MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Introductie

Epilepsie is aandoening waarbij periodieke verstoringen van de elektrische activiteit in de hersenen optreden, met als gevolg een tijdelijke hersenfunctiestoornis.

Voor een normale hersenfunctie is een regelmatige, georganiseerde en gecoördineerde ontlading van elektrische prikkels nodig. Elektrische prikkels stellen de hersenen in staat om zowel met het ruggenmerg, de zenuwen en de spieren als intern te communiceren. Bij abnormale elektrische ontladingen kan een epileptische aanval optreden.

Ongeveer 2% van alle volwassenen krijgt ooit in zijn leven een epileptische aanval. Tweederde van deze mensen krijgt daarna nooit meer een aanval. Het optreden van epileptische aanvallen begint meestal op de vroege kinderleeftijd of in de late volwassenheid. De benaming ‘epileptische aandoeningen' heeft de voorkeur boven ‘epilepsie', omdat er vaak wordt gedacht dat epilepsie gepaard gaat met een zekere hersenbeschadiging of een neiging tot gewelddadigheid.

Oorzaken

Epileptische aanvallen op jongere leeftijd (onder de 2 jaar) worden doorgaans veroorzaakt door hoge koorts (zie Epileptische aandoeningen: Infantiele spasmen en koortsstuipen) of door stofwisselingsstoornissen, zoals abnormale bloedspiegels van glucose, calcium, magnesium, vitamine B6 of natrium. Als de aanvallen zich vaker voordoen, is de oorzaak waarschijnlijk een erfelijke hersenafwijking (bijvoorbeeld nachtelijke frontaalkwabepilepsie), die autosomaal dominant overerft (zie Erfelijkheidsleer:IntroductieIllustraties). De oorzaak van veel epileptische aanvallen die voor het eerst optreden bij kinderen tussen de 2 en de 14 jaar, is vaak onbekend. Wanneer epileptische aanvallen na het 25e levensjaar voor het eerst optreden, is de oorzaak vaak structurele hersenbeschadiging, bijvoorbeeld als gevolg van hoofdletsel, een CVA (cerebrovasculair accident, ‘beroerte') of een tumor. Bij de helft van deze patiënten is de oorzaak echter niet bekend. Wanneer er geen oorzaak kan worden vastgesteld, spreekt men van ‘idiopathische epileptische aanvallen'.

Bij epilepsiepatiënten is het risico van een aanval groter wanneer ze onder grote lichamelijke of emotionele druk staan of een slaaptekort hebben. Sterke prikkels die de hersenen irriteren, zoals verwonding, bepaalde geneesmiddelen, slaapgebrek, infecties, koorts, een lage zuurstofconcentratie in het bloed of een zeer lage bloedglucosespiegel, kunnen ook bij mensen zonder een epileptische aandoening een aanval opwekken. Dit type aanvallen wordt wel ‘gelegenheidsaanvallen' genoemd. Vermijding van dergelijke prikkels kan epileptische aanvallen helpen voorkomen.

In zeldzame gevallen worden epileptische aanvallen opgewekt door repetitieve geluiden, discolichten, videospelletjes en zelfs door aanraking van bepaalde lichaamsdelen. Deze aandoening wordt ‘reflexepilepsie' genoemd.

illustrative-material.table-short 1

OORZAKEN VAN EPILEPTISCHE AANVALLEN

oorzaak

voorbeelden

oorzaak

voorbeelden

hoge koorts

hitteberoerte (‘zonnesteek')

infecties

abces

aids

structurele schade aan de hersenen

hersentumor (goed- of kwaadaardig)

hoofdletsel

intracraniële bloeding

cerebrovasculair accident (CVA, ‘beroerte')

herseninfecties

hersenvliesontsteking

hondsdolheid

malaria

syfilis

tetanus

toxoplasmose

virale hersenontsteking

vochtophoping in de hersenen (hersenoedeem)

