MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Introductie

Een fractuur is een breuk in een bot en gaat gewoonlijk gepaard met verwonding van het omliggende weefsel.

Fracturen variëren sterk in grootte en ernst en in de behandeling die ze vereisen. Ze kunnen uiteenlopen van een klein, gemakkelijk te missen scheurtje in een botje in de hand, tot een omvangrijke, levensbedreigende bekkenfractuur. Tegelijk met de inwendige fractuur kan ernstige verwonding optreden, zoals verwonding aan huid, zenuwen, bloedvaten, spieren en organen. Deze verwonding kan de behandeling van een fractuur ingewikkeld maken.

Een ongeval is de meest voorkomende oorzaak van een fractuur. Bij een klein ongeval, zoals vallen van een geringe hoogte, ontstaat meestal maar een kleine fractuur. Bij een zwaar ongeval, zoals een ongeluk met een snel motorvoertuig of een val van een gebouw, kunnen in verscheidene botten ernstige fracturen ontstaan.

Door bepaalde onderliggende aandoeningen kunnen delen van het skelet zwakker zijn geworden zodat het bot daar gemakkelijker breekt. Hierbij valt te denken aan bepaalde infecties, goedaardige bottumoren, kanker en osteoporose.

Symptomen en complicaties

Pijn is het duidelijkste symptoom. Fracturen doen pijn, vooral wanneer er kracht op wordt uitgeoefend, bijvoorbeeld wanneer iemand probeert een gebroken ledemaat te belasten. Aanraking van het gebied rondom het gebroken bot is ook gevoelig. Binnen een paar uur beginnen de weke delen rond de fractuur te zwellen. De functie van de ledemaat is vaak verstoord, mede doordat het bewegen van een arm, het staan op een been of het grijpen met de hand zeer pijnlijk is. Bij iemand die niet kan praten (zoals een zeer jong kind, iemand met een verwonding aan het hoofd of iemand die dement is), is soms het enige teken dat hij iets heeft gebroken de weigering om een ledemaat te bewegen. Mensen met een pathologische fractuur (een fractuur als gevolg van een bestaande aandoening) voelen vaak een steeds toenemende pijn, soms weken voordat die fractuur werkelijk optreedt.

Bij een gesloten fractuur (waarbij de huid niet is gescheurd) treedt soms een inwendige bloeding op. De bloeding kan afkomstig zijn van het bot zelf of van de omliggende weke delen. Deze bloeduitstorting komt uiteindelijk aan de oppervlakte en is eerst paarszwart en wordt dan langzaam groen en geel naarmate het bloed wordt afgebroken en weer in het lichaam wordt opgenomen. Het bloed kan ver van de fractuur vandaan raken en het kan enkele weken duren voordat het gehele proces is afgelopen. De bloedmassa kan tijdelijk pijn veroorzaken en stijfheid in de omliggende structuren. Zo kan bij een schouderfractuur een bloeduitstorting ontstaan in de gehele arm en kunnen de elleboog en de pols pijn doen. Bij sommige fracturen, vooral bij heupfracturen, kan zo veel bloed in het omliggende weefsel terechtkomen dat de bloeddruk daalt.

Meestal blijft men wat pijn voelen bij activiteit, zelfs als de fracturen zover zijn geheeld dat ze volledig kunnen worden belast. Zo kan een gebroken pols na twee maanden sterk genoeg zijn om weer enigszins te gebruiken, maar het proces van remodellering is dan nog niet afgerond. De pols kan daarom nog een jaar lang pijn doen wanneer iets stevig wordt vastgepakt. Bij vochtig, koud of winderig weer zal men ook meer pijn en stijfheid voelen.

De meeste fracturen genezen zonder veel problemen. Soms kunnen fracturen echter ernstige complicaties veroorzaken, zelfs bij een juiste behandeling.

Compartimentsyndroom: het compartimentsyndroom is een ernstige, ledemaatbedreigende aandoening die kan worden veroorzaakt door een overmatige zwelling van verwonde spieren als gevolg van een fractuur of van de beknelling van een ledemaat. De spieren zijn omgeven door een vezelig kapsel waardoor een gesloten ruimte (compartiment) ontstaat. Een verwonde spier zwelt. Wanneer de zwelling te strak in het compartiment komt te zitten en vooral wanneer er ook nog een gipsverband omheen zit, kan de druk in het spierweefsel toenemen. Door deze druktoename krijgt de spier minder zuurstof via het bloed. Wanneer de spier te lang verstoken blijft van voldoende zuurstof, raakt deze verder verwond. Hierdoor nemen de zwelling en de druk in het weefsel toe. Al na een paar uur kunnen de spier en de omliggende weke delen onherstelbare schade hebben opgelopen en afsterven.

