MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Dissociatieve-identiteitsstoornis

Bij een dissociatieve-identiteitsstoornis, vroeger ‘meervoudige-persoonlijkheidsstoornis' genoemd, wisselen twee of meer identiteiten of persoonlijkheden elkaar af.

Een dissociatieve-identiteitsstoornis is een tamelijk algemeen voorkomende psychische stoornis. Deze stoornis komt voor bij naar schatting 4% van de patiënten die worden opgenomen voor andere psychische stoornissen en bij een aanzienlijk aantal patiënten in ontwenningsklinieken. Sommige deskundigen menen echter dat bij deze stoornis in veel gevallen de invloed van de therapeut op gemakkelijk te beïnvloeden mensen merkbaar is.

Een dissociatieve-identiteitsstoornis lijkt te worden veroorzaakt door de wisselwerking van verscheidene factoren: overweldigende stress, het vermogen om de eigen herinneringen, waarnemingen of identiteit los te koppelen van het bewuste bestaan, een abnormale psychische ontwikkeling en onvoldoende bescherming en koestering tijdens de jeugd.

Voor de persoonlijke ontwikkeling is het noodzakelijk dat kinderen ingewikkelde en verschillende soorten informatie en ervaringen kunnen integreren. Bij het verwerven van een samenhangende, complexe identiteit doorlopen ze fasen waarin ze hun eigen beelden en emoties scheiden van die van anderen. Deze verschillende beelden en emoties worden gebruikt om afzonderlijke persoonlijkheden (‘alters') te ontwikkelen. Niet ieder kind dat wordt mishandeld of dat een ingrijpend verlies of trauma te verwerken krijgt, zal echter meerdere persoonlijkheden ontwikkelen. Degenen die dat vermogen wel hebben, beschikken ook over normale manieren van verwerking. Het merendeel van deze kwetsbare kinderen wordt voldoende beschermd en getroost door volwassenen zodat bij hen geen dissociatieve-identiteitsstoornis ontstaat.

illustrative-material.sidebar 1

Dissociatieve-identiteitsstoornis en kindermishandeling

Het merendeel (97 tot 98%) van de volwassenen met een dissociatieve-identiteitsstoornis geeft aan in hun jeugd te zijn mishandeld. Bij 85% van de volwassenen en 95% van de kinderen en adolescenten met een dissociatieve-identiteitsstoornis kan mishandeling worden aangetoond.

Hoewel kindermishandeling een belangrijke oorzaak is van een dissociatieve-identiteitsstoornis, wil dat niet zeggen dat alle specifieke meldingen van mishandeling ook werkelijk hebben plaatsgevonden. Sommige aspecten van een aantal beschreven ervaringen bleken bij nader inzien niet juist. Sommige mensen waren helemaal niet mishandeld, maar hadden op jonge leeftijd wel een groot verlies meegemaakt, zoals de dood van een ouder, een ernstige lichamelijke aandoening of een andere bijzonder stressvolle ervaring.

Symptomen

Mensen met een dissociatieve-identiteitsstoornis geven vaak aan een hele reeks symptomen te hebben die lijken op de symptomen van andere psychische stoornissen en op die van veel lichamelijke aandoeningen. Sommige symptomen zijn een aanwijzing dat er inderdaad een andere stoornis aanwezig is, maar andere kunnen duiden op het binnendringen van vroegere ervaringen in het heden. Droefheid kan bijvoorbeeld duiden op een aanwezige depressie, maar het kan ook zijn dat één van de alters emoties behorend bij vroegere tegenslag herbeleeft.

Een dissociatieve-identiteitsstoornis is chronisch en kan leiden tot invaliditeit of de dood, maar toch functioneren veel mensen er zeer goed mee en leiden een creatief en productief leven. Mensen met deze stoornis zijn geneigd zichzelf te verwonden (automutilatie). Velen doen een poging tot zelfmoord.

Bij een dissociatieve-identiteitsstoornis zijn sommige alters zich bewust van belangrijke persoonlijke informatie, maar andere niet. Sommige alters lijken elkaar te kennen en in een gedetailleerde innerlijke wereld op elkaar te reageren. Zo kan alter A zich bewust zijn van alter B en weten wat B doet, alsof hij B's gedrag observeert. Alter B is zich al dan niet bewust van alter A. Andere alters kunnen zich al dan niet bewust zijn van alter B en andersom.

Doordat iemands alters elkaar afwisselen en hij zich niet van zijn gedrag in de andere alters bewust is, wordt het leven van iemand met dissociatieve-identiteitsstoornis vaak chaotisch. Omdat de alters vaak op elkaar reageren, melden mensen met een dissociatieve-identiteitsstoornis dat ze innerlijke gesprekken horen en de stemmen van andere alters, die commentaar leveren op hun gedrag of hen direct aanspreken. Ze ervaren een vervorming van de tijd, met hiaten en amnesie. Ze voelen zich vervreemd van zichzelf (depersonalisatie) en hebben het gevoel dat hun omgeving onwerkelijk is (derealisatie). Ze houden zich vaak bezig met zaken die te maken hebben met zelfbeheersing en controle over anderen. Ook hebben mensen met een dissociatieve-identiteitsstoornis vaak last van zware hoofdpijn of andere lichamelijke pijn en er kan sprake zijn van seksuele disfunctie. Verschillende clusters van symptomen wisselen elkaar af.

Mensen met een dissociatieve-identiteitsstoornis kunnen zich vaak niet herinneren wat ze gedaan hebben of kunnen veranderingen in hun gedrag niet verklaren. Vaak verwijzen ze naar zichzelf als ‘wij', ‘hij' of ‘zij'. De meeste mensen kunnen zich niets herinneren van de eerste drie tot vijf jaar van hun leven, maar mensen met een dissociatieve-identiteitsstoornis kunnen zich soms ook veel dingen niet herinneren van de periode tussen hun zesde en elfde levensjaar.

Diagnose

Om een dissociatieve-identiteitsstoornis te diagnosticeren voert een psychiater een grondig psychologisch onderzoek uit. Een medisch onderzoek kan nodig zijn om te bepalen of iemand een lichamelijke aandoening heeft waardoor bepaalde symptomen kunnen worden verklaard. Er zijn speciale vragenlijsten ontwikkeld om artsen te helpen de dissociatieve-identiteitsstoornis vast te stellen.

Soms zijn er langdurige gesprekken nodig met zorgvuldig gebruik van hypnose en angstverminderende medicatie (zie Amnesie en verwante stoornissen: Behandeling en prognose). Hierdoor geeft iemand de arts meer kans om andere persoonlijkheden tegen te komen of zal hij eerder informatie onthullen over een periode van geheugenverlies. Sommige artsen vinden echter dat hypnose en vraaggesprekken onder angstverminderende medicatie niet moeten worden gebruikt, omdat door deze technieken de symptomen van een dissociatieve-identiteitsstoornis juist kunnen worden opgewekt.

Behandeling en prognose

Sommige symptomen komen en gaan (fluctueren) in hun eigen ritme, maar een dissociatieve-identiteitsstoornis gaat niet uit zichzelf weg. Doel van de behandeling is meestal om de persoonlijkheden in één enkele persoonlijkheid te integreren. Dat is echter niet altijd mogelijk. In dat geval is het doel van de behandeling om de persoonlijkheden harmonieus met elkaar te laten samenwerken, waardoor iemand normaler kan functioneren.

Met medicijnen kunnen een aantal van de begeleidende symptomen, zoals angst of depressie, worden verlicht, maar de stoornis zelf wordt er niet door beïnvloed.

Psychotherapie is vaak zwaar en emotioneel pijnlijk. De persoon kan veel emotionele crises beleven door de handelingen van de alters en door de wanhoop die kan ontstaan doordat tijdens de therapie traumatische herinneringen bovenkomen. Vaak zijn verscheidene psychiatrische opnamen nodig om iemand door moeilijke perioden heen te helpen en om bijzonder pijnlijke herinneringen te verwerken. Gewoonlijk zijn twee of meer psychotherapiesessies per week nodig gedurende ten minste drie tot zes jaar. Hypnose kan zinvol zijn.

De prognose voor mensen met een dissociatieve-identiteitsstoornis hangt af van de symptomen en kenmerken. Mensen die ook een andere psychische stoornis hebben, zoals een persoonlijkheidsstoornis, een stemmingsstoornis, een eetstoornis of een stoornis als gevolg van verslaving, hebben een slechtere prognose.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Dissociatieve fugue

Illustraties
Tabellen
Disclaimer