eclampsie

hypertensieve encefalopathie

lupus erythematodes

stofwisselingsstoornissen

hoge bloedspiegels van glucose of natrium

nier- of leverinsufficiëntie

lage bloedspiegels van glucose, calcium, magnesium of natrium

fenylketonurie

traag werkende bijschildklier

blootstelling aan toxische stoffen

amfetaminen

kamfer

chloroquine Handelsnaam
Nivaquine

overdosis cocaïne

lood

picrotoxine

strychnine

onvoldoende zuurstoftoevoer naar de hersenen

hartritmestoornissen

koolmonoxidevergiftiging

bijna-verdrinking

bijna stikken

cerebrovasculair accident (CVA, ‘beroerte')

ontwenning na zwaar gebruik

alcohol

middelen gebruikt voor algehele narcose tijdens operaties

kalmerende middelen, waaronder slaapmiddelen

   

op recept verkrijgbare geneesmiddelen

ceftazidim Handelsnaam
Fortum

chloorpromazine Handelsnaam
Largactil

ciprofloxacine Handelsnaam
Ciloxan
Ciproxin

imipenem

indometacine Handelsnaam
Dometin
Indocid
Indocollyre
Indoptol

fenytoïne Handelsnaam
Diphantoine‑Z
Epanutin

theofylline Handelsnaam
Euphyllin
Theolair

Symptomen

Bij ongeveer 20% van de mensen met een epileptische aandoening worden de aanvallen voorafgegaan door ongewone geur- of smaakbelevingen, visuele belevingen of een intens gevoel dat er een aanval op handen is (aura). Een aura gaat meestal gepaard met een onaangename gewaarwording, zoals de geur van brandend afval of rottend vlees.

Bijna alle epileptische aanvallen duren relatief kort, van enkele seconden tot enkele minuten. De meeste aanvallen duren 2 tot 5 minuten. Na een aanval kan er sprake zijn van hoofdpijn of spierpijn, ongewone gewaarwordingen, verwardheid of ernstige vermoeidheid. Dit wordt de ‘postictale toestand' genoemd. Bij sommige patiënten raakt één zijde van het lichaam verzwakt en houdt de zwakte langer aan dan de aanval (een toestand die de ‘parese van Todd' wordt genoemd). De meeste mensen met een epileptische aandoening zien er tussen aanvallen in normaal uit, gedragen zich normaal en kunnen een normaal leven leiden.

De symptomen verschillen, afhankelijk van het hersengebied dat door de abnormale elektrische ontlading wordt getroffen (zie Biologie van het zenuwstelsel: Hersenen en zie Hersenfunctiestoornissen: Functiestoornissen per locatie). Als een abnormale elektrische ontlading bijvoorbeeld optreedt in het reukcentrum (diep in de slaapbeenkwab), kan de patiënt een uiterst aangename of onaangename geur waarnemen. Als de ontlading zich in een ander gebied van de slaapbeenkwab voordoet, kan de patiënt een déjà-vu-beleving hebben, waarbij een onbekende omgeving iemand om onverklaarbare redenen vertrouwd voorkomt. Als de voorhoofdskwab door een abnormale ontlading wordt getroffen, is de persoon mogelijk niet meer in staat om te spreken. Als de afwijkende ontlading grote delen van de hersenen treft, kan dit tot een convulsieve aanval leiden (met spiertrekkingen en -spasmen, meestal over het gehele lichaam). Andere symptomen zijn in dat geval onder meer gevoelloosheid of tintelingen in een bepaald deel van het lichaam, korte perioden van bewustzijnsverandering (zoals slaperigheid), bewustzijnsverlies, verwardheid en verlies van spier- of blaascontrole.

De symptomen zijn ook afhankelijk van het feit of het gaat om een partiële aanval (die slechts één hersenhelft betreft) of een gegeneraliseerde aanval (die grote delen van beide hersenhelften betreft). Een partiële aanval kan eenvoudig zijn, waarbij de persoon volledig bij bewustzijn is en zich bewust is van de omgeving, of complex, waarbij het bewustzijn wel wordt aangetast, maar niet geheel afwezig is. Partiële epileptische aanvallen kunnen worden onderscheiden in onder meer eenvoudige partiële aanvallen, Jackson-epilepsie, complexe partiële aanvallen en epilepsia partialis continua.