Een arts zal denken aan het compartimentsyndroom wanneer iemand steeds meer pijn krijgt in een gespalkte ledemaat na een fractuur, pijn voelt wanneer de vingers van een gespalkte arm of de tenen van een gespalkt been voorzichtig heen en weer worden bewogen of een verdoofd gevoel in een ledemaat heeft. De diagnose ‘compartimentsyndroom' kan worden bevestigd met behulp van een apparaat dat de spanning in de spieren meet.

Longembolie: longembolie is de plotselinge blokkade van een longslagader door een prop. Deze blokkade wordt bijna altijd veroorzaakt door een trombus (bloedstolsel) die is meegekomen met de bloedstroom naar de longen, vooral vanuit de diepe aderen van de benen (zie Longembolie). Longembolie is de meest voorkomende fatale complicatie bij een ernstige heup- of bekkenfractuur. Mensen met een heupfractuur hebben een verhoogd risico van longembolie omdat de bloedstroom in de aderen wordt vertraagd door de combinatie van een verwonding aan het been, een uren- of dagenlange gedwongen immobilisatie en de zwelling rond de plaats van de fractuur, waardoor zich in de beenaders een trombus kan ontwikkelen. Van de sterfgevallen als gevolg van een heupfractuur is ongeveer eenderde te wijten aan longembolie. Longembolie komt veel minder vaak voor bij fracturen van het onderbeen en zeer zelden bij fracturen in het bovenlichaam.

Als een arts bij een patiënt symptomen als pijn op de borst, hoesten en kortademigheid constateert, zal hij vermoeden dat er sprake is van longembolie. Dit vermoeden kan worden gesteund door een thoraxfoto (röntgenfoto van de borst), een elektrocardiogram of door één of meer beeldvormende onderzoeken (ventilatie- of perfusiescan).

illustrative-material.table-short 1

SOORTEN FRACTUREN
soort omschrijving soort omschrijving

open

gesloten

avulsie

osteoporose

compressie

gewricht (intra-articulair)

pathologisch

huid en weke delen waarmee het bot is bedekt zijn gescheurd; wond kan gemakkelijk geïnfecteerd raken door vuil of bacteriën

huid is niet gescheurd

kleine botfragmenten raken los van de plaatsen waar de pezen of gewrichtsbanden aangehecht zijn aan het bot, meestal bij de handen, voeten, knieën of schouders

bepaalde delen van het skelet worden poreuzer door osteoporose (botontkalking), waardoor daar gemakkelijker fracturen optreden; komen voor bij ouderen, gewoonlijk in de heupen, de polsen, de wervelkolom, de schouders en het bekken

bot zakt in elkaar; dit komt voor bij ouderen, het meest in de wervelkolom

breukvlak loopt tot in een gewrichtsoppervlak; leidt tot verlies aan beweeglijkheid en geleidelijk ontstaan van artrose

bot wordt door een onderliggende aandoening (zoals een infectie, een goedaardige bottumor, kanker, osteoporose) verzwakt, waardoor een gering letsel al tot een fractuur leidt

stress (vermoeidheid)

occult (verborgen)

twijgbreuk

groeischijf

eenvoudig

verschoven

niet verschoven

spiraal

comminutief

bot wordt gedurende enige tijd herhaaldelijk samengedrukt bij bepaalde activiteiten, zoals lopen met zware bepakking of hardlopen

fracturen die moeilijk of niet op een eerste röntgenfoto te zien zijn; kunnen pas dagen of weken na het letsel zichtbaar worden als donkere of witte lijnen

gedeeltelijke barst en bocht in het bot, dat is geknakt maar niet geheel gebroken; komt alleen voor bij kinderen

fractuur door het deel van het bot waar de botten langer worden (groeischijf); hierdoor kan de groei in dat botgedeelte stoppen of het bot kan scheefgroeien; komt alleen bij kinderen voor, want bij volwassenen is de groeischijf verdwenen

schone breuk waardoor het bot netjes in tweeën wordt gedeeld

gebroken delen van het bot zijn gescheiden van elkaar of staan in een hoek

normale vorm en verloop zijn behouden gebleven ondanks scheuren dwars door het bot

scherpe, driehoekige boteinden

bot is in meerdere betrekkelijk kleine stukken gebroken, vaak als gevolg van high energy-trauma of verzwakking door osteoporose

