeven of een patiënt aan een aandoening van hart of bloedvaten lijdt. Diagnostische onderzoeken worden gebruikt om de diagnose te bevestigen, de ernst en aard van de ziekte vast te stellen en een behandelplan op te stellen.

Anamnese en lichamelijk onderzoek

De arts zal allereerst vragen naar de symptomen. Klachten over pijn op de borst, kortademigheid, hartkloppingen en opgezwollen benen, enkels, voeten of buik wijzen op een mogelijke hartaandoening. Ook andere meer algemene symptomen, zoals koorts, zwakte, vermoeidheid, gebrek aan eetlust en een algemeen gevoel van ziekte of een onaangenaam gevoel (malaise) kunnen duiden op een hartziekte. Wanneer er van pijn, gevoelloosheid of spierkrampen in armen of benen sprake is, kan dit duiden op een perifere vaatziekte, een aandoening van de slagaders in de armen, benen en romp (behalve de kransslagaders).

Vervolgens kan de arts vragen naar eerdere infecties, blootstelling in het verleden aan chemische stoffen, het gebruik van geneesmiddelen, alcohol en tabak, de woon- en werkomgeving en de vrijetijdsbesteding. De arts zal ook informeren of er hartziekten of andere aandoeningen die hart of bloedvaten kunnen aantasten in de familie voorkomen.

Tijdens het lichamelijke onderzoek controleert de arts het lichaamsgewicht en het algehele voorkomen, en let hij op gelaatskleur (bleekheid), overmatige transpiratie of sufheid, allemaal mogelijke aanwijzingen voor een hartziekte. De arts let ook op de algehele gemoedstoestand en het gevoel van welbevinden van de patiënt, aangezien deze ook door een hartziekte kunnen worden beïnvloed.

De kleur van de huid is belangrijk omdat een opvallend bleke of blauwachtige teint (cyanose) kan duiden op bloedarmoede (anemie) of een slechte doorbloeding van de huid. Dit zou erop kunnen wijzen dat de huid vanuit het bloed onvoldoende zuurstof krijgt aangevoerd als gevolg van een longaandoening, hartfalen of diverse problemen met de bloedsomloop.

De hartslag van een patiënt wordt gecontroleerd aan de slagaders in de hals, de oksels, bij de ellebogen en de polsen, in de buik en de lies en bij de knieën, de enkels en de voeten om na te gaan of de bloedcirculatie voldoende en in beide lichaamshelften gelijk is. Ook bloeddruk en lichaamstemperatuur worden gecontroleerd. Afwijkingen hierin kunnen op een aandoening van hart of bloedvaten duiden.

De arts kan ook de aders in de halsstreek onderzoeken terwijl de patiënt met het bovenlichaam schuin omhoog in een hoek van 45 graden ligt. Deze aders worden onderzocht omdat ze rechtstreeks uitkomen in de rechter boezem (de bovenste holte in het hart waarin zich zuurstofarm bloed vanuit de lichaamsweefsels verzamelt) en ze de arts een indruk geven van het volume en de druk van het bloed dat de rechter zijde van het hart binnenstroomt.

De arts duwt met een vinger op de huid van de enkels en benen en soms ook op het onderste deel van de rug om vast te stellen of er zich in het onderhuidse weefsel vocht heeft opgehoopt (oedeem).

De arts kan ook aan de oogarts vragen om met een oftalmoscoop (een instrument waarmee de binnenkant van het oog kan worden bekeken (zie Symptomen en diagnose van oogaandoeningen: Gezichtsveldonderzoek) de bloedvaatjes in het netvlies (de lichtgevoelige membraan aan de binnenzijde van de achterkant van het oog) te controleren. Het netvlies is namelijk de enige plaats waar aders en slagaders rechtstreeks te zien zijn. Bij patiënten met hoge bloeddruk, diabetes mellitus, arteriosclerose en bacteriële infecties van de hartkleppen zijn vaak afwijkingen in het netvlies zichtbaar.

De arts onderzoekt de borstkas om te zien of de ademhaling regelmatig en normaal is. Door met de vingers op de borst te kloppen (percussie) kan de arts vaststellen of de longen met lucht zijn gevuld (wat normaal is) of dat er vocht in zit (wat niet zo hoort te zijn). Door bekloppen van de borstkas kan ook worden vastgesteld of er vocht zit in het vlies rondom het hart (het pericard of hartzakje) of in de vliezen rondom de longen (pleura). Met een stethoscoop luistert de arts naar het geluid van de ademhaling om te horen of de lucht ongehinderd naar binnen en naar buiten kan stromen en of zich vocht in de longen bevindt als gevolg van hartfalen.

Door een hand op de borstkas te leggen (palperen) kan de arts vaststellen waar de hartslag het duidelijkst voelbaar is. Zo kan de grootte van het hart worden bepaald. Ook geeft dit een indruk van de kwaliteit en de kracht van de samentrekkingen tijdens de hartslag. Abnormaal hoge stroomsnelheid en wervelingen van het bloed in de bloedvaten of in het hart zelf kunnen soms een bepaalde trilling veroorzaken die met de vingertoppen of met de handpalm te voelen is.

De arts kan het hart beluisteren met een stethoscoop (auscultatie) om de typische geluiden te horen die ontstaan bij het openen en sluiten van de hartkleppen. Afwijkingen van de kleppen en andere structuren in het hart veroorzaken wervelingen in de bloedstroom, waardoor afhankelijk van de soort afwijking typische geluiden kunnen ontstaan, die ‘hartgeruisen' worden genoemd. Deze wervelingen treden in het bijzonder op als de kleppen waardoorheen het bloed stroomt, vernauwd zijn of lekken. Niet alle hartziekten leiden echter tot geruis en niet elk hartgeruis duidt op een hartziekte. Zo is bij zwangere vrouwen meestal hartgeruis te horen als gevolg van een normale toename in de bloedcirculatie. Ook bij baby's en kinderen is vaak onschuldig hartgeruis te horen doordat het bloed bij hen snel door de nauwe delen van het hart stroomt. Bij ouderen kan het zijn dat er wervelingen in het bloed optreden als gevolg van het geleidelijk minder veerkrachtig worden van vaatwanden, kleppen en andere weefsels, ook zonder dat er een ernstige hartziekte in het geding is. De arts kan ook bepaalde klikgeluiden horen bij het opengaan van een afwijkende hartklep. Bij mensen die lijden aan hartfalen is vaak een zogenaamd ‘galopritme' te horen, een geluid dat doet denken aan dat van een galopperend paard doordat er een of twee extra hartgeluiden zijn.

Door de stethoscoop op slagaders en aders elders in het lichaam te plaatsen kan de arts horen of daar wervelingen in de bloedcirculatie optreden. Dat is te horen aan bepaalde geluiden die ‘vaatgeruisen' worden genoemd. Vaatgeruisen kunnen het gevolg zijn van vernauwingen in de bloedvaten, van verhoogde stroomsnelheid of van een abnormale verbinding tussen een slagader en een ader (arterioveneuze fistel).

