MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ
In dit onderwerp
Introductie
Naar boven

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Introductie

De mond vormt de ingang voor het spijsverteringskanaal en de luchtwegen. De binnenkant van de mond is met slijmvlies bekleed. Gezond mondslijmvlies is roodachtig roze van kleur. Het tandvlees, dat nauw om de tanden aansluit, is wat lichter van kleur.

Het gehemelte (palatum) bestaat uit twee gedeelten. Het voorste gedeelte heeft ribbels en is hard (het harde gehemelte). Het achterste gedeelte is relatief glad en zacht (het zachte gehemelte). De lippen worden door een nat-droogovergang (lippenrood) duidelijk van elkaar gescheiden: aan de binnenkant is het oppervlak vochtig, terwijl de buitenkant uit huidachtig weefsel bestaat.

Op de mondbodem ligt de tong, die voor het proeven en het mengen van voedsel wordt gebruikt. De tong is ook belangrijk voor de spraak, vooral met betrekking tot het aanzetten van de medeklinkers. De tong is gewoonlijk niet glad maar bedekt met kleine uitsteeksels (villi) waarin zich de smaakpapillen bevinden. Hiermee wordt de smaak van voedsel waargenomen. De smaakzin is relatief eenvoudig, daar alleen de smaken zoet, zuur, zout en bitter worden onderscheiden. Geuren worden door reukreceptorcellen hoog in de neus waargenomen. De reukzin is veel complexer dan de smaakzin en kan veel subtiele variaties onderscheiden. Smaak en reuk werken samen om de mens in staat te stellen smaken en geuren te herkennen en in te schatten (zie Reuk- en smaakstoornissen:IntroductieIllustraties).

De speekselklieren produceren speeksel. Er zijn drie grote paarsgewijs voorkomende speekselklieren: de oorspeekselklieren, onderkaakspeekselklieren en ondertongspeekselklieren. Naast de grote speekselklieren bevinden zich verspreid in de mond veel kleine speekselkliertjes. Door smalle buisjes (kanaaltjes) loopt het speeksel van de klieren in de mond.

Speeksel heeft verscheidene functies. Bij het kauwen en eten draagt het bij aan het laten samenklonteren van voedsel zodat dit gemakkelijk vanuit de mond door de slokdarm omlaag kan glijden. Verder maakt het een begin met het verteringsproces en lost het voedsel op zodat het gemakkelijker kan worden geproefd. Na het eten reinigt het speeksel de mond. Speeksel houdt de bekledende slijmvlieslaag van de mond gezond en voorkomt het verlies van mineralen uit de gebitselementen. Het neutraliseert niet alleen de door bacteriën geproduceerde zuren, maar bevat ook veel stoffen, zoals antilichamen en enzymen, die bacteriën, gisten en virussen doden.

De mens krijgt twee natuurlijke gebitten (dentities of tandgeneraties): het melkgebit (bij kinderen) en het blijvende gebit (bij volwassenen). Er zijn 20 melktanden en -kiezen: in elk kwadrant één centrale snijtand (incisief), één laterale snijtand, één hoektand en de eerste en tweede melkmolaar. Er zijn 32 blijvende gebitselementen: in elk kwadrant één centrale en één laterale snijtand, één hoektand, twee premolaren (valse kiezen) en drie molaren (ware kiezen), waarvan de laatste ook wel ‘verstandskies' wordt genoemd. Het aantal verstandskiezen varieert echter: niet bij iedereen komen alle vier de verstandskiezen door en bij sommige mensen zelfs helemaal geen. De verstandskiezen zijn de laatste blijvende elementen en ze breken gewoonlijk tussen de 17 en 21 jaar door.

De periode waarin de tanden en kiezen door het tandvlees heen in de mond doorbreken (doorkomen), kan nogal variëren. Bij het melkgebit breken als eerste de centrale snijtanden door; dit gebeurt op een leeftijd van ongeveer 6 maanden. Hierna volgen de laterale snijtanden, de eerste melkmolaren, de hoektanden en ten slotte de tweede melkmolaren. Rond de leeftijd van 2½ jaar is het melkgebit gewoonlijk compleet. Vanaf de leeftijd van ongeveer 6 jaar wordt het melkgebit door de blijvende gebitselementen naar buiten geduwd (‘wisselen'). De eerste molaren komen vlak achter de tweede melkmolaren door en nemen dus niet de plaats van een ander element in. Hetzelfde geldt voor de tweede en derde molaren.

In zeldzame gevallen heeft een baby bij de geboorte al een tand (een connatale tand) of breekt er al binnen een maand na de geboorte een element van het melkgebit door (een neonatale tand). Gewoonlijk gaat het dan om een snijtand in de onderkaak, maar het kan ook een extra (boventallig) element zijn. Een dergelijk gebitselement wordt alleen verwijderd als deze het voeden belemmert of zeer los gaat zitten, waardoor een mogelijk risico van stikken ontstaat.

Bij veel kinderen staan de blijvende snijtanden in de onderkaak na het doorbreken als een druiventrosje achter elkaar. Ruimtegebrek door crowding of gedraaide blijvende elementen kan het probleem zijn, en vroegtijdige orthodontische behandeling (beugel) kan noodzakelijk zijn. Ook duim- of vingerzuigen kan invloed hebben op de positie van de tanden, en soms vroegtijdige orthodontische behandeling vereisen.

Een gebitselement bestaat uit de kroon, het gedeelte boven de tandvleeslijn, en de wortel, het gedeelte onder de tandvleeslijn. De kroon is bedekt met glanzend wit glazuur, dat het gebitselement beschermt. Glazuur is de hardste stof die in het lichaam voorkomt, maar bij beschadiging is het zelfherstellende vermogen zeer gering. Onder het glazuur zit dentine (tandbeen); dit lijkt op bot, maar is harder. Dentine omringt de centrale (pulpa)kamer, die bloedvaten, zenuwen en bindweefsel bevat.

De bloedvaten en zenuwen komen de pulpakamer binnen via de wortelkanalen, die ook door dentine worden omgeven. In de wortel is het dentine bedekt door wortelcement, een dunne, botachtige substantie. Het wortelcement wordt omgeven door een membraan (parodontaal ligament) dat de elementen beschermt en de wortelcementlaag, en daarmee het gehele element, stevig aan de kaak bevestigt.

Door het voedsel met de voortanden door te snijden en met de kiezen te kauwen wordt het vermalen tot gemakkelijker te verteren stukken. Speeksel uit de speekselklieren bedekt de voedselstukken met een laagje spijsverteringsenzymen, waardoor een begin met de vertering wordt gemaakt. Tussen de maaltijden door spoelt de speekselstroom bacteriën weg die tandbederf (gaatjes of cariës) en andere aandoeningen kunnen veroorzaken.

Achter in de mond hangt een smalle gespierde structuur die de ‘huig' wordt genoemd en die zichtbaar is als iemand ‘Ahh' zegt. De huig hangt neer vanaf de achterkant van het zachte gehemelte, dat de achterkant van de neus van de achterkant van de mond scheidt. Gewoonlijk hangt de huig verticaal. De zenuwvoorziening komt van de nervus vagus (10e hersenzenuw).

illustrative-material.figure-short 1

Een overzicht van de mond

Een overzicht van de mond

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Volgende: Effecten van het ouder worden

Illustraties
Tabellen
Disclaimer