MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Verlamming van hersenzenuwen die de oogbewegingen controleren

Bij deze aandoeningen raken de hersenzenuwen III, IV of VI verlamd, waardoor bepaalde bewegingen van de ogen worden verstoord, afhankelijk van de zenuw die is aangetast.

De bewegingen van de ogen worden gecontroleerd door spieren die door de hersenzenuwen III, IV en VI worden aangestuurd. Deze spieren zorgen voor de verticale, horizontale en diagonale oogbewegingen.

Hersenzenuw III (nervus oculomotorius): een verlamming van deze zenuw kan worden veroorzaakt door een hersenaandoening (zoals hoofdletsel, een aneurysma in een slagader die de hersenen van bloed voorziet en een hersentumor) of door diabetes mellitus. Het aangedane oog draait naar buiten wanneer het niet-aangedane oog recht vooruitkijkt, waardoor dubbelzien ontstaat. Het aangedane oog kan slechts tot het midden worden bewogen bij het naar binnen kijken en kan niet omhoog en omlaag kijken. Het ooglid hangt en de pupil kan verwijd en soms gefixeerd zijn (dit wil zeggen dat deze niet van grootte verandert). Wanneer beide pupillen verwijd en gefixeerd zijn, duidt dat op een diep coma en mogelijk op hersendood (zie Stupor en coma: Introductie). Het ontstaan van hoofdpijn en een verandering in het bewustzijnsniveau (bijvoorbeeld als de patiënt suf wordt) kunnen aangeven dat een levensbedreigende aandoening de oorzaak is.

De diagnose wordt gebaseerd op de resultaten van een neurologisch onderzoek en van computertomografie (CT) of magnetische kernspinresonantie (MRI). Er wordt alleen een ruggenprik (lumbaalpunctie (zie Diagnose van aandoeningen van hersenen, ruggenmerg en zenuwen:Diagnostisch onderzoekIllustraties)) uitgevoerd als de arts een bloeding vermoedt maar op een CT-scan geen bloed wordt waargenomen. Er wordt hersenangiografie uitgevoerd wanneer het vermoeden bestaat van een bloeding als gevolg van een aneurysma of wanneer de pupil is aangedaan zonder dat er sprake is geweest van hoofdletsel. De behandeling hangt af van de oorzaak van de verlamming. Er is spoedbehandeling noodzakelijk als de oorzaak een levensbedreigende aandoening is.

Hersenzenuw IV (nervus trochlearis): in de meeste gevallen wordt een verlamming van deze zenuw door hoofdletsel veroorzaakt. Tumoren zijn maar zelden de oorzaak. Het aangedane oog kan niet naar binnen en naar beneden worden gedraaid, wat tot verticaal dubbelzien leidt. De patiënt heeft onwillekeurig de neiging het hoofd schuin te houden en zo oogspieren te gebruiken die niet door de verlamming zijn aangetast. In deze houding kan het dubbelzien worden vermeden.

Meestal wordt de aandoening vermoed bij iemand die na hoofdletsel de kenmerkende afwijkende oogbewegingen vertoont. Er kan een CT- of een MRI-scan worden uitgevoerd. De behandeling hangt af van de oorzaak van de verlamming. Oogoefeningen kunnen zinvol zijn. Soms is een operatieve ingreep nodig om het dubbelzien te verhelpen.

Hersenzenuw VI (nervus abducens): de oorzaak kan hoofdletsel zijn, een tumor, diabetes mellitus, multipele sclerose, hersenvliesontsteking, afsluiting van een slagader die de zenuw van bloed voorziet of toegenomen druk binnen de schedel.

Het aangedane oog kan niet geheel naar buiten worden gedraaid en kan naar binnen gedraaid zijn wanneer de patiënt recht naar voren kijkt. Wanneer de patiënt naar de kant van het aangedane oog kijkt, gaat hij dubbelzien.

Meestal kan de arts een verlamming van hersenzenuw VI gemakkelijk vaststellen, maar de oorzaak is minder duidelijk. Om een tumor uit te sluiten wordt een CT- of MRI-scan uitgevoerd. Met een ruggenprik (lumbaalpunctie) kan worden bepaald of de druk binnen de schedel verhoogd is en of de zenuw wordt samengedrukt door een tumor of door een zwelling als gevolg van een infectie. Wanneer er geen oorzaak wordt vastgesteld, gaat men vaak uit van een afsluiting van een slagader die de zenuwkern van bloed voorziet, al dan niet in het kader van een TIA (transient ischemic attack) is aangedaan. Deze aandoeningen worden regelmatig gezien bij patiënten met hoge bloeddruk, diabetes mellitus of atherosclerose.

De behandeling hangt af van de oorzaak van de verlamming. De verlamming verdwijnt meestal wanneer de oorzaak wordt behandeld. Als een afsluiting van een bloedvat de oorzaak is, kan de zenuw zich soms herstellen en verdwijnt de verlamming zonder behandeling binnen 2 maanden.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Trigeminusneuralgie

Illustraties
Tabellen
Disclaimer