MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Hartinfarct

Een hartinfarct (myocardinfarct) is een acute medische toestand waarbij een deel van de bloedtoevoer naar de hartspier plotseling grotendeels of geheel wordt afgesneden, waardoor het getroffen deel van de hartspier (het myocard) door zuurstofgebrek afsterft.

In Nederland sterven per jaar meer dan 20.000 mensen aan een acuut hartinfarct, van wie twee derde van het mannelijke geslacht is. In vrijwel al deze gevallen is er sprake van een onderliggende coronaire hartziekte.

Een hartinfarct ontstaat meestal doordat een afsluiting in een kransslagader de bloedtoevoer naar een deel van het hart grotendeels of geheel afsnijdt. Als de gedeeltelijke of volledige afsluiting langer dan een paar minuten duurt, sterft een deel van het hartweefsel af.

Oorzaken

De meest voorkomende oorzaak van een kransslagaderafsluiting is een bloedstolsel. Meestal is de slagader al gedeeltelijk vernauwd door atheromen. Een atheroom kan openbarsten of scheuren, waardoor de vernauwing verergert en het risico van afsluiting door een bloedstolsel toeneemt. Niet alleen vermindert een gescheurd atheroom de bloedstroom door de slagader, bij het scheuren komen ook stoffen vrij die de bloedplaatjes sterker aan elkaar doen kleven, waardoor nog gemakkelijker stolsels ontstaan.

Een minder vaak voorkomende oorzaak van een hartinfarct is een stolsel dat in het hart zelf ontstaat, loslaat en dan vastloopt in een kransslagader. Een andere minder vaak voorkomende oorzaak is een spasme (krampachtige samentrekking) van een kransslagader, waardoor de bloedtoevoer wordt afgeklemd. Dergelijke spasmen kunnen door geneesmiddelen worden veroorzaakt. Soms is de oorzaak onbekend.

Complicaties

In hoeverre het hart na een infarct nog tot pompen in staat is, hangt rechtstreeks samen met de omvang en de plaats van het beschadigde of afgestorven weefsel. Afgestorven weefsel wordt op den duur vervangen door littekenweefsel, dat zich niet kan samentrekken. Aangezien elke kransslagader een specifiek deel van de hartspier van bloed voorziet, wordt de plaats van de beschadiging bepaald door de kransslagader die afgesloten raakt. Als meer dan de helft van het hartweefsel beschadigd of afgestorven is, kan het hart nauwelijks meer functioneren. Dit leidt meestal tot ernstige invaliditeit of overlijden. Zelfs bij minder zware beschadigingen zal de pompfunctie van het hart worden aangetast, wat kan leiden tot hartfalen of shock. Het beschadigde hart kan groter worden, onder andere ter compensatie van de verminderde pompwerking (een groter hart klopt krachtiger). Een vergroot hart betekent een groter risico van ritmestoornissen.

In de eerste dagen na een hartinfarct, maar ook wel 10 dagen tot 2 maanden later, kan er pericarditis ontstaan (ontsteking van het hartzakje). De eerste symptomen van een opkomende pericarditis worden zelden opgemerkt, doordat de symptomen van het hartinfarct zelf zo overheersend zijn. Pericarditis veroorzaakt echter ‘pericardwrijven', een schurend ritmisch geluid, dat soms twee tot drie dagen na een hartinfarct door een stethoscoop hoorbaar is. Een pericarditis die zich later ontwikkelt, wordt meestal ‘syndroom van Dressler' (of ‘postmyocardinfarctsyndroom') genoemd. Dit syndroom wordt gekenmerkt door koorts, vochtophoping in de pericardiale ruimte (de ruimte tussen de twee lagen van het hartzakje), vochtophoping tussen de longvliezen en gewrichtspijn.