De arts zal de buik onderzoeken om te bepalen of de lever vergroot is. Een vergrote lever kan erop duiden dat zich bloed ophoopt in de grote aders die naar het hart leiden. Zwelling door vochtophoping in de buik kan duiden op hartfalen. De arts zal zachtjes op de buik duwen om de hartslag in de buikaorta te controleren en de omvang van deze slagader te bepalen.

Diagnostisch onderzoek

De artsen beschikken over talrijke methoden waarmee ze snel de juiste diagnose kunnen stellen. Daartoe behoren in de dagelijkse praktijk elektrocardiografie (ECG), inspanningsonderzoek, echocardiografie, röntgenonderzoek, Holter-onderzoek, scintigrafie en hartkatheterisatie. Meer gespecialiseerde onderzoeken zijn elektrofysiologisch onderzoek, de kantelproef, kernspinresonantie (MRI), positronemissietomografie (PET) en computertomografie (CT). Verder worden vaak de bloedspiegels van glucose (om te zien of er sprake is van diabetes mellitus), cholesterol of andere stoffen bepaald.

De meeste van deze procedures brengen zeer weinig risico met zich mee, maar hoe ingewikkelder de procedure en hoe ernstiger de hartziekte, des te groter is het risico.

Elektrocardiografie

Elektrocardiografie is een snel, eenvoudig en pijnloos onderzoek waarbij elektrische prikkels die in het hart ontstaan, worden versterkt en zichtbaar worden gemaakt op een papierstrook. Het patroon op deze strook, het zogenoemde ‘elektrocardiogram' (ECG), levert informatie over de frequentie en het ritme van het hart, over de zenuwbanen in het hart die de prikkels geleiden en de mogelijke aanwezigheid van een hartinfarct.

Een ECG wordt gewoonlijk gemaakt als de arts een hartaandoening vermoedt. Ook wordt wel een ECG gemaakt als onderdeel van een routinecontrole bij mensen van middelbare leeftijd of bij ouderen, zelfs als er geen aanwijzingen voor een hartaandoening zijn. Het kan dan later worden gebruikt ter vergelijking met nieuwe ECG's als zich een hartaandoening ontwikkelt. Met deze procedure kan de arts bepaalde hartaandoeningen opsporen, zoals een eerder hartinfarct (myocardinfarct), hartritmestoornissen (aritmieën), onvoldoende toevoer van zuurstofrijk bloed naar het hart (ischemie) en abnormale verdikking (hypertrofie) van de hartspier die het gevolg van hoge bloeddruk kan zijn.

illustrative-material.figure-short 1

ECG: informatie uit golfpatronen

ECG: informatie uit golfpatronen

Een elektrocardiogram (ECG) is een weergave van de elektrische stroom die tijdens elke hartslag door het hart loopt. Deze afbeelding van de stroom bestaat uit fasen, die in het ECG worden aangeduid met letters.

Elke hartslag begint met een elektrische prikkel vanuit het prikkelcentrum van het hart, de sinusknoop. Deze prikkel activeert de bovenste helft van het hart (de boezems). De prikkeling van de boezems wordt zichtbaar als de P-top.

Vervolgens gaat de elektrische prikkel naar de onderste helft van het hart (de kamers). De prikkeling van de kamers is te zien als het QRS-complex.

Daarna verspreidt de elektrische stroom zich via de kamers in omgekeerde richting. Dit is de herstelfase van het hart, die zichtbaar is als de T-top.

Op een ECG kunnen allerlei afwijkingen te zien zijn. Zo kan het hartritme afwijkend zijn: te snel, te langzaam of onregelmatig. Uit het ECG kan de arts gewoonlijk bepalen waar in het hart de ritmestoornis ontstaat en wat de oorzaak is. Verder is het ECG de hoeksteen voor het stellen van de diagnose ‘hartinfarct'. Bij tijdelijke zuurstoftekorten van de hartspier, zoals bij angina pectoris, ontstaan meestal ook tijdelijke ECG-afwijkingen.

Een ECG wordt gemaakt door elektroden (kleine ronde sensoren die op de huid worden geplakt) op de armen, benen en borstkas te plaatsen. Bij elke hartslag meten deze elektroden de sterkte en richting van de elektrische stroompjes in het hart. De elektroden zijn verbonden met een apparaat dat per elektrode een spoor trekt op papier. Elk spoor toont de elektrische activiteit van het hart vanuit een andere hoek. De sporen vormen samen het ECG. Een ECG-opname duurt ongeveer 3 minuten, is pijnloos en brengt geen risico's met zich mee.

Inspanningsonderzoek

Hoe goed iemand in staat is lichamelijke inspanning te leveren, hangt af van de aanwezigheid en ernst van een eventuele coronaire hartziekte, andere hartaandoeningen, bepaalde andere aandoeningen (zoals longaandoeningen en bloedarmoede) en van de algemene conditie. Bij een inspanningsonderzoek worden tijdens de inspanning een ECG gemaakt en de bloeddruk gecontroleerd; hiermee kunnen problemen worden opgespoord die in rust niet waarneembaar zijn. Als de kransslagaders slechts gedeeltelijk zijn afgesloten, krijgt het hart mogelijk nog wel voldoende bloed wanneer de patiënt rust, maar niet tijdens lichamelijke inspanning. Omdat bij een inspanningsonderzoek specifiek wordt bekeken hoe het hart functioneert, kan de arts hiermee onderscheid maken tussen problemen die het gevolg zijn van een hartaandoening en problemen die het gevolg zijn van andere aandoeningen.

Om het ECG te kunnen maken worden er elektroden op de borstkas bevestigd. Tijdens het onderzoek loopt de patiënt op een loopband of fietst hij op een hometrainer. De loop- of fietssnelheid en de hiervoor benodigde kracht (belasting) worden geleidelijk opgevoerd. Het ECG wordt continu geregistreerd, de bloeddruk met tussenpozen. De hartfunctielaborant vraagt de te onderzoeken persoon gewoonlijk om door te gaan tot de hartslag is opgelopen tot 80 à 90% van het normale maximum voor zijn of haar leeftijd en geslacht. Als symptomen als kortademigheid of pijn op de borst ondraaglijk worden of als er duidelijke afwijkingen verschijnen in het ECG of de bloeddrukmetingen, wordt eerder gestopt. Het onderzoek duurt ongeveer 30 minuten. Bij dit onderzoek is er wel een gering risico, aangezien er in 1 op de 5000 gevallen een mogelijk fataal hartinfarct optreedt.

Bij patiënten die zich niet lichamelijk kunnen inspannen, kan een ECG-onderzoek worden uitgevoerd waarbij bepaalde farmacologische middelen worden gebruikt om de belasting van het hart tijdens inspanning na te bootsen. Dit levert soortgelijke informatie op als een inspanningsonderzoek. Er wordt dan een geneesmiddel ingespoten, zoals dipyridamol Handelsnaam
Persantin
, dobutamine Handelsnaam
dobutamine
of adenosine Handelsnaam
Adenocor
Adenoscan
, dat het effect van inspanning op de bloedcirculatie simuleert.

Wanneer tijdens het inspanningsonderzoek of de farmacologische belastingproef bepaalde afwijkingen in het ECG verschijnen, pijn op de borst optreedt of de bloeddruk daalt, kan er sprake zijn van coronaire hartziekte.

Geen enkele test is volmaakt. Een testresultaat kan abnormaal zijn zonder dat er sprake is van een aandoening van de kransslagaders (een zogenoemd ‘fout-positief' resultaat), terwijl het ook voorkomt dat er geen afwijkingen te zien zijn ondanks het feit dat de patiënt wel degelijk aan de aandoening lijdt (een fout-negatief resultaat). Als mensen, vooral jongere, geen symptomen hebben, is het onwaarschijnlijk dat er een aandoening van de kransslagaders bestaat, ook al komen er bij de test afwijkingen aan het licht. Toch wordt een inspanningsonderzoek vaak toegepast bij ogenschijnlijk gezonde mensen, bijvoorbeeld bij een sportkeuring of bij een medische keuring voor een levensverzekering. In dergelijke gevallen is er gewoonlijk een grotere kans dat een afwijkende uitslag onjuist is. Dergelijke fout-positieve resultaten kunnen aanleiding geven tot grote ongerustheid en onnodige medische kosten. Daarom zijn de meeste deskundigen tegen het routinematig toepassen van inspanningsonderzoek bij mensen zonder symptomen.

De nauwkeurigheid van een inspanningsonderzoek kan sterk worden verbeterd door een zeer kleine hoeveelheid radioactieve merkstof (isotoop), zoals thallium, in te spuiten (zie Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Scintigrafie) en dan een bepaald type foto (een scintigram) te maken. Vanwege de hogere kosten is dit echter niet de aangewezen methode voor routinematige screening.

Ambulante elektrocardiografie

Soms is er maar gedurende korte tijd sprake van ritmestoornissen of onvoldoende bloedtoevoer naar de hartspier of treden deze verschijnselen onregelmatig op. Dergelijke problemen kunnen worden opgespoord met behulp van ambulante elektrocardiografie, waarbij gedurende 24 uur continu een ECG wordt gemaakt terwijl de patiënt zijn dagelijkse bezigheden uitvoert.

Bij dit onderzoek draagt de patiënt een klein apparaat op batterijen (een Holter-monitor) aan een schouderband. Deze monitor registreert de elektrische activiteit van het hart via op de borst bevestigde elektroden, en neemt zo een ECG op. Tijdens het dragen houdt de patiënt in een dagboek bij of en wanneer zich symptomen voordoen. Het ECG wordt vervolgens ingevoerd in een computer, die de hartfrequentie en het hartritme analyseert en nagaat of er veranderingen zijn opgetreden in de elektrische activiteit die zouden kunnen duiden op onvoldoende bloedtoevoer naar de hartspier. Elke hartslag gedurende de 24 uur van de registratie wordt vastgelegd. Op deze manier kan worden nagegaan of er verband bestaat tussen de door de patiënt genoteerde symptomen en de veranderingen in het ECG.

Indien nodig kan het ECG per telefoon worden verstuurd naar een computer in het ziekenhuis of in de praktijk van de arts, zodat het ECG onmiddellijk kan worden bekeken wanneer zich symptomen voordoen.

Wanneer iemand langer dan 24 uur moet worden gevolgd, wordt een zogeheten ‘event recorder' gebruikt. Deze lijkt op een Holter-monitor, maar neemt alleen op wanneer de patiënt het apparaat activeert, te weten wanneer er symptomen optreden.

illustrative-material.figure-short 2

Holter-monitor: continue ECG-registratie

Holter-monitor: 
continue ECG-registratie

De patiënt draagt de monitor aan een riem over de schouder. Via elektroden op de borst wordt de elektrische activiteit van het hart voortdurend geregistreerd.

Continue ambulante bloeddrukmeting

Als er twijfels zijn over de diagnose ‘hoge bloeddruk' (bijvoorbeeld als de bloeddrukmetingen in de spreekkamer te zeer uiteenlopen), kan met een speciaal registratieapparaat 24 uur lang de bloeddruk worden gevolgd. De recorder werkt op batterijen, wordt op de heup gedragen en is verbonden met een bloeddrukmanchet om de arm. Deze bloeddrukmeter meet gedurende een periode van 24 of 48 uur herhaaldelijk de bloeddruk, zowel overdag als 's nachts. Uit de gemeten waarden blijkt niet alleen of er sprake is van hoge bloeddruk, maar ook hoe ernstig deze is.

Elektrofysiologisch onderzoek

Elektrofysiologisch onderzoek wordt toegepast om ernstige hartritmestoornissen of ernstige afwijkende elektrische prikkelgeleiding door het hart nader te onderzoe

ken. Dit onderzoek wordt in het ziekenhuis uitgevoerd. Na eerst een lokale verdoving te hebben toegediend, brengt de arts elektriciteitsgeleidende katheters in via een punctie (gewoonlijk in de lies) in een ader of soms een slagader. De katheters worden onder geleide van röntgendoorlichting via de grote bloedvaten verder opgevoerd tot in de hartholten. Met behulp van deze katheters wordt binnen in het hart een ECG opgenomen of wordt de precieze plaats van de prikkelgeleidingsbanen bepaald.

Gewoonlijk wordt tijdens een dergelijk onderzoek opzettelijk een afwijkend hartritme opgewekt om te achterhalen of de stoornis met een bepaald geneesmiddel kan worden opgeheven of dat met een operatie abnormale elektrische verbindingen binnen het hart kunnen worden opgeheven. Indien nodig kan de arts daarbij het normale ritme snel herstellen door middel van een korte elektrische schok op het hart (cardioversie). Hoewel bij dit onderzoek dus elektrische katheters in het lichaam moeten worden gebracht en de patiënt ook moet worden verdoofd, is de procedure zeer veilig: het risico van overlijden is 1 op 5000. De procedure vergt gewoonlijk enkele uren. Vaak wordt elektrofysiologisch onderzoek gecombineerd met behandeling, namelijk het elektrisch wegbranden (ablatie) van ongewenste prikkelgeleidende of -vormende hartdelen.

Kantelproef

De kantelproef wordt gewoonlijk toegepast bij mensen die om onbekende reden af en toe flauwvallen (een syncope krijgen) en bij wie geen structurele hartziekte (zoals vernauwing van de aortaklep) wordt gevonden. De patiënt wordt hierbij op een tafel gelegd die met behulp van elektromotoren onder een hoek van 60 of 80 graden schuin wordt gezet. Vervolgens worden gedurende 15 tot 20 minuten bloeddruk en hartfrequentie geregistreerd. Als de bloeddruk niet afneemt, dient de arts de patiënt isoproterenol toe (een middel dat het hart stimuleert) in een dosis die voldoende is om de hartfrequentie met 20 slagen per minuut te doen stijgen, waarna het onderzoek wordt herhaald. Bij deze procedure worden nogal eens fout-positieve resultaten gevonden, wat wil zeggen dat de uitslag lijkt te wijzen op een hartziekte terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake is. Deze procedure duurt 30 tot 60 minuten en is zeer veilig.

Röntgenonderzoek

Op röntgenfoto's die van voren en van opzij van de borstkas worden gemaakt, zijn de vorm en grootte van het hart te zien, evenals de bloedvaten in de longen en de borstkas. Een afwijkende vorm of grootte van het hart en afwijkingen als kalkafzetting in het hartweefsel kunnen hiermee gemakkelijk worden opgespoord. Op de foto's kan ook de toestand van de longen worden beoordeeld, vooral of de bloedvaten in de longen afwijkend zijn en of zich vloeistof heeft opgehoopt in of rond de longen.

Op röntgenfoto's is verder te zien of het hart vergroot is, iets wat vaak samenhangt met hartfalen of klepgebreken. Wanneer hartfalen het gevolg is van constrictieve pericarditis, waarbij littekenweefsel ontstaat in het vlies rond het hart (het pericardium of hartzakje), is het hart echter niet vergroot, maar is wel vaak een kalkschil in het hartzakje zichtbaar.

Voor het stellen van de diagnose is het vaak nog belangrijker hoe de bloedvaten in de longen eruitzien dan hoe het hart zelf eruitziet. Zo wijst een verdikking van de longslagaders (de slagaders die het bloed van het hart naar de longen voeren) en vernauwing van de slagaders binnen het longweefsel op een verdikking van de spierwand van de rechter hartkamer (de onderste hartholte, van waaruit het bloed via de longslagaders naar de longen wordt gepompt) als gevolg van hoge druk in de longslagaders.

Soms worden ook röntgenfoto's gemaakt van andere lichaamsdelen om verstoppingen in andere bloedvaten op te sporen.

Het röntgenapparaat wordt daarbij in een zodanige positie opgesteld dat de röntgenstralen op het te onderzoeken lichaamsdeel zijn gericht. De blootstelling aan de röntgenstraling duurt slechts een fractie van een seconde.

De straling levert geen directe problemen op. Alleen bij een zeer grote hoeveelheid straling bestaat het risico dat de straling cellen beschadigt, waardoor deze zich later tot kankercellen ontwikkelen. Hoe meer iemand wordt blootgesteld aan röntgenstraling, des te groter het risico. Daarom wordt een zeer lage dosis gebruikt en worden de lichaamsdelen waarvan geen opname wordt gemaakt, soms met lood afgeschermd. Dit afschermen is vooral van belang voor zwangere vrouwen.

Computertomografie (CT)

De normale vorm van computertomografie (CT) wordt niet vaak gebruikt bij het diagnosticeren van hartziekten. Maar met CT kunnen wel structurele afwijkingen van het hart, het hartzakje, de grote bloedvaten, de longen en de steunweefsels in de borstkas worden opgespoord.

Voor deze procedure wordt de te onderzoeken persoon liggend op een onderzoekstafel door een CT-scanner geschoven. Deze scanner maakt een grote reeks röntgenopnamen vanuit verschillende hoeken. Telkens wanneer een serie opnamen (een ‘scan') klaar is, wordt het bed een klein stukje opgeschoven, waarna een nieuwe scan wordt gemaakt. Soms wordt de patiënt gevraagd tijdens het maken van een scan niet te ademen, om een scherp beeld te verkrijgen. Het verschil tussen een CT-scan en een normale röntgenfoto is dat de scan onderscheid maakt tussen weefsels met verschillende dichtheid, wat een gedetailleerder beeld oplevert. Van de reeks scans maakt een computer dwarsdoorsneden van de gehele borstkas (of een ander lichaamsdeel) en geeft deze weer op een monitor. Op dergelijke beelden kan de arts nauwkeurig de plaats van eventuele afwijkingen vaststellen. Het maken van een complete reeks scans duurt ongeveer 30 minuten.

Met een nieuwer, supersnel CT-systeem, dat wel ‘cinecomputertomografie' wordt genoemd, kan een driedimensionaal bewegend beeld van het hart worden gemaakt. Deze zich nu snel ontwikkelende, nog niet algemeen beschikbare techniek maakt het mogelijk afwijkingen in de structuur en de bewegingen van de hartwand te beoordelen.

Computertomografische angiografie (CTA) is een vorm van CT die wordt gebruikt om driedimensionale beelden van de grote slagaders van het lichaam te maken, behalve van de slagaders die het hart zelf van bloed voorzien (de kransslagaders). De beelden zijn van een soortgelijke kwaliteit als die van coronairangiografie (zie Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Hartkatheterisatie en coronairangiografie). Hiermee kan men bijvoorbeeld vernauwingen opsporen in de slagaders die de nieren van bloed voorzien (renale stenose), evenals bloedstolsels die van een slagaderwand zijn losgeraakt en via de bloedbaan naar de longen zijn gevoerd, waar ze vastlopen in een van de kleinere longslagaders (longembolie).

In tegenstelling tot angiografie is CTA geen invasieve procedure. Gewoonlijk wordt hierbij een kleurstof die op röntgenfoto's is te zien (een contrastmiddel) niet in een slagader ingespoten zoals bij een angiografie, maar in een ader. Het maken van een CTA duurt gewoonlijk minder dan 30 minuten.

Echocardiografie en andere echografische procedures

Bij echografie wordt geluid van zeer hoge frequentie (ultrageluidsgolven) weerkaatst door de inwendige structuren in het lichaam. Uit de weerkaatsing kan een bewegend beeld worden geconstrueerd. Er worden geen röntgenstralen gebruikt. Echografie van het hart (echocardiografie) is een van de meest toegepaste onderzoeksmethoden om hartaandoeningen vast te stellen omdat het onderzoek niet-invasief is, geen gevaar oplevert en relatief goedkoop is. De apparatuur is op vele plaatsen beschikbaar en produceert meestal behoorlijke beelden. Echografie wordt ook gebruikt voor het diagnosticeren van aandoeningen van de bloedvaten in andere delen van het lichaam.

Met echografie kunnen afwijkingen in de bewegingen van de hartwand worden opgespoord en het volume bloed worden gemeten dat bij elke hartslag uit het hart wordt weggepompt. Ook kan men met dit hulpmiddel afwijkingen opsporen in de structuur van het hart, zoals hartklepgebreken, aangeboren afwijkingen en verdikking van hartwanden of verwijding van hartholten, die voorkomen bij mensen met hartfalen of cardiomyopathie. Ook kan echografie worden gebruikt voor opsporing van pericardeffusie, waarbij zich vocht ophoopt tussen de twee lagen van het hartzakje (pericard) of van constrictieve pericarditis, een aandoening waarbij zich in het gehele hartzakje littekenweefsel vormt.

De meest gebruikte vorm van echocardiografie is de tweedimensionale echografie, waarbij in de computer realistische tweedimensionale beelden (‘doorsneden') worden geconstrueerd. Daarnaast bestaan de zogenoemde ‘M-mode-echocardiografie' en (kleuren)doppler-echografie. Bij de M-mode-echocardiografie, de eenvoudigste techniek, wordt een enkele ultrageluidsgolf gericht op dat deel van het hart dat men wil bestuderen.

Met dopplerechografie kan men de stroomrichting en -snelheid van het bloed zichtbaar maken, en daarmee ook eventuele wervelingen in de bloedstroom als gevolg van vernauwde of geblokkeerde bloedvaten. Bij kleurendopplerechografie wordt bloed dat met verschillende snelheden stroomt in verschillende kleuren getoond. Dopplerechografie en kleurendopplerechografie worden vaak gebruikt om aandoeningen van het hart en van de slagaders en aders in romp, armen en benen vast te stellen. Doordat deze hulpmiddelen de stroomrichting en -snelheid van de bloedcirculatie in de holten en bloedvaten van het hart zichtbaar maken, kunnen de artsen hiermee de bouw en werking van deze structuren bekijken. Zo kunnen ze nagaan of de hartkleppen op de juiste manier openen en sluiten, of er bloed lekt door de gesloten hartkleppen en zo ja hoeveel, en of het bloed normaal stroomt. Ook een abnormale verbinding tussen een slagader en een ader of tussen twee hartholten kan worden opgespoord.

De ultrageluidsgolven worden uitgezonden door een met de hand vastgehouden sonde, een zogenoemde ‘transducer'. Bij echocardiografie brengt de laborant eerst gel aan op de borst, ter hoogte van het hart, en beweegt dan de transducer over dat gebied. De transducer is verbonden met een monitor, waarop het beeld te zien is. Het beeld wordt ook opgeslagen op een videoband, digitaal of op papier. Door de plaats en de stand van de transducer te variëren kan vanuit verschillende hoeken worden gekeken naar het hart en de grote bloedvaten bij het hart zodat er een goed beeld van de structuur en de werking wordt verkregen. Echocardiografie is pijnloos en duurt ongeveer 20 tot 30 minuten.

Voor een nog duidelijker beeld of om de aorta of structuren aan de achterzijde van het hart te bekijken (vooral de linker boezem of de linker kamer) kan slokdarmechocardiografie (transoesofageale echocardiografie) worden toegepast. Hierbij laat men een transducer via de keel in de slokdarm zakken. De transducer vangt dan signalen op van vlak achter het hart. Deze techniek wordt ook gebruikt wanneer normale echocardiografie moeilijk uitvoerbaar is vanwege zwaarlijvigheid, longaandoeningen of andere technische problemen. Slokdarmechografie geeft weliswaar veel betere beelden dan de gewone echocardiografie, maar is voor de patiënt een onaangenaam, belastend onderzoek.

Magnetische kernspinresonantie (MRI)

Bij magnetische kernspinresonantie (MRI) worden met behulp van krachtige magneetvelden en radiogolven gedetailleerde beelden gemaakt van hart en borstkas. Deze relatief dure en geavanceerde techniek wordt sinds enkele jaren toegepast voor vrijwel alle hartaandoeningen.

De te onderzoeken persoon ligt in een grote elektromagnetische scanner, waarin het magneetveld ervoor zorgt dat de atoomkernen in het lichaam zich evenwijdig aan elkaar rangschikken. (In de normale toestand wijzen ze in allerlei willekeurige richtingen.) Vervolgens wordt er een radiogolf doorheen gestuurd, waardoor de kernen gaan trillen en uit de evenwijdige stand worden gebracht. Wanneer de kernen zich daarna weer evenwijdig rangschikken, geven ze karakteristieke signalen af die worden omgezet in twee- en driedimensionale beelden van de hartstructuren. Gewoonlijk is het niet nodig een contrastvloeistof in te spuiten om het beeld duidelijker te maken. Soms wordt echter intraveneus een paramagnetisch contrastmiddel (een stof die zwak door sterke magneetvelden wordt aangetrokken) toegediend om plaatsen op te sporen waar de bloedcirculatie in de hartspier onvoldoende is.

Sommige mensen krijgen bij MRI last van claustrofobie omdat ze heel stil moeten liggen in een nauwe tunnel in een enorm apparaat.

Magnetischeresonantieangiografie (MRA) is een vorm van MRI die zich vooral richt op bloedvaten in plaats van op organen. De met deze techniek geproduceerde beelden van bloedvaten en bloedcirculatie zijn van een soortgelijke kwaliteit als die van coronairangiografie (zie Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Hartkatheterisatie en coronairangiografie). MRA kan worden gebruikt voor opsporing van aneurysma's (zwakke, uitpuilende plekken) in de aorta, vernauwingen in de slagaders die de nieren van bloed moeten voorzien (renale stenose) en vernauwingen of verstoppingen in de slagaders die het hart zelf (de kransslagaders) of de armen en benen (de perifere slagaders) van bloed voorzien.

In tegenstelling tot angiografie is MRA geen invasieve procedure. Wel wordt soms een paramagnetisch contrastmiddel in een bloedvat gespoten. Bij MRA wordt dezelfde scanner gebruikt als voor MRI, dus ook hierbij moet de patiënt in een nauwe tunnel stilliggen. Het maken van een MRA duurt gewoonlijk minder dan een uur.

Scintigrafie

Bij scintigrafie wordt een zeer kleine hoeveelheid radioactieve stof, een zogenoemde ‘isotoop' of ‘radionuclide', in een ader ingespoten. De hoeveelheid straling waaraan de patiënt wordt blootgesteld, is gering en minder dan bij de meeste andere röntgenonderzoeken.

De isotoop verspreidt zich in korte tijd door het gehele lichaam. Hoeveel isotoop door een bepaald weefsel wordt opgenomen, hangt af van de activiteit van dat weefsel. De isotoop zendt gammastralen uit, die kunnen worden waargenomen door een gammacamera. De zo verkregen informatie wordt geanalyseerd met een computer, die er vervolgens een beeld van maakt. Dat beeld wordt op een scherm getoond en digitaal opgeslagen om nader te worden bekeken. Bij elke scan wordt één beeld gevormd. De verschillende kleuren in het beeld geven aan hoeveel isotoop door de verschillende weefsels is opgenomen.

Scintigrafie is vooral bruikbaar voor het stellen van de diagnose bij pijn op de borst waarvan de oorzaak onduidelijk is. Als de kransslagaders vernauwd zijn, kan men met scintigrafie bekijken hoe deze vernauwing de bloedtoevoer naar en de werking van het hart beïnvloedt. Ook wordt scintigrafie toegepast om na een bypassoperatie of een soortgelijke ingreep na te gaan of de bloedtoevoer verbeterd is en soms om na een hartinfarct (myocardinfarct) duidelijkheid te verkrijgen over de prognose.

Welke isotoop de arts gebruikt, hangt af van de aandoening die wordt vermoed. Voor beoordeling van de doorbloeding door de hartspier wordt gewoonlijk technetium-99-sestamibi of thallium-201 gebruikt. Scintigrafie van het hart wordt daarom vaak een ‘thallium-onderzoek' genoemd. Men neemt dan beelden op terwijl de patiënt een inspanningsonderzoek ondergaat (zie Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Inspanningsonderzoek). De hoeveelheid isotoop die wordt geabsorbeerd door de hartspiercellen, is een maat voor de doorbloeding. Bij maximale inspanning zal er in de delen van het hart die onvoldoende worden doorbloed (ischemisch zijn) minder radioactiviteit aanwezig zijn zodat ze op het scherm vager worden weergegeven dan de delen met normale doorbloeding. Bij mensen die niet in staat zijn tot lichamelijke inspanning, kunnen middelen als dipyridamol Handelsnaam
Persantin
, dobutamine Handelsnaam
dobutamine
of adenosine Handelsnaam
Adenocor
Adenoscan
worden gebruikt om het effect van inspanning op de doorbloeding na te bootsen. Deze middelen zorgen ervoor dat het bloed van afwijkende bloedvaten naar normale vaten wordt omgeleid, waardoor het gebied dat niet goed wordt doorbloed nog minder toevoer krijgt.

Nadat de patiënt een paar uur heeft gerust, wordt een tweede scan gemaakt en dat beeld wordt vergeleken met het eerste. De arts kan dan zien in welke delen de slechte doorbloeding omkeerbaar is (gewoonlijk veroorzaakt door vernauwing van de kransslagaders) en in welke delen dat niet het geval is (gewoonlijk door vorming van littekenweefsel na een eerder hartinfarct).

Als de arts vermoedt dat de patiënt zeer onlangs een hartinfarct heeft gehad, wordt technetium-99m in plaats van thallium-201 gebruikt. Met technetium kan de beschadiging als gevolg van een hartinfarct vanaf 12 tot 24 uur tot maximaal een week na het ontstaan worden aangetoond. Terwijl thallium voornamelijk door normaal weefsel wordt geabsorbeerd, hoopt technetium zich vooral in abnormaal weefsel op. Maar doordat technetium ook wordt opgenomen door botweefsel, wordt het beeld van het hart hierbij enigszins door de ribben afgeschermd.

Met behulp van een speciale scintigrafietechniek die ‘SPECT' (single photon computer tomography) wordt genoemd, is het mogelijk met behulp van een computer een reeks dwarsdoorsneden te maken. Ook een driedimensionaal beeld is mogelijk. SPECT levert meer informatie over de werking van het hart, de doorbloeding en eventuele afwijkingen dan gewone scintigrafie.

Positronemissietomografie (PET)

Bij positronemissietomografie (PET) wordt een stof die nodig is voor het functioneren van de hartcellen (bijvoorbeeld zuurstof of glucose) gemerkt met een radioactieve stof die zogenoemde ‘positronen' afgeeft (elektronen met een positieve elektrische lading). De gemerkte voedingsstof wordt in een ader ingespoten en bereikt binnen enkele minuten het hart. Een PET-scan wordt gebruikt om na te gaan hoeveel bloed de verschillende delen van de hartspier bereikt en hoe de verschillende delen van het hart bepaalde stoffen verwerken. Zo kan men met gemerkte glucose nagaan welke delen van de hartspier onvoldoende bloed ontvangen, doordat dergelijke delen meer glucose gebruiken dan normaal.

PET-scans leveren duidelijkere beelden dan andere methoden waarbij radioactieve stoffen worden gebruikt. Het is echter een dure techniek die bovendien niet overal beschikbaar is. De techniek wordt vooral gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek en in gevallen waarbij eenvoudigere en minder kostbare methoden geen uitsluitsel geven.

De patiënt wordt in een ringvormige PET-scanner geplaatst, die rondom het lichaam de straling meet en plekken met sterkere radioactiviteit registreert. Hoe actiever een bepaald gedeelte van de hartspier is, des te meer positronen neemt het op en des te meer straling geeft het af. Uit de verschillende kleuren op de scan is dan af te leiden hoe actief de verschillende delen van de hartspier zijn. Met een computer wordt een driedimensionaal beeld van het gebied gemaakt.

Hartkatheterisatie en coronairangiografie

Hartkatheterisatie in combinatie met coronairangiografie is de nauwkeurigste methode om coronaire hartziekten (kransvataandoeningen) te constateren. Samen vormen deze twee methoden de enige manier om de druk van het bloed in de vier afzonderlijke holten van het hart te meten en een beeld te krijgen van de binnenzijde van de kransslagaders. Dergelijke onderzoeken worden uitgevoerd om te bepalen of angioplastiek (dotteren) of een coronaire bypasschirurgie bij een bepaalde patiënt technisch haalbaar is. Ook worden ze gebruikt om de diagnosestelling bij andere hartaandoeningen te bevestigen, de ernst van een hartaandoening vast te stellen of om uit te zoeken waardoor bepaalde symptomen verergeren.

Elk jaar worden er alleen al in de Verenigde Staten meer dan een miljoen hartkatheterisaties en angiografische onderzoeken uitgevoerd. Deze procedures zijn relatief veilig en complicaties komen zelden voor. De kans op ernstige complicaties, zoals een CVA, hartinfarct of overlijden, is 1 op 1000. Minder dan 0,01% van degenen die een dergelijk onderzoek ondergaan, komt daarbij te overlijden. De meesten van hen hadden al een ernstige (hart)aandoening. Bij ouderen is het risico van complicaties of overlijden hoger.

Hartkatheterisatie: hartkatheterisatie wordt op grote schaal toegepast voor het diagnosticeren en behandelen van hartziekten die niet het gevolg zijn van coronaire hartziekte. Zo kan met hartkatheterisatie worden gemeten hoeveel bloed het hart per minuut rondpompt (hartminuutvolume) en kan men ermee aangeboren hartafwijkingen en gezwellen (bijvoorbeeld myxomen) opsporen.

Bij hartkatheterisatie wordt een dunne, flexibele buis (katheter) in een slagader of ader ingebracht via een naald of een kleine snede in de huid. De plaats waar de katheter wordt ingebracht, wordt plaatselijk verdoofd. De katheter wordt vervolgens via de grote bloedvaten naar de hartholten gevoerd. Dit onderzoek wordt in het ziekenhuis uitgevoerd en duurt 20 tot 60 minuten.

Aan het uiteinde van de katheter kunnen diverse instrumenten worden bevestigd. Deze kan men bijvoorbeeld gebruiken om de druk van het bloed in elk van de hartholten of in de met het hart verbonden bloedvaten te meten, om de binnenzijde van de bloedvaten te bekijken, om bloedmonsters uit verschillende delen van het hart te nemen of om een weefselmonster van de binnenzijde van het hart te nemen voor microscopisch onderzoek (biopsie). Op de afdeling intensieve zorg of hartbewaking kan de druk in de hartholten permanent worden gemeten met een speciaal daarvoor ontworpen katheter met een ballonnetje aan het uiteinde (Swan-Ganz-katheter).

Wanneer de arts een katheter gebruikt om een kleurstof te injecteren die op röntgenfoto's zichtbaar is, spreekt men van ‘angiografie'. Wanneer een katheter wordt gebruikt om een te nauwe hartklepopening op te rekken, heet dit ‘valvuloplastiek'. En wanneer een katheter wordt gebruikt om een vernauwde of verstopte slagader te verwijden, spreekt men van ‘angioplastiek'. (zie Coronaire hartziekte: Symptomen)

Als de katheter in een slagader wordt ingebracht, moet de plaats waarin de naald werd gestoken of de snede in de huid werd gemaakt nog 10 tot 20 minuten na het verwijderen van de instrumenten worden dichtgedrukt om bloedingen en onderhuidse bloeduitstortingen te voorkomen. Soms kan er echter toch een onderhuidse bloeding optreden bij de inbrengplaats, zodat een grote blauwe plek ontstaat. Deze kan weken zichtbaar blijven, maar verdwijnt uiteindelijk vrijwel altijd vanzelf.

Omdat het inbrengen van een katheter in het hart afwijkingen in het hartritme kan veroorzaken, wordt het hart tegelijkertijd bewaakt met behulp van elektrocardiografie (ECG). Als ritmestoornissen optreden, kunnen deze gewoonlijk worden verholpen door de positie van de katheter aan te passen. Als dit niet helpt, wordt de katheter verwijderd. In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat bij het inbrengen van de katheter de hartwand wordt beschadigd of doorboord; in dit geval moet soms onmiddellijk operatief worden ingegrepen.

Hartkatheterisatie kan aan zowel de linker als de rechter zijde van het hart worden uitgevoerd.

De rechter zijde van het hart wordt gekatheteriseerd om inzicht te krijgen in de toestand van de twee rechter hartholten (de rechter boezem en de rechter kamer) en de tricuspidalisklep (de klep tussen deze twee holten). In de rechter boezem verzamelt zich het zuurstofarme bloed vanuit het lichaam; de rechter kamer pompt het vervolgens naar de longen, waar het bloed zuurstof opneemt en kooldioxide afstaat. Voor katheterisatie van de rechter harthelft wordt de katheter in een ader ingebracht, gewoonlijk in de arm of in de lies. Als onderdeel van de katheterisatie van de rechter harthelft kan ook de longslagader worden gekatheteriseerd; daarbij wordt een katheter met een ballonnetje aan het uiteinde via de rechter boezem en de rechter kamer naar de longslagader gevoerd.

De linker zijde van het hart wordt gekatheteriseerd om inzicht te krijgen in de toestand van de hartholten aan de linker zijde (linker boezem en linker kamer), de mitralisklep (de klep tussen deze twee holten) en de aortaklep (de klep tussen de linker kamer en de aorta). In de linker boezem komt het zuurstofrijke bloed afkomstig van de longen binnen, waarna de linker kamer het naar de rest van het lichaam pompt. De linker zijde van het hart wordt vaker gekatheteriseerd dan de rechter. Zo wordt de linker harthelft gekatheteriseerd wanneer er een coronaire hartziekte is ontdekt (om de ernst van de aandoening vast te stellen) of het bestaan daarvan wordt vermoed (om de diagnose te bevestigen). Dit onderzoek wordt gewoonlijk gecombineerd met coronairangiografie van de kransslagaders.

Coronairangiografie: met deze methode kan de arts gegevens verkrijgen over de kransslagaders, de bloedvaten die zorgen dat het hart van zuurstofrijk bloed wordt voorzien. Coronairangiografie lijkt op katheterisatie van de linker harthelft en deze twee onderzoeken worden ook vrijwel altijd tegelijkertijd uitgevoerd. Eerst dient de arts plaatselijke verdoving toe, daarna brengt hij een dunne katheter in een slagader via een snede in de huid in de arm of lies. De katheter wordt opgevoerd naar het hart en van daaruit in de kransslagaders. De arts volgt de route van de katheter met behulp van röntgendoorlichting om te zorgen dat de katheter op de juiste plaats terechtkomt. Zodra het uiteinde van de katheter op de juiste plaats zit, wordt een op röntgenfoto's zichtbare kleurstof (contrastmiddel) via de katheter in de kransslagaders gespoten, waardoor de omtrekken van deze kransslagaders op een scherm zichtbaar worden. Het beeld wordt vastgelegd op band of op digitale manier. Meestal wordt hierbij een soort film met bewegende beelden gemaakt; dit heet dan ‘cineangiografie'. Op deze beelden is duidelijk te zien hoe de hartholten en kransslagaders bewegen.

Coronairangiografie brengt meestal weinig ongemak met zich mee en duurt gewoonlijk 20 tot 60 minuten. Tenzij de patiënt erg ziek is, wordt het onderzoek poliklinisch uitgevoerd.

Op het moment dat het contrastmiddel in de aorta of de hartholten wordt gespoten, ervaart de patiënt tijdelijke warmtesensaties die door het hele lichaam trekken naarmate het middel zich verder door de bloedvaten verspreidt. De hartfrequentie kan oplopen en de bloeddruk iets dalen. In een enkel geval gaat het hart als reactie op het contrastmiddel langzamer kloppen of treedt zelfs hartstilstand op. Soms vraagt men de patiënt om tijdens het onderzoek krachtig te hoesten om dergelijke problemen, die overigens zelden ernstig zijn, te verhelpen. In zeldzame gevallen treden er lichte complicaties op als misselijkheid, braken en hoesten. Ernstige complicaties, zoals shock (zie Shock), epileptische aanvallen, nierproblemen en plotselinge hartstilstand, zijn zeer zeldzaam. Allergische reacties op het contrastmiddel variëren van huiduitslag tot een zeldzame levensbedreigende aandoening die ‘anafylactische shock' wordt genoemd (zie Allergische reacties: Anafylactische reacties). Het team dat coronairangiografie uitvoert, is er altijd op voorbereid de eventuele complicaties van het onderzoek onmiddellijk te behandelen.

Het risico van complicaties is groter bij ouderen, maar is ook bij hen nog gering. Coronairangiografie is zonder meer vereist wanneer men overweegt een angioplastiek (dotterbehandeling) of coronaire bypassoperatie uit te voeren. (Coronaire hartziekte: Coronairangioplastiek)

Een speciaal type angiografie is ventriculografie, waarbij via een katheter een contrastmiddel in de linker of rechter hartkamer wordt gespoten waarna röntgenopnamen worden gemaakt. Dit onderzoek wordt uitgevoerd tijdens een hartkatheterisatie. Met deze methode kunnen de artsen de beweging van de linker of rechter kamer bestuderen om de pompfunctie van het hart te beoordelen. Het pompvermogen van het hart wordt uitgedrukt in de zogenoemde ‘ejectiefractie', het percentage van het bloed dat bij elke hartslag door de linker kamer wordt weggepompt. Door de pompfunctie van het hart te meten kunnen artsen bepalen hoeveel hartletsel er is.

Pulmonaliskatheterisatie

Pulmonaliskatheterisatie (katheterisatie van de longslagader) levert bruikbare gegevens over de algehele hartfunctie bij mensen die in een levensbedreigende toestand verkeren, vooral wanneer ze intraveneus vloeistof krijgen toegediend. Dit is het geval bij patiënten met ernstige hart- of longaandoeningen (zoals met complicaties bij hartfalen, hartinfarct, hartritmestoornissen of longembolie), bij patiënten die net een hartoperatie hebben ondergaan, in shock verkeren (zie Shock) of ernstig verbrand zijn.

Pulmonaliskatheterisatie wordt ook toegepast voor meting van de druk in de rechter hartholten en schatting van die in de linker hartholten. Tevens wordt deze methode gebruikt voor bepaling van de hoeveelheid bloed die het hart per minuut rondpompt (hartminuutvolume), van de weerstand die het bloed ondervindt in de slagaders vanuit het hart naar de rest van het lichaam (perifere weerstand) en van het totale bloedvolume. Daarnaast kan dit onderzoek nuttige informatie leveren in geval van harttamponnade en longembolie. (zie Longembolie: Introductie)

Net als bij katheterisatie van de rechter harthelft wordt er een katheter met een ballonnetje aan het uiteinde in een ader ingebracht, gewoonlijk in de hals onder het sleutelbeen of in een arm en naar het hart gevoerd. Het uiteinde van de katheter kan via de bovenste of onderste holle ader (de grote aders die het bloed respectievelijk vanuit het bovenste en onderste deel van lichaam terugvoeren naar het hart) via de rechter boezem en de rechter kamer worden doorgeschoven naar de longslagader. De arts zorgt dat het ballonnetje zich aan het uiteinde in de longslagader bevindt. Met behulp van röntgendoorlichting wordt eventueel bekeken of het uiteinde precies op de juiste plaats zit.

Het ballonnetje wordt dan opgeblazen zodat het de longslagader tijdelijk afsluit. Dit maakt het mogelijk de druk te meten in de haarvaten van de longen (de zogenoemde ‘wiggendruk'). Dit is een indirecte manier om de druk in de linker boezem te bepalen. Door de katheter kunnen ook bloedmonsters worden genomen om het zuurstof- en kooldioxidegehalte van het bloed te kunnen bepalen.

Bij dit onderzoek kan een groot aantal complicaties optreden, maar dit gebeurt zelden. Deze complicaties zijn onder meer lucht tussen de vliezen die de longen omgeven (pneumothorax), hartritmestoornissen (aritmieën), infectie, beschadiging of stolselvorming in de longslagader en beschadiging van een slagader of ader.

Centraalveneuze katheterisatie

Met centraalveneuze katheterisatie meet men de centraalveneuze druk (de druk in de bovenste holle ader, de ader waardoor het bloed vanuit de bovenste helft van het lichaam terugkeert naar het hart). De centraalveneuze druk weerspiegelt de druk in de rechter boezem wanneer deze met bloed gevuld is. Uit dit onderzoek kan de arts afleiden of een patiënt is uitgedroogd en hoe goed het hart functioneert. Dit onderzoek wordt toegepast bij patiënten op de intensivecareafdeling om de vochttoestand permanent in de gaten te houden.

Angiografie van de perifere bloedvaten

Angiografie van de perifere bloedvaten (de bloedvaten van de armen, benen en romp met uitzondering van de kransslagaders) lijkt op coronairangiografie, met dit verschil dat de katheter niet naar het hart wordt geleid, maar naar het te onderzoeken bloedvat. Met angiografie kan bijvoorbeeld worden onderzocht of er een abnormale verbinding bestaat tussen een slagader en een ader (een zogenoemde ‘arterioveneuze fistel').

Als met dopplerechografie of röntgenonderzoek een probleem is ontdekt in een perifere slagader, wordt selectieve angiografie uitgevoerd om vast te stellen of een angioplastiek of een bypassoperatie (zie Coronaire hartziekte: Symptomen) noodzakelijk is. Bij selectieve angiografie wordt een contrastmiddel via een katheter in een slagader in het te bestuderen gebied ingespoten, zodat het middel in dat gebied is geconcentreerd.

Met angiografie van de aorta (aortografie) kunnen afwijkingen in de aorta (zoals een aneurysma of dissectie) worden opgespoord. Ook kan men hiermee lekkage van de hartklep tussen de linker kamer en de aorta (aortaklepinsufficiëntie) vaststellen.

Soms wordt voorafgaand aan selectieve angiografie een onderzoek uitgevoerd dat ‘digitale subtractieangiografie' heet, en waarmee bepaalde problemen als vernauwing of verstopping van een slagader kunnen worden opgespoord en afgebeeld. Dit type angiografie is echter zelden afdoende om te kunnen bepalen of er operatief moet worden ingegrepen (met of zonder angioplastiek). Digitale subtractieangiografie wordt niet toegepast op de kransslagaders omdat door de bewegingen van het hart geen scherpe beelden kunnen worden verkregen; duidelijke beelden verkrijgt men met coronaire angiografie.

Bij digitale subtractieangiografie worden opnamen van de slagaders gemaakt vóór en na injectie van een contrastmiddel; de twee beelden worden vervolgens door de computer met elkaar vergeleken. Daardoor verdwijnen de andere weefsels dan de slagaders (zoals botten) uit het beeld. De slagaders zijn dan duidelijker te zien, er is veel minder contrastmiddel nodig en het onderzoek is misschien veiliger dan standaardangiografie.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Introductie

Volgende: Symptomen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer