MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ
In dit onderwerp
Diagnose
Naar boven

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Diagnose

Gewoonlijk heeft de arts op grond van de symptomen al een vermoeden dat er hartfalen is. De diagnose kan dan worden bevestigd door de resultaten van een lichamelijk onderzoek, zoals een zwakke en vaak snelle polsslag, een verlaagde bloeddruk, abnormale hartgeluiden en vochtophoping in de longen (die beide te horen zijn met een stethoscoop), een vergroot hart, gezwollen halsaders, een vergrote lever en gezwollen buik of benen. Op een thoraxfoto kunnen een vergroot hart en vocht in de longen zichtbaar zijn.

Meestal wordt verder onderzoek verricht om de werking van het hart te beoordelen. Er wordt vrijwel altijd een elektrocardiogram (ECG) gemaakt (zie Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Elektrocardiografie) om te zien of het hartritme normaal is, of de wanden van de kamers verdikt zijn en of de patiënt een hartinfarct heeft doorgemaakt.

Echocardiografie (zie Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Echocardiografie en andere echografische procedures), waarbij met behulp van geluidsgolven een beeld van het hart wordt verkregen, is een van de beste onderzoeken om de werking van het hart te beoordelen. Hiermee kunnen ook de pompcapaciteit en de werking van de kleppen worden gecontroleerd. De arts kan dan ook zien of de hartwanden verdikt zijn, of de kleppen normaal functioneren, of de samentrekkingen normaal verlopen en of er delen van het hart niet normaal samentrekken. Met echocardiografie kan vaak worden vastgesteld of het hartfalen wordt veroorzaakt door systolische of diastolische disfunctie, omdat de arts met deze techniek de dikte van de hartwand en de ejectiefractie kan schatten. De ejectiefractie is een belangrijke maat voor de hartfunctie en is het percentage van het bloed dat bij elke hartslag wordt weggepompt. Bij normale werking wordt bij elke slag circa 60% van het in de linker kamer aanwezige bloed weggepompt. Als de ejectiefractie laag is, duidt dit waarschijnlijk op systolische disfunctie; bij een normale of hoge ejectiefractie is er waarschijnlijk sprake van diastolische disfunctie.

Ook andere onderzoeken, zoals scintigrafie en hartkatheterisatie met angiografie (zie Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Hartkatheterisatie en coronairangiografie), kunnen worden gebruikt om de oorzaak van het hartfalen vast te stellen. In zeldzame gevallen kan het nodig zijn een weefselmonster te nemen (biopsie), wanneer de arts vermoedt dat er een infiltraat in het hartweefsel aanwezig is (bijvoorbeeld bij amyloïdose) of dat er sprake is van een ontsteking (myocarditis) als gevolg van een infectie veroorzaakt door een bacterie, virus of andere ziekteverwekker.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Compensatiemechanismen

Volgende: Oorzaken

Illustraties
Tabellen
Disclaimer