Andere mogelijke complicaties na een hartinfarct zijn scheuren in de hartspier (myocardruptuur), een uitstulping van de hartkamerwand (ventriculair aneurysma), bloedstolsels (emboli) en lage bloeddruk (hypotensie). Na een hartinfarct zijn patiënten vaak zenuwachtig en depressief. Een depressie na een hartinfarct kan ernstig zijn en lang aanhouden.

illustrative-material.sidebar 2

Complicaties van een hartinfarct

Na een hartinfarct kunnen diverse complicaties optreden: scheuring van de hartspier (myocardruptuur), vorming van littekenweefsel, uitpuilen van een deel van de kamerwand (ventriculair aneurysma), stolselvorming, hartfalen, lage bloeddruk (hypotensie), hartritmestoornissen (in het bijzonder ontstaand in de kamers: ventriculaire aritmëeen) , shock en ontsteking van het hartzakje (pericarditis).

Scheuren in de hartspier (myocardruptuur)

In zeldzame gevallen kan de hartspier scheuren als gevolg van de druk in het hart, doordat de beschadigde hartspier verzwakt is. Een dergelijke scheuring treedt één tot tien dagen na het hartinfarct op en komt bij vrouwen vaker voor dan bij mannen. Sommige delen van het hart zijn extra gevoelig voor scheuren tijdens of na een hartinfarct. Dit zijn de wand tussen de twee kamers (het septum), de buitenwand van het hart en de spieren die de mitralisklep openen en sluiten. Wanneer het septum scheurt, gaat er te veel bloed naar de longen, waardoor zich daarin vocht ophoopt (longoedeem). Bij scheuring van de buitenwand dringen er grote hoeveelheden bloed binnen in de ruimte tussen de twee lagen van het pericard. Deze toestand wordt ‘hemopericard' genoemd. Dit leidt gewoonlijk tot harttamponnade. Scheuren in het septum kunnen soms operatief worden hersteld, maar een scheur in de buitenwand leidt vrijwel altijd direct tot de dood. Als de spieren van de mitralisklep scheuren, kan de klep niet meer functioneren, wat leidt tot acuut en ernstig hartfalen.

Littekenweefsel

Het komt vaker voor dat door een infarct beschadigd spierweefsel niet goed samentrekt, ook al is het niet gescheurd. Het afgestorven spierweefsel wordt vervangen door stug, vezelig littekenweefsel, dat zich niet kan samentrekken. Soms zet een deel van de hartwand juist uit wanneer het zou moeten samentrekken. De omvang van deze abnormale gebieden kan worden beperkt met behulp van bètablokkers en vooral ACE-remmers, die ervoor zorgen dat het hart minder hard hoeft te werken en minder wordt belast. Deze middelen helpen de normale vorm en werking van het hart te handhaven.

Ventriculair aneurysma

Het beschadigde spierweefsel kan een dunne uitstulping op de wand van de kamer vormen (een aneurysma). De aanwezigheid van een aneurysma kan worden afgeleid uit afwijkingen in het elektrocardiogram (ECG), maar er is echocardiografie nodig om de diagnose te bevestigen. Dergelijke aneurysma's kunnen leiden tot hartritmestoornissen en kunnen de pompwerking van het hart verminderen. Omdat een aneurysma de doorstroming van het bloed vertraagt, kunnen er in de hartholten stolsels ontstaan. Als hartfalen of een ritmestoornis optreedt, kan het aneurysma operatief worden verwijderd.

Bloedstolsels

Bij ongeveer 40 tot 50% van de patiënten die een hartinfarct hebben gehad, ontstaan er stolsels in de slagaders die het hart van bloed voorzien, ter plaatse van het afgestorven hartspierweefsel. Bij ongeveer 5% van deze patiënten laten stukjes stolsel los, die met het bloed worden meegevoerd, waarna ze in de kleinere slagaders elders in het lichaam vastlopen. Ze kunnen bijvoorbeeld de bloedtoevoer afsluiten naar een deel van de hersenen (met als gevolg een cerebrovasculair accident) of naar andere organen. Met echocardiografie kan stolselvorming in het hart worden opgespoord en kan worden bepaald of iemand een verhoogd risico van stolselvorming heeft, bijvoorbeeld doordat een deel van de linker kamer zich niet normaal samentrekt. Vaak worden antistollingsmiddelen als heparine en cumarinederivaten voorgeschreven om stolselvorming te voorkomen. Heparine wordt gedurende ten minste twee dagen intraveneus toegediend in het ziekenhuis. Na een groot hartinfarct of als het hart niet goed klopt, moet de patiënt daarna acenocoumarol innemen. Dit middel wordt gewoonlijk gedurende drie tot zes maanden na een hartinfarct gebruikt. Acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine) als antistollingsmiddel moet zo mogelijk voor onbepaalde tijd worden ingenomen.

Hartfalen

Bij een hartinfarct sterft een deel van de hartspier af. Er blijft daardoor minder spiermassa over om het bloed rond te pompen. Wanneer een zekere hoeveelheid hartspierweefsel is afgestorven, kan de pompwerking van het hart zodanig zijn aangetast dat het hart niet meer kan voldoen aan de behoefte van het lichaam aan bloed. Er ontstaat hartfalen.

Symptomen

Ongeveer twee van de drie mensen die een hartinfarct krijgen, hadden in de voorafgaande dagen of weken van tijd tot tijd last van angina pectoris (pijn op de borst (Coronaire hartziekte: Angina pectoris)), kortademigheid of vermoeidheid. Soms nemen de pijnaanvallen geleidelijk in frequentie toe en treden ze al na steeds minder lichamelijke inspanning op. Een dergelijke verandering in het patroon van de pijn (instabiele angina pectoris (Coronaire hartziekte: Angina pectoris)) kan op een hartinfarct uitlopen.

Het duidelijkste symptoom van een hartinfarct is gewoonlijk pijn die in het midden van de borstkas begint

en kan uitstralen naar de rug, de kaak of de linker arm. Minder vaak straalt de pijn uit naar de rechter arm. De pijn kan op slechts één plaats optreden of op meerdere en zit soms helemaal niet in de borstkas. De pijn bij een hartinfarct lijkt op angina pectoris, maar is heviger en houdt langer aan. Rust of nitroglycerine Handelsnaam
Nitrolingual
verlicht de pijn niet. Soms voelt de patiënt pijn in de buik die wel eens wordt verward met buikkrampen, vooral omdat door te ‘boeren' het onaangename gevoel gedeeltelijk of tijdelijk afneemt.

Ongeveer een derde van de mensen die een hartinfarct krijgen, voelt geen pijn op de borst. Dit komt vaker voor bij vrouwen, niet-blanken, mensen ouder dan 75 jaar, mensen met hartfalen of diabetes mellitus en mensen die een cerebrovasculair accident (CVA, ‘beroerte') hebben gehad.

Andere symptomen zijn een duizelig gevoel, plotseling hevig transpireren, misselijkheid, kortademigheid en een zwaar bonzend hart.

Bij meer dan 90% van de patiënten die een hartinfarct hebben gehad, treden hartritmestoornissen (aritmieën) op. Meteen na het hartinfarct en nog enkele dagen daarna kunnen dergelijke hartritmestoornissen ertoe leiden dat de pompwerking van het hart onvoldoende is. Bij ritmestoornissen die hun oorsprong vinden in de hartkamers (ventriculaire aritmie) kan het pompvermogen van het hart ernstig worden aangetast of kan het hart zelfs helemaal stoppen met effectief pompen (hartstilstand). De patiënt kan dan bewusteloos raken of overlijden. Soms is bewustzijnsverlies het eerste symptoom van een hartinfarct. Tijdens een hartinfarct kan de patiënt transpireren, onrustig en angstig worden en een gevoel van naderend onheil ervaren. De lippen, handen en voeten kunnen blauwachtig verkleuren. Bij oudere patiënten kunnen minder gebruikelijke symptomen optreden. Bij velen van hen is het duidelijkste symptoom kortademigheid. Verder kunnen de symptomen lijken op die van een maag-darmstoornis of een cerebrovasculair accident. Oudere patiënten kunnen verward raken. Toch heeft ongeveer twee derde van de oudere patiënten, net als de jongere, last van pijn op de borst. Bij oudere patiënten, vooral vrouwen, duurt het vaak langer voor ze toegeven dat ze ernstig ziek zijn en medische hulp inroepen.

Hoewel er dus allerlei symptomen mogelijk zijn, heeft zeker 20% van de mensen met een hartinfarct weinig tot geen symptomen. Een dergelijk ‘stil' hartinfarct wordt vaak pas opgemerkt wanneer er later tijdens een routineonderzoek een elektrocardiogram (ECG) wordt gemaakt.

In de eerste uren van een acuut hartinfarct zijn met een stethoscoop soms een hartgeruis of andere abnormale hartgeluiden te horen.

Diagnose

Wanneer een man ouder dan 35 jaar of een vrouw ouder dan 50 jaar pijn op de borst meldt, zal de arts de mogelijkheid van een hartinfarct overwegen. Maar een dergelijke pijn kan ook door een aantal andere aandoeningen worden veroorzaakt: longontsteking, een bloedstolsel in de longen (longembolie), pericarditis, een gebroken rib, slokdarmkrampen, maag-darmklachten of pijnlijke borstspieren na een verwonding of verrekking.

Met een elektrocardiogram (ECG (Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Elektrocardiografie)) en bepaalde bloedonderzoeken kan de diagnose ‘hartinfarct' gewoonlijk binnen minuten tot uren worden bevestigd.

Het ECG is in eerste instantie het belangrijkste diagnostische hulpmiddel bij het vermoeden van een hartinfarct. Hierbij wordt een grafische weergave (het ECG) gemaakt van de elektrische prikkels die ervoor zorgen dat het hart zich samentrekt. Vaak is daarop onmiddellijk te zien dat er een hartinfarct is. Met het ECG kunnen diverse afwijkingen worden aangetoond, voornamelijk afhankelijk van de omvang en de plaats van de hartspierbeschadiging. Als de patiënt al eerder hartproblemen heeft gehad, waardoor het ECG al afwijkend was, kan het soms moeilijk zijn de nieuwe beschadiging te ontdekken. Deze mensen doen er goed aan een kopie van hun oude ECG bij zich te dragen, zodat de arts bij symptomen van een hartinfarct het oude ECG kan vergelijken met het nieuwe. Als de ECG's in de loop van enkele uren steeds een normaal beeld laten zien, is de diagnose ‘hartinfarct' onwaarschijnlijk.

Ook het bepalen van de bloedspiegels van bepaalde stoffen (zogenoemde ‘serummarkers') kan bijdragen tot het stellen van de diagnose ‘hartinfarct'. De aanwezigheid van deze stoffen in het bloed duidt erop dat er hartweefsel is beschadigd of afgestorven. Deze stoffen zitten normaal gesproken in het hartweefsel, maar komen vrij in de bloedbaan wanneer dit weefsel beschadigd raakt. Meestal wordt een bepaling gedaan van het enzym CK-MB. De bloedspiegel hiervan wordt hoger binnen zes uur na een hartinfarct en blijft nog 36 tot 48 uur verhoogd. Bij ziekenhuisopname wordt daarom meestal de CK-MB-concentratie bepaald en dit wordt vervolgens 24 uur lang elke zes tot acht uur herhaald. Er zijn echter aanwijzingen dat twee eiwitten, troponine T en troponine I, meer specifieke markers zijn voor hartbeschadiging. Deze eiwitten zijn betrokken bij het samentrekken van spierweefsel en komen vrij in de bloedbaan wanneer de cellen beschadigd raken.

Wanneer het ECG en de serummarkers onvoldoende informatie geven, kan echocardiografie of scintigrafie worden uitgevoerd. Op een echocardiogram kan te zien zijn dat een deel van de wand van de linker kamer (de hartholte die het bloed naar het lichaam moet pompen) niet goed meebeweegt. Dit duidt op beschadiging door een hartinfarct. Scintigrafie kan aantonen dat de bloedtoevoer naar een bepaald deel van de hartspier blijvend verminderd is, wat duidt op de aanwezigheid van littekenweefsel als gevolg van een hartinfarct.

De diagnose ‘syndroom van Dressler' (een pericarditis die zich ontwikkelt tussen 10 dagen en 2 maanden na een hartinfarct) wordt gesteld op basis van de symptomen en de periode waarin de aandoening optreedt.

Behandeling

Een hartinfarct is een acute medische situatie. De helft van de sterfgevallen als gevolg van een hartinfarct treedt op binnen 3 tot 4 uur na de eerste symptomen. Hoe eerder er wordt ingegrepen, des te groter de overlevingskans. Iemand met symptomen die kunnen duiden op een hartinfarct, moet zo snel mogelijk onder medische behandeling worden gesteld. Snelle overbrenging naar de afdeling spoedeisende hulp van een ziekenhuis in een ambulance met medisch geschoold personeel kan het leven van de patiënt redden. Pogingen om eerst de eigen arts, familie, vrienden of buren van de patiënt te waarschuwen betekenen alleen maar gevaarlijk tijdverlies.

Bij een vermoedelijk hartinfarct wordt de patiënt meestal gebracht naar een ziekenhuis dat beschikt over een afdeling hartbewaking. Daar worden hartritme, bloeddruk en zuurstofgehalte van het bloed zorgvuldig gecontroleerd om de mate van beschadiging van het hart te bepalen. De verpleegkundigen op een dergelijke afdeling zijn speciaal opgeleid om hartpatiënten te verzorgen en acute situaties bij dergelijke patiënten het hoofd te bieden.

Als er tijdens de eerste dagen geen complicaties optreden, kunnen de meeste patiënten het ziekenhuis een paar dagen later veilig verlaten. Als er zich complicaties voordoen, zoals hartritmestoornissen of als de pompfunctie van het hart is aangetast, kan een langere opname nodig zijn.

Eerste behandeling: iemand die denkt dat hij een hartinfarct heeft, dient eerst een ambulance te bellen en vervolgens een tablet acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine) in te nemen. Als er geen acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
beschikbaar is en dit ook niet door het ambulancepersoneel wordt gegeven, krijgt de patiënt dit meestal meteen na aankomst in het ziekenhuis toegediend. Dit verbetert de overlevingskansen, doordat het eventuele stolsel dat de kransslagader afsluit, kleiner wordt. Als een patiënt voor acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
allergisch is, kan hij clopidogrel Handelsnaam
Plavix
gebruiken. Omdat de weefselbeschadiging ook kan worden beperkt door de belasting van het hart te verminderen, wordt gewoonlijk een bètablokker toegediend zodat het hart langzamer gaat kloppen en minder hard hoeft te werken en de grootte van het beschadigde weefselgebied wordt beperkt.

Vaak wordt zuurstof toegediend via een masker of buisjes in de neusgaten. Daardoor stijgt de zuurstofdruk in het bloed, zodat ook de hartspier meer zuurstof ontvangt en de weefselbeschadiging beperkt blijft.

Als de afgesloten kransslagader snel kan worden geopend, kan er zo veel mogelijk hartspierweefsel worden gered. Vaak is het mogelijk bloedstolsels in een slagader op te lossen (trombolyse) met behulp van een zogenoemd ‘trombolyticum', zoals streptokinase Handelsnaam
Streptase
Kabikinase
, of een recombinante weefselplasminogeenactivator als alteplase Handelsnaam
Actilyse
of reteplase Handelsnaam
Rapilysin
. Deze middelen werken alleen goed als ze binnen zes uur na het begin van de symptomen intraveneus worden toegediend. Na zes uur is de beschadiging grotendeels permanent geworden en het opheffen van de verstopping helpt dan waarschijnlijk niet meer. Door snel ingrijpen kan bij 60-80% van de patiënten de bloedtoevoer worden verbeterd en de beschadiging van het hartspierweefsel tot een minimum worden beperkt. De effectiviteit van trombolyse kan nog worden verbeterd door het gebruik van acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine), dat voorkomt dat bloedplaatjes stolsels vormen, of heparine, een antistollingsmiddel.

Omdat trombolytica bloedingen kunnen veroorzaken, worden ze gewoonlijk niet toegepast bij patiënten met maag- of darmbloedingen of een zeer hoge bloeddruk noch bij patiënten die onlangs een herseninfarct hebben gehad of minder dan een maand voor het infarct zijn geopereerd. Oudere patiënten kunnen deze middelen veilig gebruiken, mits ze geen van de genoemde problemen hebben.

In alle grote hartcentra wordt in plaats van een trombolyticum toe te dienen onmiddellijk na het hartinfarct een angioplastiek of een coronaire bypassoperatie (Coronaire hartziekte: Coronaire bypassoperatie) uitgevoerd om de slagaders weer doorgankelijk te maken. Om die behandeling uit te kunnen voeren, wordt de patiënt in veel gevallen onmiddellijk na het stellen van de diagnose overgeplaatst van een gewoon ziekenhuis naar een groot hartcentrum. Bij sommige patiënten wordt een angioplastiek gecombineerd met een trombocytenaggregatieremmer, zoals een glycoproteïne-IIb-IIIa-receptorantagonist (zoals abciximab Handelsnaam
Reopro
of tirofiban Handelsnaam
Aggrastat
).

illustrative-material.figure-short 1

Wat is angioplastiek (‘dotteren')?

Wat is angioplastiek (‘dotteren')?

Een katheter met een ballonnetje aan het uiteinde wordt in een grote slagader (gewoonlijk de bovenbeenslagader) ingebracht. Dit wordt via de slagaders en uiteindelijk de aorta opgevoerd naar de vernauwde of afgesloten kransslagader. Door het ballonnetje op te blazen, wordt het atheroom tegen de slagaderwand platgedrukt, zodat de doorgang van de slagader wijder wordt. Vaak wordt rond het ballonnetje aan het uiteinde van de katheter een ingeklapt hulsje van metaalgaas (een stent) aangebracht, dat met de katheter mee naar binnengaat. Wanneer de katheter het atheroom heeft bereikt, wordt het ballonnetje opgeblazen en de stent uitgeklapt. Vervolgens wordt de katheter met het ballonnetje verwijderd. De stent blijft zitten en helpt de slagader open te houden.

De meeste stents die tegenwoordig worden geïmplanteerd, dragen een coating van stoffen die voorkomen dat er stolling in optreedt en dat er een nieuwe vernauwing in de stent ontstaat. Hoewel op dit gebied nog veel onderzoek gaande is, wijzen diverse wetenschappelijke gegevens op betere resultaten van stents met coating dan zonder coating. De coating is echter wel een kostbare voorziening.

Omdat de meeste patiënten die een hartinfarct hebben gehad, ernstig ongemak ondervinden en angstig zijn, wordt vaak morfine Handelsnaam
MS Contin
Kapanol
Noceptin
Sevredol
toegediend. Dit middel heeft een kalmerende werking en vermindert de belasting van het hart. De meeste patiënten krijgen nitroglycerine Handelsnaam
Nitrolingual
toegediend. Dit geneesmiddel vermindert de pijn door de belasting van het hart te verlagen en wellicht ook door de slagaders te verwijden. Dit middel wordt gewoonlijk eerst onder de tong en daarna intraveneus toegediend.

ACE-remmers (angiotensine-converterend-enzymremmers (zie Hoge bloeddruk: Behandeling)) kunnen ervoor zorgen dat het hart minder sterk vergroot raakt en verbeteren de overlevingskansen bij vele patiënten. Daarom krijgen de patiënten deze middelen gewoonlijk in de eerste dagen na het hartinfarct toegediend, waarna ze voor onbepaalde tijd worden voorgeschreven.

Vervolgbehandeling: omdat lichamelijke inspanning, sterke emoties en opwinding het hart belasten waardoor het harder moet werken, moet iemand die net een hartinfarct heeft doorgemaakt een paar dagen bedrust houden in een rustige omgeving. Gewoonlijk worden alleen naaste familie en goede vrienden toegelaten. Televisie kijken hoeft geen probleem te zijn, mits de programma's niet te veel onrust veroorzaken.

Roken is een belangrijke risicofactor voor coronaire hartziekte en hartinfarcten en is daarom dan ook verboden in ziekenhuizen en hartcentra. Een hartinfarct is zelfs een dwingende reden om met roken te stoppen.

Met geneesmiddelen die de ontlasting zachter maken en lichte laxeermiddelen kan obstipatie worden voorkomen, zodat de patiënt zich bij de ontlasting niet hoeft in te spannen. Als de patiënt niet kan urineren of als de urineproductie precies moet worden bijgehouden, wordt een blaaskatheter gebruikt.

Wanneer patiënten erg nerveus zijn (wat een belasting voor het hart kan betekenen), kan een licht kalmerend middel worden voorgeschreven (bijvoorbeeld een benzodiazepine als lorazepam Handelsnaam
Temesta
). Wanneer de patiënt enigszins depressief is of de ziekte niet kan accepteren, zoals vaak gebeurt na een hartinfarct, worden de patiënt en zijn familieleden en vrienden gestimuleerd om met artsen, verpleegkundigen en maatschappelijk werkers hun gevoelens te bespreken. Sommige patiënten hebben een antidepressivum nodig.

De meeste patiënten die een hartinfarct hebben gehad, worden na ongeveer 5 tot 7 dagen uit het ziekenhuis ontslagen. Gewoonlijk krijgen zij nitroglycerine Handelsnaam
Nitrolingual
, acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine), een bètablokker, een ACE-remmer (angiotensine-converterend-enzymremmer) en een lipidenverlagend middel (gewoonlijk een statine (zie Vetstofwisselingsstoornissen:HyperlipoproteïnemieTabellen)) voorgeschreven. Na ontslag uit het ziekenhuis moet de patiënt op korte termijn zijn huisarts bezoeken. Die kan hem indien nodig verwijzen naar een cardioloog of een hartrevalidatieprogramma.

Patiënten bij wie het syndroom van Dressler optreedt, krijgen daarvoor gewoonlijk acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine). Dit syndroom kan ondanks de behandeling later terugkomen. Wanneer een patiënt in ernstige mate last ervan heeft, kan het nodig zijn gedurende korte tijd een corticosteroïd of een NSAID (niet-steroïd anti-inflammatoir middel) (geen acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
, wel bijvoorbeeld ibuprofen Handelsnaam
Advil
Actifen
Brufen
Femapirin
Relian
) te gebruiken.

Prognose en preventie

De meeste mensen die de eerste dagen na het infarct overleven, herstellen volledig, maar ongeveer 10% sterft binnen een jaar. De meeste sterfgevallen doen zich binnen 3 tot 4 maanden na het infarct voor, vooral bij patiënten bij wie angina pectoris, hartfalen en ritmestoornissen die hun oorsprong in de kamers vinden, blijven bestaan. Al deze aandoeningen kunnen het gevolg zijn van een hartinfarct. Als het hart na een hartinfarct vergroot is, zijn de vooruitzichten minder gunstig dan wanneer het hart zijn normale grootte behoudt. Ouderen hebben na een hartinfarct een groter overlijdensrisico en krijgen vaker complicaties, zoals hartfalen. Ook is de prognose voor patiënten met een geringere lichaamslengte slechter dan voor langere patiënten. Dit verklaart misschien gedeeltelijk waarom de vooruitzichten voor vrouwen na een hartinfarct gemiddeld slechter zijn dan voor mannen. Daarnaast zijn vrouwen vaak ouder wanneer ze een hartinfarct krijgen en hebben ze dan vaak ernstigere aandoeningen. Bovendien wachten ze bij een hartinfarct vaak langer met naar het ziekenhuis gaan dan mannen.

Om na te gaan of de patiënt nog verdere behandeling nodig heeft en of zich nog meer hartproblemen zouden kunnen voordoen, kunnen aanvullende onderzoeken worden uitgevoerd. Zo kan de patiënt worden gevraagd een zogenoemde ‘Holter-monitor' te dragen, die 24 uur lang de elektrische activiteit van het hart registreert (zie Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Ambulante elektrocardiografie). Hiermee kan de arts zien of er ritmestoornissen optreden of aanvallen van stille ischemie (onvoldoende bloedtoevoer naar de hartspier, zonder symptomen). Met een inspanningsproef (waarbij een elektrocardiogram tijdens inspanning wordt gemaakt) (zie Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Inspanningsonderzoek) kan vóór of kort na het ontslag uit het ziekenhuis worden bepaald hoe het met de patiënt gaat na het hartinfarct en of er nog steeds sprake is van ischemie. Als bij deze onderzoeken ritmestoornissen of ischemie worden geconstateerd, kunnen bepaalde geneesmiddelen worden aanbevolen. Als de ischemie niet verdwijnt, kan coronairangiografie worden toegepast om na te gaan of de bloedtoevoer naar de hartspier door middel van een angioplastiek of een bypassoperatie kan worden hersteld.

Na een hartinfarct wordt aanbevolen om eenmaal daags acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine) in een lage dosering in te nemen. Acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
voorkomt dat de bloedplaatjes stolsels vormen, waardoor de kans op overlijden of een tweede hartinfarct met 15 tot 30% afneemt. Als een patiënt voor acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
allergisch is, kan hij clopidogrel Handelsnaam
Plavix
gebruiken. Daarnaast schrijft de arts gewoonlijk een bètablokker (zoals metoprolol Handelsnaam
Lopresor
Selokeen
) voor. Dit verlaagt het overlijdensrisico met ongeveer 25%. Hoe ernstiger het hartinfarct, des te meer baat heeft de patiënt bij bètablokkers. Er zijn echter ook patiënten die de bijwerkingen van bètablokkers (zoals benauwdheid, vermoeidheid en koude ledematen) niet kunnen verdragen. Ook hebben niet alle patiënten er baat bij.

Het gebruik van lipidenverlagende middelen kan het overlijdensrisico na een hartinfarct doen verminderen.

Na een hartinfarct worden vaak ACE-remmers (angiotensine-converterend-enzymremmers) voorgeschreven, zoals captopril Handelsnaam
Capoten
, enalapril Handelsnaam
Renitec
, lisinopril Handelsnaam
Zestril
Novatec
en ramipril Handelsnaam
Tritace
. Deze verminderen het risico van overlijden of toenemend hartfalen, vooral bij patiënten die een zwaar hartinfarct hebben gehad of aan hartfalen lijden.

illustrative-material.figure-short 2

Coronaire bypassoperatie

Coronaire bypassoperatie

Bij een coronaire bypassoperatie wordt een slagader of een stukje ader aan een kransslagader bevestigd om bloed van de aorta om de vernauwde of afgesloten kransslagader heen te leiden. Hiervoor gebruikt men bij voorkeur een slagader, omdat slagaders later minder snel verstopt raken dan aders. Bij een bepaalde bypassoperatie wordt een van de twee arteriae thoracicae internae (slagaders in de borst) doorgesneden, waarna een uiteinde voorbij de afsluiting wordt aangesloten op de kransslagader. Het andere uiteinde wordt afgebonden. Als er geen slagader kan worden gebruikt of als er meer afsluitingen zijn, wordt een stukje ader gebruikt, meestal een deel van de vena saphena, die loopt van de lies tot aan de enkel. Het ene uiteinde van het stukje ader (transplantaat) wordt op de aorta aangesloten en het andere op de kransslagader, voorbij de afsluiting. Soms wordt naast de arteria thoracica ook nog een stukje ader gebruikt.

Revalidatie

Hartrevalidatie vormt een belangrijk onderdeel van het herstel. Hiermee wordt al in het ziekenhuis begonnen. Wanneer een patiënt langer dan 2 tot 3 dagen in bed blijft, gaat de lichamelijke conditie achteruit en ontstaan soms depressies en gevoelens van hulpeloosheid. Als er geen complicaties optreden, kan de patiënt gewoonlijk al op de eerste dag na een hartinfarct rechtop in een stoel zitten, passieve oefeningen doen, een postoel gebruiken en lezen. Op de tweede of derde dag wordt de patiënt gewoonlijk aangemoedigd zelf naar het toilet te lopen en enkele niet al te inspannende activiteiten te ondernemen, waarbij het aantal activiteiten elke dag wordt uitgebreid (Revalidatie: Introductie).

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Angina pectoris

Illustraties
Tabellen
Disclaimer