Diagnose

Röntgenfoto's zijn de belangrijkste hulpmiddelen bij het vaststellen van een fractuur. Ze laten niet alleen de fractuur zien, maar tonen ook hoe de botdelen ten opzichte van elkaar zijn verschoven. Kleine of niet verschoven fracturen zijn op gewone röntgenfoto's soms moeilijk te zien en daarom worden soms extra röntgenfoto's gemaakt vanuit een speciale hoek. Verborgen fracturen of stressfracturen worden soms pas na dagen of weken duidelijk zichtbaar op de röntgenfoto's. Pathologische fracturen worden gediagnosticeerd door röntgenfoto's waarop ook andere botafwijkingen zichtbaar worden, zoals ‘botaanvreting' veroorzaakt door een infectie, een goedaardige tumor of kanker.

Computertomografie (CT) en magnetische kernspinresonantie (MRI) kunnen afwijkingen tonen die op gewone röntgenfoto's niet zichtbaar zijn. Een CT-scan kan kleine details laten zien van een gebroken gewricht of gebieden van een fractuur die achter ander bot zijn verborgen. Met MRI worden de weke delen rond het bot zichtbaar gemaakt, waardoor verwondingen aan nabijgelegen pezen en gewrichtsbanden kunnen worden ontdekt en uitbreiding van kanker zichtbaar kan worden gemaakt. Met MRI kan ook een verwonding (zwelling of bloeduitstorting) in het bot zichtbaar worden gemaakt en zo verborgen fracturen aantonen voordat ze zichtbaar worden op een röntgenfoto.

Bij een botscan (zie Symptomen en diagnose van aandoeningen van het bewegingsapparaat: Botscan) wordt gebruikgemaakt van een radioactieve stof (technetium-99m) die wordt geabsorbeerd door genezend bot. Verborgen fracturen kunnen 3 tot 5 dagen na de verwonding op botscans worden ontdekt. Als het vermoeden bestaat van een pathologische fractuur kan met een botscan worden gezocht naar problemen in andere botten. Die hoeven op dat moment nog geen symptomen te hebben gegeven.

Behandeling

Fracturen moeten onmiddellijk worden behandeld omdat ze voor de patiënt veel pijn en functieverlies geven. Na de eerste spoedhulp moeten fracturen meestal verder worden behandeld, zoals door immobilisatie met een gipsverband of tractie of fixatie door middel van operatief ingrijpen.

Fracturen bij kinderen worden vaak anders behandeld dan bij volwassenen, omdat de botten van kinderen kleiner, flexibeler en minder broos zijn. Het belangrijkste is echter dat ze nog steeds groeien. Een behandeling met een gipsverband of met tractie krijgt vaak de voorkeur boven operatief ingrijpen, om schade aan de groeischijf te vermijden.

Eerste behandeling: bij het vermoeden van een fractuur moet de betrokkene de arts waarschuwen. Deze zal bepalen waar de behandeling het beste kan plaatsvinden. Dit is afhankelijk van de ernst van de verwonding. Mensen met een kleine pols- of schouderfractuur kunnen in de spreekkamer worden behandeld. Mensen met een heupfractuur hebben veel pijn en kunnen zich niet bewegen. Zij moeten per ambulance naar een ziekenhuis worden gebracht waar ze operatief kunnen worden behandeld.

Een open fractuur moet onmiddellijk operatief worden behandeld om de wond zorgvuldig schoon te maken en te sluiten. Het ernstigst en het moeilijkst te behandelen zijn fracturen waarbij een grote, open wond is ontstaan met veel verlies van huid en spierweefsel en waarbij de bloedtoevoer naar het bot ernstig is gestoord.

Bij de meeste gesloten fracturen kan een behandeling met een gipsverband of met operatief ingrijpen nog na één week worden toegepast zonder nadelige gevolgen voor het uiteindelijke resultaat. Het heeft echter meestal niet veel zin om te wachten, omdat de mensen tot hun behandeling last hebben van pijn en functieverlies. De verwonde ledemaat moet al vóór het bezoek aan de dokter worden geïmmobiliseerd en ondersteund met een tijdelijke spalk, een mitella of een kussen. De ledemaat moet boven het niveau van het hart worden gehouden om de zwelling te beperken en moet er een ijskompres worden gebruikt om de pijn en de zwelling tegen te gaan. Als pijnbestrijder moet alleen paracetamol worden voorgeschreven. Acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine) en andere niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID's) moeten niet worden gebruikt omdat ze de bloeding kunnen verergeren (zie Pijn: Niet-steroïde anti-inflammatoire preparaten (NSAID's)). De arts kan de patiënt aanraden om arm of been hoog te houden om de zwelling te beperken. Bij armfracturen worden kussens gebruikt om de arm hoog te leggen. Bij beenfracturen moet de patiënt af en toe gaan liggen met het been op een kussen. De arts vergelijkt de zwelling van de aangedane ledemaat met het normale voorkomen van de niet-aangedane ledemaat om te kunnen bepalen hoe lang of hoe vaak dit moet gebeuren. Als het genezingsproces verder is gevorderd, kan de patiënt overdag bij het zitten of staan steunkousen dragen om de zwelling tegen te gaan.

Immobilisatie: de meeste fracturen kunnen zonder operatie worden behandeld. Ze worden geïmmobiliseerd met een spalk, mitella of gipsverband totdat ze voldoende zijn geheeld. Verschoven breuken moeten, vóórdat ze worden geïmmobiliseerd, worden gezet door middel van een techniek die ‘reductie' wordt genoemd. Bij het zetten van kleine breuken, zoals die van de vingers of de pols, krijgt de patiënt soms een plaatselijke verdoving, zoals lidocaïne Handelsnaam
Xylocaïne
. Wanneer grote fracturen van de armen, schouders of onderbenen worden gezet, kan de patiënt soms een complete narcose of een ruggenprik nodig hebben. Deze procedure wordt ‘gesloten reductie' genoemd.

Een spalk is een lange, smalle lat van hout, metaal, gips of glasvezel die met elastisch doek of tape wordt vastgezet. De lat zit niet rond de gehele ledemaat zodat er enige ruimte blijft voor het zwellen van het weefsel. Daarom wordt een spalk vaak gebruikt bij een eerste behandeling van een fractuur. Bij vingerfracturen worden meestal aluminium spalken gebruikt die met schuimrubber zijn bedekt.

Bij veel schouder- en elleboogfracturen geeft een mitella al voldoende ondersteuning. Door het gewicht van de hangende arm blijven veel schouderfracturen goed op hun plaats zitten. Door een extra band achter de rug kan worden voorkomen dat de arm naar buiten zwaait, vooral 's nachts. Een mitella laat enig gebruik van de hand toe.

Een gipsverband wordt gemaakt door rollen gips of glasvezel strips rond de ledemaat te rollen. Deze worden hard wanneer ze vochtig worden gemaakt. Voor een eerste verband bij de behandeling van een verschoven fractuur wordt vaak gips gekozen. Het laat zich gemakkelijk in model brengen en veroorzaakt minder pijnlijke contactpunten tussen het lichaam en het verband. Het voordeel van glasvezel is echter dat het steviger, lichter en duurzamer is. In beide gevallen wordt het verband gevoerd met zacht, wollig materiaal om te voorkomen dat het op de huid drukt en schuurt. Als het gipsverband nat wordt, is het vaak onmogelijk om de binnenkant weer geheel droog te krijgen. Hierdoor kan de huid zacht worden en verweken (maceratie). Bij gedeeltelijk geheelde fracturen wordt soms een speciale, duurdere, waterdichte voering gebruikt die echter minder bescherming biedt.

Vooral tijdens de eerste 24 tot 48 uur moet de ledemaat met het gipsverband omhoog worden gehouden, zo mogelijk tot boven het niveau van het hart, om zwelling tegen te gaan. Door de vingers regelmatig te buigen en te strekken of door de tenen te bewegen kan het bloed uit de ledemaat wegstromen. Hierdoor wordt ook zwelling voorkomen. Als er een constante pijn, druk of een doof gevoel blijft of als dit erger wordt, moet dit direct aan de arts worden gemeld. Deze klachten kunnen worden veroorzaakt door een opkomende doorligplek of door het compartimentsyndroom.

Tractie: soms wordt tractie gebruikt om de botten goed aaneengesloten te houden terwijl de fractuur heelt. Een samenstel van lijnen, katrollen en gewichten wordt gebruikt om constant trekkracht op de ledemaat uit te oefenen. Bij volwassenen wordt tractie alleen gebruikt totdat het veilig genoeg is om de fractuur met een gipsverband of een operatie te behandelen. Bij kinderen kunnen bepaalde fracturen het beste met tractie worden behandeld, omdat de genezing bij kinderen minder tijd vergt dan bij volwassenen. Ook wordt de groeischijf niet beschadigd door tractie, wat wel het geval kan zijn met operatief ingrijpen.

Operatieve behandeling: soms moeten fracturen operatief worden behandeld. De arts moet bijvoorbeeld open fracturen onderzoeken en zorgvuldig schoonmaken om er zeker van te zijn dat de botstukken niet verontreinigd zijn met lichaamsvreemd materiaal. Wanneer er een stukje bot of een pees tussen de uiteinden van het bot terecht is gekomen, kan de arts een verschoven fractuur niet zetten en is operatief ingrijpen noodzakelijk. Een ‘comminutieve fractuur' (waarbij het bot is verbrijzeld) is vaak te instabiel waardoor een gipsverband de botdelen niet op hun plaats kan houden, omdat het niet bestand is tegen de krachten van de samentrekking van de spieren. Hierdoor kan het bot korter worden of in een hoek gaan staan. Bij fracturen in een gewricht moeten de oppervlakken van het gewricht precies tegenover elkaar worden gezet. Anders ontwikkelt de patiënt later artrose. Onvolledige pathologische fracturen moeten zoveel mogelijk operatief worden gestabiliseerd voordat ze helemaal breken. Hierdoor worden pijn en invaliditeit voorkomen en hoeft geen ingewikkelder operatie te worden verricht die anders bij een verschoven fractuur nodig zou zijn. Tenslotte, als fracturen van het dijbeen (waaronder ook de meeste heupfracturen) niet operatief worden behandeld, moet de patiënt maanden het bed houden voordat het bot weer sterk genoeg is om te belasten. Als de fractuur operatief wordt gestabiliseerd, kan de patiënt echter meestal binnen een paar dagen op krukken of met een looprek lopen.

Bij een operatieve stabilisatie wordt eerst de fractuur nauwkeurig gereduceerd om het bot zijn oorspronkelijke vorm en lengte terug te geven. Door narcose verslappen de spieren, waarna op basis van röntgenopnames de botten in de goede positie kunnen worden gezet. De chirurg legt de fractuur bloot om de stukken van het bot te kunnen zien en met speciale instrumenten vast te kunnen pakken. Daarna worden de botdelen stevig vastgezet met een combinatie van metalen draden, pennen, schroeven, staven en platen. Voorgevormde metalen platen worden met bouten aan de buitenkant van het bot vastgezet of metalen pennen worden in de mergholte van het bot geschoven. Deze implantaten worden gemaakt van een soort roestvrij staal, van een extra sterke metaallegering of van titanium. De implantaten die gedurende de afgelopen 15 jaar zijn gemaakt, geven geen problemen bij de sterke magneten die worden gebruikt bij magnetische kernspinresonantie (MRI). De meeste laten het alarm in de veiligheidspoortjes op vliegvelden niet afgaan.

Soms moet een gewricht worden vervangen (artroplastiek), wanneer de kop van het dijbeen (femur) of van het opperarmbeen (humerus) ernstig is beschadigd. Deze vormt het buitenste deel van respectievelijk het heupgewricht en het schoudergewricht.

Bottransplantatie kan worden gebruikt om het helen van een fractuur te versnellen, in het begin van het genezingsproces als de opening tussen de fragmenten te groot is of later als het genezingsproces is vertraagd of voortijdig is gestopt (pseudo-artrose).

De behandeling van complicaties: bij de behandeling van het compartimentsyndroom wordt eerst onmiddellijk alles verwijderd of losgemaakt waardoor de zwelling van de ledemaat mogelijk is belemmerd, zoals een spalk of een gipsverband. Wanneer de druk in het spiercompartiment toch te hoog blijft, moet een spoedoperatie worden uitgevoerd, ‘fasciotomie' genoemd. Hierbij wordt het weefsel geopend dat de zwelling tegen gaat. Anders kunnen de spieren en zenuwen afsterven door gebrek aan zuurstof, waardoor amputatie van de ledemaat noodzakelijk kan worden.

Longembolie kan worden voorkomen met geneesmiddelen als heparine, laagmoleculaire heparine en fondaparinux (een nieuw geneesmiddel vergelijkbaar met heparine). Deze middelen gaan de stolling van het bloed tegen. Ze worden gebruikt bij mensen met een fractuur die daardoor een verhoogd risico op trombose en dus op longembolie hebben. Als er een stolsel optreedt, is een spoedbehandeling vereist (zie Longembolie: Behandeling).

illustrative-material.sidebar 1

Hoe botten genezen

Wanneer weefsels, zoals van de huid, de spieren en de interne organen, beschadigd raken, helen ze vaak door de vorming van littekenweefsel in plaats van gezond weefsel. Door het littekenweefsel wordt het uiterlijk of de functie van het weefsel vaak enigszins aangetast. Bot is in tegenstelling daarmee uniek: het heelt zichzelf met zijn eigen weefsel en niet met littekenweefsel. Door dit ongewone vermogen tot regeneratie is een bot in staat zich na een fractuur te herstellen. Zelfs verbrijzelde botfragmenten kunnen vaak met behulp van een goede behandeling hun normale functie terugkrijgen.

Fracturen helen in drie zich overlappende fasen: ontsteking, herstel en remodellering. Het proces van genezing begint onmiddellijk met de ontstekingsfase. In deze fase worden beschadigde weke delen, botsplinters en bloed afkomstig van de verwonding opgeruimd door cellen die er op afkomen, deels van het immuunsysteem. Het gebied rond de fractuur zwelt en toont verhoogde celactiviteit en vergrote bloedtoevoer. De ontstekingsfase bereikt zijn piek binnen een paar dagen, maar is pas na weken voorbij. Tijdens deze fase ervaren mensen met een fractuur de meeste pijn.

De herstelfase begint binnen een paar dagen na de verwonding en duurt weken tot maanden. Tijdens deze fase vormt zich nieuw bot, ‘callus' genoemd. Op het moment dat het wordt aangemaakt, bevat de callus noggeen kalk, maar is zacht rubberachtig en is op een röntgenfoto niet zichtbaar. Deze nieuwe botaanleg is niet sterk of stabiel en in deze fase kan het gebroken bot gemakkelijk van zijn plaats raken. Na drie tot zes weken verkalkt de callus; deze wordt veel stijver en sterker en wordt nu zichtbaar op de röntgenfoto. De remodelleringsfase (tijdens welke het bot weer in de normale vorm komt) duurt vele maanden. De callus wordt langzaam geresorbeerd en vervangen door sterker bot en het teveel aan weefsel verdwijnt. In deze fase krijgt het bot zijn normale contouren en opbouw terug. Het is niet waarschijnlijk dat het bot tijdens deze fase weer zal breken, maar bij inspanning kan er wel een lichte pijn voelbaar zijn.

Revalidatie en prognose

Bij kinderen genezen fracturen veel sneller en mooier dan bij volwassenen. De meeste gebroken botten zien er bij hen na een aantal jaren op een röntgenfoto bijna normaal uit. Kinderen worden ook minder stijf bij een behandeling met een gipsverband en hebben grotere kans om de normale beweeglijkheid in een gewricht terug te krijgen.

Bij ouderen gaat de genezing vaak langzamer dan bij jongvolwassenen. Ouderen worden door een fractuur in aanzienlijke mate gehinderd in hun normale dagelijkse bezigheden. Ze verliezen een deel van hun kracht, soepelheid en balans en worden daardoor minder onafhankelijk bij het eten, aankleden, in bad gaan of zelfs bij het lopen (als iemand een looprek nodig heeft). Door zijn spieren niet te gebruiken wordt iemand stijf en zwak, wat weer tot verdere invaliditeit kan leiden. Ouderen moeten met hulp van verpleegkundigen en ‘mantelzorgers' (familie, vrienden, buren) weer in staat worden gesteld om hun normale dagelijkse bezigheden te verrichten.

Ouderen met een slechte bloedsomloop hebben een risico op doorligplekken (decubitus) wanneer een gebroken ledemaat op een gipsverband rust (zie Perifere vaatziekten: Diagnose). Op de plekken waar de huid met het gipsverband in contact komt (contactpunten), vooral de hielen, moet een beschermlaag worden aangebracht. Deze plekken moeten nauwkeurig worden onderzocht op enig teken van beschadiging van de huid. Verpleegkundigen en mantelzorgers moeten erop letten dat ouderen regelmatig verliggen om stijfheid tegen te gaan. Als iemand bijvoorbeeld te lang zit, kunnen de heup en de knie in een gebogen positie vast komen te zitten. Stijfheid kan worden voorkomen door een poosje te gaan staan of lopen. Iemand die bedlegerig is, kan afwisselend op de rug gaan liggen met de benen gestrekt en gaan zitten met de knieën gebogen.

Na een operatie lopen mensen met een beenfractuur meestal enige tijd op krukken of met een looprek. Soms is er aanvullend ook nog een gipsverband nodig. De genezing kan dagen, weken of maanden duren, afhankelijk van de aard van de fractuur. Mensen met een armfractuur zijn in het begin op vergelijkbare wijze beperkt in hun mogelijkheden.

Stijfheid en krachtverlies zijn de normale gevolgen van immobilisatie. Een gewricht van een gebroken ledemaat in een gipsverband wordt elke week stijver. Uiteindelijk kan het niet meer volledig worden gestrekt en gebogen. Er kan ook ernstig functieverlies van de spieren (atrofie) optreden. Nadat iemand bijvoorbeeld een paar weken een hoog gipsverband om zijn been heeft gehad, kan hij meestal zijn hand tussen het gipsverband en zijn dijbeen schuiven, terwijl het verband in het begin nog strak om het been zat. Wanneer het gipsverband wordt verwijderd, is duidelijk te zien dat de spieren door atrofie zijn verzwakt.

Door dagelijks een serie bewegingsoefeningen en spierversterkende oefeningen te doen (zie Lichaamsbeweging en conditie: De juiste trainingsvorm kiezen), kan de stijfheid worden tegengegaan en de kracht worden hersteld. Terwijl de fractuur geneest, kunnen de gewrichten buiten het gipsverband worden geoefend. De gewrichten binnen in het gipsverband kunnen niet worden geoefend totdat de fractuur voldoende is hersteld en het gipsverband kan worden verwijderd. Bij de oefeningen moet erop worden gelet hoe het getroffen lichaamsdeel aanvoelt. De oefeningen moeten ook niet met te veel kracht worden uitgevoerd. Wanneer de spieren te slap zijn om effectieve bewegingen te maken en door te sterke spiersamentrekking de fractuur zou kunnen verschuiven, moeten passieve oefeningen worden gedaan. Hierbij oefent een fysiotherapeut van buitenaf kracht uit (zie Revalidatie:Revalidatie bij specifieke aandoeningenIllustraties). Uiteindelijk moet iemand actief gaan oefenen en zijn eigen spierkracht gaan gebruiken. Hij moet daarbij tegen de zwaartekracht in of met gewichten de volledige kracht in een gebroken ledemaat proberen terug te krijgen.

illustrative-material.sidebar 2

Omgaan met een gipsverband

  • Bij het baden moet het gipsverband worden ingepakt in een plastic zak die bovenaan goed met elastiek of tape wordt dichtgemaakt. Er zijn waterdichte hoezen verkrijgbaar die gemakkelijker en veiliger zijn in het gebruik. Als het gipsverband nat wordt, kan de onderliggende vulling vocht vasthouden. Met een föhn kan wat van het vocht worden verwijderd. Anders moet het gipsverband worden verwijderd om te voorkomen dat de huid kapot gaat.
  • Steek nooit een scherp of puntig voorwerp onder het gipsverband (om te krabben, bijvoorbeeld).
  • Controleer de huid rond het gipsverband elke dag en smeer lotion op rode of pijnlijke delen.
  • Probeer te voorkomen dat de rand van het gipsverband in de huid drukt of snijdt; leg er daarom een klein kussentje onder. Er kunnen anders schaaf- of drukwonden ontstaan op de plek waar de huid met het gipsverband in contact komt. Als de rand van het gipsverband ruw aanvoelt, kan dit worden verholpen met plakband, gaasjes of doek.
  • Leg om zwelling te voorkomen de ledemaat met het gipsverband regelmatig hoog volgens instructies van de arts.
  • Neem onmiddellijk contact op met een arts als het gipsverband voortdurend pijn doet of zeer strak zit. Als er een doorligplek of een onverwachte zwelling ontstaat, moet het gipsverband mogelijk direct worden verwijderd.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Volgende: Armfracturen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer