MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Thoraxapertuursyndromen

Thoraxapertuursyndromen (syndromen van de bovenste thoraxopening) zijn een groep slecht gedefinieerde stoornissen die allemaal pijn en tintelingen (paresthesieën) in de hand, hals, schouder en arm veroorzaken.

De bovenste thoraxopening vormt de doorgang tussen de hals en de borstkas voor de slokdarm, de grote bloedvaten, de luchtpijp en een groot aantal zenuwen. Doordat er veel structuren door deze doorgang lopen, kunnen er problemen ontstaan wanneer bloedvaten of zenuwen naar de arm bekneld raken tussen een rib en de bovenliggende spier. De exacte oorzaak van deze aandoeningen is echter vaak onduidelijk. In zeer zeldzame gevallen is de oorzaak een duidelijk anatomische afwijking, zoals een extra kleine rib in de hals (cervicale rib) die op een slagader drukt of één van de slagaders onder het sleutelbeen (arteria subclavia) blokkeert die de armen van bloed voorzien.

Symptomen en diagnose

Pijn en tintelingen zijn doorgaans voelbaar langs de binnenkant van de arm en soms langs de zijkant. Als één van de slagaders onder het sleutelbeen wordt samengedrukt, kunnen de handen, armen en schouders opzwellen of kan de huid door zuurstofgebrek blauwig verkleuren (een toestand die ‘cyanose' wordt genoemd). Soms is de druk ernstig genoeg om het Raynaud-fenomeen uit te lokken, waarbij de vingers wit worden wanneer ze aan kou worden blootgesteld. In ernstige gevallen kan de druk gangreen in de vingers veroorzaken.

De diagnose wordt ingegeven door een combinatie van informatie afkomstig uit de voorgeschiedenis, van het lichamelijk onderzoek en van diverse diagnostische onderzoeken. Met zenuwgeleidingsonderzoek en elektromyografie (zie Diagnose van aandoeningen van hersenen, ruggenmerg en zenuwen: Elektromyografie) kunnen afwijkingen worden ontdekt die kenmerkend zijn voor een thoraxapertuursyndroom. Door een stethoscoop op het sleutelbeen of dichtbij de bovenkant van de oksel te zetten, kan de arts afwijkende geluiden (‘ruisjes') opmerken die op een afwijkende bloedstroom in de samengedrukte slagader wijzen. Er kan angiografie van de slagaders in de arm worden uitgevoerd om afwijkingen in de bloedstroom vast te stellen. Bij deze procedure worden er röntgenfoto's gemaakt nadat in de bloedbaan een contrastmiddel is ingespoten. Met geen van deze onderzoeken kan echter de diagnose ‘thoraxapertuursyndroom' worden bevestigd of uitgesloten.

Behandeling

Bij de meeste patiënten met symptomen van thoraxapertuursyndroom leiden fysiotherapie en lichamelijke oefeningen tot verbetering. Operatief ingrijpen kan noodzakelijk zijn in geval van een anatomische afwijking of een blokkade van de ondersleutelbeenslagader (arteria subclavia). De meeste artsen opereren echter liever niet omdat de diagnose zo moeilijk te stellen is en omdat de symptomen na de operatie vaak blijven bestaan.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Spinale spieratrofieën

Illustraties
Tabellen
Disclaimer