Gegeneraliseerde epileptische aanvallen leiden doorgaans direct tot bewustzijnsverlies en abnormale bewegingen. Het bewustzijnsverlies kan lang of kort duren. Gegeneraliseerde aanvallen zijn onder meer tonisch-klonische aanvallen (grand mal), primaire gegeneraliseerde epileptische aanvallen, absences (petit mal), atonische aanvallen, myoklonische aanvallen en status epilepticus.

Bij ongeveer 70% van de patiënten treedt slechts één type aanval op. De rest heeft twee of meer typen aanvallen. Zo hebben sommige kinderen met juveniele myoclonus epilepsie ook tonisch-klonische aanvallen en absences naast de aanvallen van myoclonusepilepsie, die meestal de armen betreffen.

Eenvoudige partiële epileptische aanvallen ontstaan door elektrische ontladingen in een klein gedeelte van de hersenen, waarbij de ontladingen tot dit gedeelte beperkt blijven. Aangezien slechts een klein gedeelte van de hersenen wordt aangedaan, hangen de symptomen samen met de functie gecontroleerd door dit gebied. Als het aangedane kleine gedeelte bijvoorbeeld de bewegingen van de rechter arm regelt (in de linker voorhoofdskwab), kan de rechter arm gaan schudden en kunnen spiertrekkingen optreden. Een eenvoudige partiële aanval kan zich tot een complexe partiële aanval ontwikkelen.

Jackson-epilepsie gaat gepaard met symptomen die in één gedeelte van het lichaam beginnen en zich vervolgens naar een ander deel uitbreiden. De ongewone bewegingen kunnen in de hand of voet beginnen en ‘kruipen' vervolgens langs de ledemaat omhoog naarmate de elektrische activiteit zich in de hersenen verspreidt. De betreffende persoon is zich volledig bewust van wat er tijdens de aanval gebeurt. Jackson-epilepsie gaat dus gepaard met eenvoudige, partiële aanvallen.

Complexe partiële (psychomotorische) aanvallen beginnen meestal met een 1 tot 2 minuten durend aura. Tijdens de aura begint de persoon het contact met de omgeving te verliezen. Tijdens of direct na de aura staren sommige patiënten voor zich uit, bewegen de armen en benen op een vreemde en zinloze manier, brengen betekenisloze geluiden voort, begrijpen niet wat anderen zeggen en verzetten zich tegen hulp. Anderen zijn wel in staat om te spreken, maar het gesprek verloopt niet spontaan en stelt inhoudelijk niet veel voor. Deze toestand kan enkele minuten aanhouden. Vervolgens kunnen patiënten volledig herstellen. Soms kan de abnormale elektrische ontlading zich echter ook naar aangrenzende gebieden of naar de andere kant van de hersenen uitbreiden. Hierdoor ontstaat een gegeneraliseerde epileptische aanval, waarbij spiertrekkingen, schuimvorming op de mond en bewustzijnsverlies optreden.

Epilepsia partialis continua is een zeldzaam type continue of frequent terugkerende partiële epilepsieaanval waarbij meestal een hand of het gezicht wordt aangedaan. De aanvallen treden dagen of jaren achtereen om de paar seconden of minuten op. Deze aanvallen zijn doorgaans het gevolg van gelokaliseerde beschadiging (bijvoorbeeld littekenweefsel door een CVA) bij volwassenen of van ontsteking van de hersenen (bijvoorbeeld encefalitis of mazelen) bij kinderen.

Tonisch-klonische aanvallen (grand-mal-aanvallen) beginnen meestal met een abnormale elektrische ontlading in een klein deel van de hersenen, waardoor een complexe partiële aanval ontstaat. De ontlading verspreidt zich echter snel naar aangrenzende hersendelen en veroorzaakt zo een stoornis in het gehele hersengebied. Primaire gegeneraliseerde epilepsie begint met abnormale ontladingen in een groot hersengebied. De abnormale ontladingen verspreiden zich snel over meerdere hersendelen. Bij tonisch-klonische aanvallen en primaire gegeneraliseerde epilepsie leiden de abnormale ontladingen tot een tijdelijk bewustzijnsverlies en een convulsie met ernstige spierspasmen en spiertrekkingen door het gehele lichaam. De patiënt kan het hoofd met kracht naar één kant wegdraaien, de tanden op elkaar klemmen, op de tong bijten en de controle over de blaas verliezen. De aanvallen duren doorgaans 1 tot 2 minuten. Na de aanval kan de patiënt hoofdpijn hebben, tijdelijk verward en extreem moe zijn. Meestal herinnert de patiënt zich niet wat er tijdens de aanval is voorgevallen.

Absences (petit-mal-aanvallen) zijn kleine aanvallen die op de kinderleeftijd beginnen, meestal tussen het 5e en het 15e levensjaar. Deze aanvallen gaan doorgaans niet gepaard met de convulsies en andere opvallende symptomen van tonisch-klonische aanvallen. Het kind valt niet neer, zakt niet in elkaar en vertoont geen spiertrekkingen. Wel heeft het kind aanvallen waarbij het met knipperende oogleden voor zich uit staart en soms spiertrekkingen in het gezicht heeft. Het kind is zich totaal niet bewust van zijn omgeving. Deze aanvallen duren 2 tot 3 seconden en in zeldzame gevallen 10 tot 30 seconden. Het kind stopt abrupt met de activiteit waarmee het bezig was en gaat ook even plotseling weer door, zonder dat er na-effecten optreden en zonder dat het kind merkt dat het een aanval heeft gehad.

Atonische aanvallen, die zich vooral bij kinderen voordoen, worden gekenmerkt door volledig verlies van spierspanning en bewustzijn. De aanvallen duren kort, maar leiden ertoe dat het kind op de grond in elkaar zakt, wat een verhoogd risico van verwonding met zich meebrengt.

Aanvallen bij myoclonusepilepsie worden gekenmerkt door snelle, trekkende bewegingen van één of meer ledematen of van het bovenlichaam. De aanvallen duren kort en leiden niet tot bewustzijnsverlies, maar kunnen herhaaldelijk optreden.

De status epilepticus is de ernstigste vorm van epilepsie, waarbij de aanvallen zonder onderbreking optreden en die met spoed dient te worden behandeld. Overal in de hersenen treden elektrische ontladingen op. De ontladingen zorgen voor een gegeneraliseerde epileptische aanval die langer dan een kwartier duurt, of voor steeds terugkerende aanvallen waarbij de patiënt tussentijds niet volledig bij bewustzijn komt. De patiënt heeft convulsies met hevige spiersamentrekkingen en kan niet goed ademhalen. Zonder snelle behandeling kunnen de hersenen en het hart overbelast en blijvend beschadigd raken en kan de patiënt overlijden.

Een epileptische aanval kan ernstige gevolgen hebben. Intense, snelle spierbewegingen kunnen verwondingen zoals botbreuken tot gevolg hebben. Een plotseling bewustzijnsverlies kan valpartijen of ongelukken en daardoor ernstig letsel veroorzaken. De heftige elektrische activiteit bij convulsieve aanvallen die zonder tussenpozen blijven terugkomen, kunnen hersenbeschadiging veroorzaken. Bij de meeste mensen met een epileptische aandoening doen zich tijdens hun leven tientallen aanvallen of meer voor zonder dat dit tot ernstige hersenbeschadiging leidt. Hoewel een enkele aanval de verstandelijke vermogens niet aantast, kan dit uiteindelijk wel het geval zijn bij terugkerende convulsieve aanvallen.

Diagnose

Iemand heeft een epileptische aandoening als hij ten minste twee spontane epileptische aanvallen op verschillende momenten heeft gehad. De diagnose wordt gebaseerd op de anamnese en de waarnemingen van ooggetuigen. Er wordt vermoed dat er sprake is van epileptische aanvallen als er symptomen optreden als bewustzijnsverlies, spierspasmen die het lichaam doen schudden, urine-incontinentie, plotselinge verwardheid en concentratieproblemen. Echte epileptische aanvallen komen echter veel minder vaak voor dan de meeste mensen denken. De meeste aanvallen van kortdurend bewustzijnsverlies kunnen waarschijnlijk worden toegeschreven aan een flauwte (syncope (zie Lage bloeddruk: Flauwvallen)).

Een ooggetuigenverslag van een epileptische aanval kan voor de arts van groot belang zijn. Een ooggetuige kan precies beschrijven wat er is gebeurd, terwijl de patiënt zelf hiertoe meestal niet in staat is. Er is een nauwkeurige beschrijving nodig van de omstandigheden waaronder de aanval optrad: hoe snel begon de aanval, deden zich abnormale spierbewegingen voor (bijvoorbeeld spasmen van de hoofd-, hals- of gezichtspieren), tongbeet, urine-incontinentie, hoe lang duurde de aanval en hoe snel herstelde de persoon. De arts moet ook weten wat de patiënt voor de aanval ervoer: had hij een voorgevoel of was er een waarschuwingssignaal dat er iets ongewoons ging gebeuren en of er iets was, bijvoorbeeld bepaalde geluiden of discolampen, wat de aanval leek op te wekken.

Om een epileptische aandoening beter te kunnen diagnosticeren, maakt de arts gebruik van elektro-encefalografie (EEG), een pijnloze, veilige methode waarmee elektrische activiteit in de hersenen wordt geregistreerd (zie Diagnose van aandoeningen van hersenen, ruggenmerg en zenuwen: Elektro-encefalografie). De arts onderzoekt het EEG (elektro-encefalogram) op aanwijzingen voor abnormale elektrische ontladingen. EEG's worden soms gepland nadat de patiënt opzettelijk 18 tot 24 uur wakker is gebleven, omdat er bij slaaptekort een groter risico is van abnormale ontladingen. Zelfs als er geen epileptische aanval plaatsvond tijdens het EEG, kunnen er afwijkingen zichtbaar zijn. Doordat een EEG een beperkte opnametijd heeft, kunnen afwijkingen over het hoofd worden gezien en kan het EEG er zelfs bij patiënten met een epileptische aandoening normaal uitzien.

Zodra een epileptische aandoening is gediagnosticeerd, is meestal aanvullend onderzoek noodzakelijk om de oorzaak vast te stellen. Er wordt een standaard bloedonderzoek uitgevoerd om de concentraties van glucose, calcium en natrium in het bloed te bepalen en om vast te stellen of de lever en nieren goed functioneren. Om het aantal rode en witte bloedcellen te bepalen wordt een volledig bloedbeeld uitgevoerd. Een hoog aantal witte bloedcellen kan op een infectie duiden. Een laag aantal rode bloedcellen (anemie) kan op onvoldoende zuurstoftoevoer naar de hersenen wijzen. Vaak wordt een elektrocardiogram (ECG (zie Symptomen en diagnose van hart- en vaatziekten: Elektrocardiografie)) gemaakt om een hartritmestoornis als mogelijke oorzaak van de symptomen uit te sluiten. Doordat een hartritmestoornis de bloedtoevoer (en dus de aanvoer van zuurstof) naar de hersenen kan verminderen, kan deze stoornis epileptische aanvallen opwekken en bewustzijnsverlies veroorzaken.

Meestal wordt computertomografie (CT) of magnetische kernspinresonantie (MRI) van het hoofd toegepast om te controleren op structurele hersenbeschadiging (bijvoorbeeld door een CVA). Soms is het nodig om een lumbaalpunctie (ruggenprik (zie Diagnose van aandoeningen van hersenen, ruggenmerg en zenuwen:Diagnostisch onderzoekIllustraties)) uit te voeren om vast te stellen of er sprake is van een infectie van de vliezen die de hersenen bedekken (meningitis) of van de hersenen zelf (encefalitis).

illustrative-material.figure-short 1

Hersenactiviteit tijdens een epileptische aanval

Hersenactiviteit tijdens een epileptische aanvalHersenactiviteit tijdens een epileptische aanval

Een elektro-encefalogram (EEG) is een grafische weergave van de elektrische activiteit in de hersenen. Het is een eenvoudige en pijnloze techniek: er worden ongeveer 20 kleine elektroden op de hoofdhuid geplakt, waarna de hersenactiviteit onder normale omstandigheden wordt geregistreerd. Vervolgens wordt de persoon aan diverse prikkels blootgesteld, bijvoorbeeld fel licht of lichtflitsen, om te proberen een aanval op te wekken. Tijdens een aanval neemt de elektrische activiteit in de hersenen toe, wat een grillig golfpatroon met scherpe pieken en dalen oplevert. Dergelijke registraties van hersengolven helpen een epileptische aandoening vast te stellen. Verschillende vormen van epileptische aanvallen veroorzaken specifieke golfpatronen.

Behandeling

Als de oorzaak kan worden vastgesteld en weggenomen, is verdere behandeling niet nodig. Als een epileptische aanval bijvoorbeeld het gevolg is van een lage glucosespiegel (hypoglykemie (zie Hypoglykemie: Introductie)), wordt glucose toegediend om de concentratie te verhogen en wordt de aandoening die de lage bloedglucosespiegel heeft veroorzaakt, behandeld. Andere behandelbare oorzaken zijn onder meer een tumor, een infectie en een afwijkende natriumspiegel.

Het kan nodig zijn om anti-epileptica (middelen tegen epilepsie) te geven om het risico van een volgende aanval te verkleinen. Anti-epileptica worden doorgaans niet voorgeschreven bij mensen die slechts één gegeneraliseerde aanval hebben doorgemaakt waarvoor geen oorzaak kan worden gevonden. Deze middelen zijn echter wel nodig bij mensen die meer aanvallen hebben gehad, tenzij de oorzaak is gevonden en volledig is weggenomen.

Anti-epileptica kunnen bij meer dan de helft van de epilepsiepatiënten convulsieve aanvallen volledig voorkomen en bij nog eens eenderde van de patiënten de frequentie van de aanvallen sterk verminderen. Bij absences zijn deze geneesmiddelen iets minder effectief. De helft van de patiënten die positief op anti-epileptica reageert, kan de behandeling uiteindelijk zonder risico van een terugval staken. Bij ongeveer 10 tot 20% van de epilepsiepatiënten kunnen aanvallen niet voldoende worden voorkomen door gebruik van anti-epileptica.

Geen enkel geneesmiddel kan alle typen epileptische aanvallen voorkomen. Bij de meeste patiënten kunnen de aanvallen met één enkel middel worden voorkomen. Als er opnieuw aanvallen optreden, wordt een ander anti-epilepticum uitgeprobeerd. Het kan een paar maanden duren voordat is vastgesteld welk anti-epilepticum effectief is. Sommige patiënten moeten verscheidene geneesmiddelen gebruiken.

Bij zwangere vrouwen met een epileptische aandoening verhoogt het gebruik van een anti-epilepticum het risico van een miskraam of van een baby met een aangeboren afwijking (zie Middelengebruik tijdens de zwangerschap:Geneesmiddelen die worden gebruikt tijdens de weeën en de bevallingTabellen). Het kan echter nog schadelijker zijn voor de zwangere vrouw en het kind om gebruik van het anti-epilepticum te staken.

Aangezien status epilepticus een medische noodsituatie is, worden zo snel mogelijk grote doses van één of meer anti-epileptica intraveneus toegediend. Tijdens de langdurige aanval worden maatregelen getroffen zodat de patiënt zichzelf of anderen niet kan verwonden.

Hoewel anti-epileptica zeer effectief zijn, kunnen ze ook bijwerkingen vertonen. Veel van deze middelen veroorzaken slaperigheid, maar bij kinderen soms juist hyperactiviteit. De arts zal regelmatig bloedonderzoek laten uitvoeren om te controleren of het anti-epilepticum een nadelig effect heeft op de lever, nieren of bloedcellen. Patiënten die anti-epileptica gebruiken, moeten zich van de mogelijke bijwerkingen bewust zijn en dienen bij de eerste tekenen ervan contact op te nemen met hun arts.

De juiste dosis van een anti-epilepticum is van essentieel belang: de optimale dosis van een anti-epilepticum is de kleinste dosis waarbij alle aanvallen wegblijven en waarbij de minste bijwerkingen optreden. De arts informeert bij de patiënt naar bijwerkingen en past vervolgens indien nodig de dosis aan. Soms bepaalt de arts ook de bloedspiegel van het anti-epilepticum. Anti-epileptica moeten precies volgens voorschrift worden ingenomen. Zonder toestemming van de behandelend arts of apotheker mogen geen andere geneesmiddelen gelijktijdig worden ingenomen, omdat ze de bloedspiegel van het anti-epilepticum kunnen beïnvloeden. Patiënten die anti-epileptica gebruiken, moeten regelmatig worden gecontroleerd om de dosis aan te passen. Het is ook raadzaam om een SOS-armband of -ketting te dragen waarop de epileptische aandoening en het gebruikte geneesmiddel staan vermeld.

Het wordt aangeraden lichaamsbeweging te nemen en sociale activiteiten worden aangemoedigd. Wel moeten epilepsiepatiënten mogelijk hun levensstijl enigszins aanpassen. Ze mogen bijvoorbeeld geen alcohol drinken. Ze kunnen niet meedoen aan activiteiten waarbij ze door plotseling bewustzijnsverlies ernstig gewond kunnen raken. Ze mogen niet alleen gaan zwemmen of gevaarlijke machines bedienen. In Nederland wordt aan iemand met een epileptische aandoening geen rijbewijs B of E afgegeven tenzij de patiënt, met of zonder medicatie, twee jaar aanvalsvrij is geweest, onder medische controle staat en geen psychische afwijkingen vertoont.

Een gezinslid of vriend moet worden aangeleerd wat hij moet doen als een aanval zich voordoet. Men kan beter niet proberen om een voorwerp (bijvoorbeeld een lepel) in de mond van de patiënt te stoppen om te voorkomen dat hij op zijn tong bijt, omdat dergelijke pogingen mogelijk meer kwaad dan goed doen. Het gebit kan beschadigd raken of de patiënt kan onbedoeld de helper bijten als de kaakspieren samentrekken. Het is belangrijk de patiënt te beschermen tegen een val, de kleding rond de hals los te maken en een kussen onder het hoofd te plaatsen. Bij bewustzijnsverlies moet de patiënt op de zij worden gerold om de ademhaling te vergemakkelijken. Iemand die een aanval heeft gehad, mag nooit alleen worden gelaten voordat hij weer volledig bij bewustzijn is en weer normaal rond kan lopen. Meestal is het beter om de arts te waarschuwen.

Als de aanvallen met geen enkel geneesmiddel goed onder controle kunnen worden gehouden of als bijwerkingen van het middel ondraaglijk zijn, is een hersenoperatie een mogelijke oplossing. Als een hersenaandoening (zoals een litteken) als oorzaak kan worden aangewezen en deze stoornis tot een klein gebied beperkt blijft, kunnen de aanvallen door operatieve verwijdering van dit gebied verdwijnen of in ernst en frequentie afnemen. Operatief doorsnijden van de zenuwvezels die de beide hersenhelften met elkaar verbinden (corpus callosum) is een optie bij patiënten bij wie de aanvallen in diverse hersengebieden ontstaan of bij wie de aanvallen zich snel over alle hersengebieden verspreiden. Deze ingreep heeft doorgaans geen merkbare bijwerkingen tot gevolg. Na de operatie moeten veel patiënten anti-epileptica blijven gebruiken.

Door elektrische stimulatie van de nervus vagus (de tiende hersenzenuw) kan het aantal partiële aanvallen met eenderde worden verminderd. De nervus vagus zou indirecte verbindingen hebben met hersengebieden die vaak een rol spelen bij het ontstaan van epileptische aanvallen. Een apparaatje dat op een pacemaker lijkt, wordt onder het linker sleutelbeen geïmplanteerd en met een draadje onder de huid verbonden met de nervus vagus in de hals. Door het apparaatje ontstaat een klein bultje onder de huid. De ingreep wordt poliklinisch verricht en duurt ongeveer 1 tot 2 uur. Wanneer iemand met een dergelijk apparaatje een aanval voelt opkomen, zet hij het aan met een magneet. Het apparaatje kan ook altijd aan blijven staan. Door stimulatie van de nervus vagus worden bij sommige patiënten aanvallen voorkomen of de ernst en frequentie ervan verminderd. Stimulatie van de nervus vagus wordt naast het gebruik van anti-epileptica toegepast. Tot de bijwerkingen behoren heesheid, hoesten en stemverlaging.

GENEESMIDDEL

GEBRUIK

MOGELIJKE BIJWERKINGEN

carbamazepine 

gegeneraliseerde en partiële aanvallen

lage aantallen witte (granulocytopenie) en rode (anemie) bloedcellen, maag-darmklachten, gezichtsstoornissen

clonazepam 

absences, myoklonische en atonische aanvallen en infantiele spasmen

sufheid, afwijkend gedrag, verlies van spiercoördinatie, en gewenning aan het middel na 1 tot 6 maanden

ethosuximide 

absences

misselijkheid, lethargie, duizeligheid, hoofdpijn, lage aantallen witte en rode bloedcellen

felbamaat 

complexe partiële aanvallen in combinatie met andere anti-epileptica, wanneer alle andere middelen niet blijken te werken

hoofdpijn, vermoeidheid, leverinsufficiëntie en in zeldzame gevallen aplastische anemie (een dodelijke aandoening)

fenobarbital 

partiële en gegeneraliseerde aanvallen en status epilepticus

sufheid, paradoxaal hyperactief gedrag bij kinderen, nystagmus (snelle beweging van de ogen in één richting gevolgd door een langzaam terugdraaien naar de oorspronkelijke positie), verwardheid en verlies van spiercoördinatie

fenytoïne 

partiële en gegeneraliseerde aanvallen en – bij intraveneuze toediening – status epilepticus

opgezet tandvlees, lage aantallen rode bloedcellen, lage botdichtheid, overmatige beharing (hirsutisme), opgezette klieren en, bij kinderen, vertraging in de cognitieve ontwikkeling

fosfenytoïne 

status epilepticus

verlies van spiercoördinatie, sufheid, duizeligheid, hoofdpijn, huiduitslag en tintelingen

gabapentine 

complexe partiële aanvallen in combinatie met andere anti‑epileptica

sufheid, duizeligheid, gewichtstoename en hoofdpijn

lamotrigine 

complexe partiële en gegeneraliseerde aanvallen in combinatie met andere anti-epileptica

huiduitslag, misselijkheid, braken, maag-darmstoornissen, sufheid, duizeligheid, loopneus en menstruatiestoornissen

levetiracetam 

complexe partiële aanvallen in combinatie met andere anti‑epileptica

sufheid, duizeligheid en vermoeidheid

lorazepam 

status epilepticus

sufheid en vertraging van ademhaling en hartslag

midazolam 

status epilepticus

sufheid en vertraging van ademhaling en hartslag

oxcarbazepine 

complexe partiële aanvallen, bij volwassenen als enige middel, en bij kinderen en volwassenen in combinatie met andere anti-epileptica

hoofdpijn, sufheid, duizeligheid, vermoeidheid, misselijkheid, lage natriumspiegel in het bloed en lage aantallen witte bloedcellen

primidon 

partiële en gegeneraliseerde aanvallen

sufheid, paradoxaal hyperactief gedrag bij kinderen, nystagmus en verlies van spiercoördinatie

tiagabine 

complexe partiële aanvallen in combinatie met andere anti‑epileptica

sufheid, duizeligheid, verwardheid, spierzwakte, misselijkheid, buikpijn, nervositeit, spiertremor en knikkende knieën

topiramaat 

complexe partiële aanvallen in combinatie met andere anti‑epileptica bij volwassenen

verwardheid, woordvindingsproblemen, depressie, verlies van eetlust en nierstenen

valproaat 

absences, myoklonische, gegeneraliseerde en partiële aanvallen, infantiele spasmen

misselijkheid, braken, gewichtstoename, omkeerbare haaruitval en tijdelijke sufheid

vigabatrine 

complexe partiële aanvallen in combinatie met andere anti-epileptica

sufheid, duizeligheid, hoofdpijn en vermoeidheid

zonisamide 

complexe partiële aanvallen in combinatie met andere anti-epileptica

sufheid, verlies van spiercoördinatie, nierstenen, verlies van eetlust en misselijkheid

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Volgende: Infantiele spasmen en koortsstuipen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer