MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Gaatjes

Gaatjes (tandbederf of cariës) zijn defecten in gebitselementen als gevolg van een proces waarbij de harde buitenkant van een gebitselement (het glazuur) geleidelijk oplost, waarna het bederf het gebitselement steeds verder naar binnen aantast.

Gaatjes behoren samen met verkoudheid en ziekte van het tandvlees tot de meest voorkomende aandoeningen bij mensen. Als gaatjes niet goed door een tandarts worden behandeld, worden ze steeds groter. Een onbehandeld gaatje kan uiteindelijk tot verlies van het gebitselement leiden.

Tandbederf kan alleen ontstaan als een gebitselement daarvoor vatbaar is, als er zuurproducerende bacteriën aanwezig zijn en voedsel waardoor de bacteriën goed gedijen. Bij een gebitselement dat vatbaar is voor cariës is relatief weinig beschermende fluoride in het glazuur opgenomen of zijn er diepe putjes en fissuren (groeven of spleten) waaruit tandplak moeilijk te verwijderen is. Een slechte mondhygiëne, waardoor tandplak zich kan ophopen en tandsteen zich kan vormen, kan dit proces versnellen. Hoewel zich grote hoeveelheden bacteriën in de mond bevinden, scheiden slechts bepaalde soorten een zuur af, waardoor tandbederf ontstaat. De meest voorkomende bacterie die dit doet, is Streptococcus mutans.

Sommige mensen hebben bijzonder actieve tandbederf veroorzakende bacteriën in hun mond. Een ouder kan deze bacteriën overbrengen op een kind, door het te kussen of door hetzelfde eetgerei te gebruiken. Zodra de eerste tanden zijn verschenen, groeien de bacteriën snel en kunnen dan gaatjes veroorzaken. Als er binnen een familie veel tandbederf voorkomt, hoeft dit dus niet noodzakelijkerwijs een gevolg te zijn van een slechte mondhygiëne of slechte eetgewoonten.

Voortschrijden van tandbederf: tandbederf in het glazuur breidt zich langzaam uit. Nadat het tandbederf tot de tweede tandlaag is doorgedrongen – het wat zachtere, minder sterke tandbeen (dentine) – ontwikkelt het bederf zich sneller. Daarbij wordt na verloop van tijd de pulpa aangetast, het weke binnenste gedeelte van het gebitselement, waarin zich de zenuwen en bloedvaten bevinden. Hoewel een gaatje pas na 2 tot 3 jaar door het glazuur is gebroken, kan het binnen een jaar de veel grotere afstand door het tandbeen naar de pulpa overbruggen. Wanneer de tandwortel, die niet door glazuur wordt beschermd, bloot komt te liggen, ontstaat wortelcariës. Deze kan dus in korte tijd veel tandweefsel vernietigen.

Tandbederf van gladde oppervlakken ontwikkelt zich het langzaamst en is het best te voorkomen en te behandelen. Bij deze vorm van tandbederf begint een gaatje als een wit plekje waar bacteriën het calcium van het glazuur oplossen. Tandbederf van gladde oppervlakken tussen de gebitselementen begint meestal op de leeftijd tussen de 20 en 30 jaar.

Put- en fissuurcariës, die doorgaans tijdens de tienerjaren in het definitieve gebit begint, ontstaat in de smalle groeven van het kauwoppervlak en aan de wangzijde van de achterste kiezen. Deze vorm van tandbederf ontwikkelt zich snel. Bij veel mensen zijn deze kwetsbare gebieden niet goed schoon te houden, doordat de groeven smaller zijn dan de haren van een tandenborstel.

Wortelcariës ontstaat meestal bij mensen boven de 50 jaar en begint in de deklaag op het worteloppervlak (cement) dat door terugtrekkend tandvlees bloot is komen te liggen. Deze vorm van tandbederf ontstaat vaak doordat het wortelgebied moeilijk schoon te houden is, door onvoldoende speekselvloed, door een teveel aan suiker in de voeding of door een combinatie van deze factoren. Wortelcariës is mogelijk de moeilijkst te voorkomen vorm van tandbederf.

illustrative-material.figure-short 1

Soorten gaatjes

Soorten gaatjes

Op de afbeelding links is een kies zonder gaatjes te zien. Op de afbeelding rechts is een kies met de drie soorten gaatjes te zien.

Symptomen

Of tandbederf pijn veroorzaakt, hangt af van welk deel van het gebitselement is aangetast en hoe diep het tandbederf is doorgedrongen. Een gaatje in het glazuur veroorzaakt geen pijn. Het begint pas pijn te doen wanneer het tandbeen wordt aangetast. De pijn wordt mogelijk alleen gevoeld wanneer iets kouds wordt gedronken of wanneer er snoep wordt gegeten. Dit wijst erop dat de pulpa van het gebitselement nog gezond is. Als het gaatje in dit stadium wordt behandeld, kan het tanddefect door de tandarts worden gevuld, waarna zich naar alle waarschijnlijkheid geen pijn of kauwproblemen meer voordoen.

Een gaatje dat dicht bij de pulpa komt of deze bereikt, veroorzaakt onherstelbare schade. De pijn blijft doorzeuren ook nadat een prikkel (koud water bijvoorbeeld) is weggenomen. De tand doet mogelijk zelfs zonder prikkel pijn (spontane tandpijn).

Als blijvende schade aan de pulpa ontstaat en de pulpa hierdoor afsterft, kan de pijn tijdelijk ophouden. De tand kan daarna gevoelig worden wanneer ergens op wordt gebeten of wanneer er met de tong of een vinger druk op wordt uitgeoefend, doordat rondom de wortelpunt (de apex) een ontsteking ontstaat, soms met vorming van een abces (ophoping van pus). Pusophoping rondom een tand drukt deze tand vaak uit de kas. Bij het bijten wordt de tand op zijn plaats teruggeduwd, wat hevige pijn veroorzaakt. De pus kan zich verder ophopen en het aangrenzende tandvlees doen opzwellen of het kan zich door de kaak verspreiden, in de mond lopen of zelfs via de huid naar buiten doorbreken.

Diagnose en preventie

Als een gaatje voordat het pijn begint te doen wordt behandeld, is het risico van beschadiging van de pulpa kleiner en gaat er minder tandweefsel verloren. Om gaatjes vroegtijdig op te sporen, informeert de tandarts naar pijnklachten, onderzoekt de tanden, controleert ze met behulp van speciale instrumenten en maakt zo nodig röntgenfoto's. Het gebit moet elke 6 tot 12 maanden worden gecontroleerd. Afhankelijk van de beoordeling van iemands gebit, kan de tandarts besluiten om de 12 tot 36 maanden röntgenfoto's te maken.

De vijf belangrijkste methoden ter voorkoming van gaatjes zijn: goede mondhygiëne, goede voeding, fluoride, een beschermende laklaag (sealant) en behandeling met bacteriedodende middelen.

Mondhygiëne: door vóór of na het ontbijt en vóór het slapengaan te poetsen en dagelijks te flossen om tandplak te verwijderen kan tandbederf van gladde oppervlakken doeltreffend worden bestreden. Poetsen helpt het ontstaan van gaatjes op de kauwvlakken en de zijkanten van de gebitselementen te voorkomen, terwijl met flossen of door gebruik van interdentale miniborsteltjes het gebied tussen de gebitselementen waar een tandenborstel niet bij kan, wordt schoongemaakt.

Elektrische en ultrasone tandenborstels zijn uitstekend, maar een op de juiste wijze gebruikte gewone tandenborstel is ruim voldoende. Gewoonlijk neemt goed poetsen ongeveer slechts 3 minuten in beslag. Tandzijde (flosdraad) wordt voorzichtig tussen de gebitselementen heen en weer bewogen en daarna rondom het gebitselement en de wortelrand in C-vorm tegen de tandvleesrand aan gewikkeld. Door daarna een verticale schuivende beweging te maken kan de draad tandplak en voedselresten verwijderen.

Tandplak is aanvankelijk tamelijk zacht en de kans op gaatjes is klein als de plaque ten minste één keer per 24 uur met een zachte tandenborstel en flosdraad of interdentale miniborsteltjes wordt verwijderd. Zodra de tandplak verhardt, een proces dat na ongeveer 24 uur op gang komt, wordt verwijdering ervan moeilijker.

Voeding: alle koolhydraten kunnen in zekere mate tandbederf veroorzaken, maar de grootste boosdoeners zijn suikers. Alle suikers, waaronder tafelsuiker (sucrose), de suikers in honing (levulose en dextrose), fruit (fructose) en melk (lactose), hebben dezelfde uitwerking op de gebitselementen. Steeds wanneer suiker met tandplak in aanraking komt, produceert de bacterie Streptococcus mutanszuren in de tandplak. De concentratie van geconsumeerde suiker is niet van belang. Het gaat erom hoe lang de suiker in aanraking is met de gebitselementen. Het is dus schadelijker om een glas frisdrank met kleine slokjes in een uur leeg te drinken, dan een reep chocola binnen 5 minuten op te eten, ook al bevat de reep mogelijk meer suiker. Plakkerig zoet als van toffees is hierdoor ook extra slecht.

Iemand die gemakkelijk gaatjes krijgt, moet dus minder vaak zoetigheid eten. Na het eten van zoetigheid kan door spoelen wel wat van de suiker uit de mond worden verwijderd, maar tandenpoetsen is doeltreffender. Het drinken van kunstmatig gezoete dranken helpt ook, hoewel caloriearme frisdranken een bepaald zuur bevatten dat tandbederf in de hand kan werken. Het drinken van thee of koffie zonder suiker helpt ook bij het voorkomen van gaatjes, vooral op blootliggende tandworteloppervlakken.

Fluoride: fluoride kan de gebitselementen, vooral hun glazuur, beter bestand maken tegen het zuur dat het ontstaan van gaatjes veroorzaakt. Gebruik van fluoridetabletten is vooral doeltreffend zolang de gebitselementen groeien en uitharden, tot de leeftijd van ongeveer 11 jaar. Fluoride in het drinkwater is de effectiefste manier om kinderen fluoride te geven. In een aantal landen wordt fluoride aan het drinkwater toegevoegd. In Nederland is dit alleen plaatselijk gedaan, maar ondanks het succes ervan is besloten dit niet voort te zetten om niemand te dwingen ongewild fluoride te gebruiken. Als er te veel fluoride in het water zit, kunnen er vlekken of verkleuringen op de gebitselementen verschijnen (fluorose). Als een kind te weinig fluoride binnenkrijgt, kan de arts of tandarts natriumfluoridetabletten of -druppels voorschrijven. De tandarts kan fluoride rechtstreeks aanbrengen op de gebitselementen van een patiënt die vatbaar is voor tandbederf, ongeacht de leeftijd. Gefluorideerde tandpasta en geconcentreerde mondspoelingen met fluoride zijn zowel voor volwassenen als voor kinderen gunstig.

Beschermende laklaag (sealant): het aanbrengen van een laklaag beschermt moeilijk bereikbare putten en fissuren (spleten en groeven), vooral op de achterste kiezen. Nadat het te behandelen oppervlak grondig is schoongemaakt, wordt het glazuuroppervlak met een zuuroplossing geruwd om de lak beter aan het gebitselement te laten hechten. De tandarts brengt daarna in en over de putten en spleten van de gebitselementen een laklaag van vloeibaar plastic aan. Zodra de laklaag is uitgehard vormt deze een dusdanig effectieve barrière dat nog in putten of fissuren aanwezige bacteriën geen zuur meer kunnen produceren doordat er geen voedsel meer bij kan komen. Ongeveer 90% van de laklaag blijft langer dan 1 jaar intact en 60% langer dan 10 jaar. Bij periodieke tandheelkundige controles kan worden beoordeeld of herstel of vervanging van de laklaag noodzakelijk is.

Bacteriedodende behandeling: bij mensen die zeer gevoelig voor tandbederf zijn, kan een bacteriedodende behandeling nodig zijn. De tandarts verwijdert eerst alle aangetaste plekken en dicht alle putjes en fissuren in het gebitselement af. Vervolgens wordt een krachtige mondspoeling ( chloorhexidine Handelsnaam
Corsodyl
Hibitane
) voorgeschreven die een aantal weken moet worden gebruikt om de bacteriën in de resterende plaque te doden. Op die manier hoopt men dat minder schadelijke bacteriën de plaats innemen van de bacteriën die gaatjes veroorzaken. Om de bacteriegroei onder controle te houden, kan de patiënt thuis dagelijks de mond spoelen met fluoride en kauwgom met xylitol (een zoetstof die de bacteriegroei in tandplak afremt) gebruiken.

Behandeling

Als tandbederf wordt gestopt voordat het tandbeen wordt bereikt, kan het glazuur zichzelf met ondersteuning door fluoridebehandeling herstellen (remineralisatie). Voor de fluoridebehandeling is een op recept verkrijgbare sterkte van een fluoridehoudende mondspoeling nodig. Als het bederf eenmaal het tandbeen heeft bereikt, boort de tandarts het aangetaste gedeelte van het gebitselement eruit en wordt in de daardoor ontstane holte een vulling (restauratie) aangebracht. Door vroegtijdige behandeling van tandbederf blijft het gebit sterk en wordt het risico van aantasting van de pulpa kleiner.

Vullingen: vullingen worden van verschillende materialen gemaakt en kunnen in of om het gebitselement worden aangebracht. Zilveramalgaam (een combinatie van kwik, zilver, koper, tin en soms zink, palladium of indium) wordt meestal voor vullingen in de kiezen gebruikt, waar sterkte van de vulling van belang is en de zilveren kleur niet zo opvalt. Zilveramalgaam is relatief goedkoop en gaat gemiddeld 14 jaar mee, maar bij een goede mondhygiëne kan het amalgaam meer dan 40 jaar meegaan. De geringe hoeveelheid kwik die uit het zilveramalgaam ontsnapt, is te klein om de gezondheid te beïnvloeden. Gouden vullingen (inlays en onlays) zijn duurder en vereisen ten minste twee tandartsbezoeken om ze definitief te plaatsen.

In de voortanden worden composiet- en porseleinvullingen gebruikt, omdat amalgaamvullingen daar te zeer zouden opvallen. Deze vullingen worden hoe langer hoe meer ook in de kiezen gebruikt. Ze hebben dezelfde kleur als het gebit, maar zijn duurder dan amalgaamvullingen en gaan mogelijk minder lang mee, vooral in de kiezen, die bij het kauwen een flinke druk te verduren krijgen.

Glasionomeer, een tandkleurig vullingsmateriaal, is zo ontwikkeld dat er fluoride vrijkomt wanneer het eenmaal is aangebracht, wat een groot voordeel is voor patiënten die gevoelig zijn voor tandbederf. Glasionomeer wordt ook gebruikt voor restauratie van delen van het gebit die door te hard poetsen zijn beschadigd.

illustrative-material.sidebar 2

Wortelkanaalbehandeling van een ernstig beschadigd gebitselement

1.Het gebitselement wordt verdoofd.

2.Om het gebitselement wordt een rubber dam (of een ring van watten of tampons) geplaatst om hem te isoleren van bacteriën in de rest van de mond.

3.Bij kiezen wordt een gat in het kauwoppervlak geboord en bij voortanden aan de tongzijde.

4.Met dunne instrumenten wordt de resterende pulpa uit de pulpakamer verwijderd.

5.Het wortelkanaal wordt glad gevijld en vanaf de opening tot de wortel versmald tot een trechtervorm.

6.Het kanaal wordt met een vulling afgesloten.

Wortelkanaalbehandeling en trekken van tanden en kiezen: wanneer de pulpa door tandbederf blijvend is beschadigd, kan de pijn alleen worden weggenomen door verwijdering van de pulpa via een wortelkanaalbehandeling (endodontische behandeling) of door het trekken van het gebitselement.

Als een gebitselement wordt getrokken, moet zo snel mogelijk worden beoordeeld hoe deze wordt vervangen. Anders kunnen naastgelegen gebitselementen verschuiven, waardoor de beet verandert.

Bruggen en kronen: een getrokken gebitselement kan worden vervangen door een brug (een vaste gedeeltelijke gebitsprothese, waarbij bijvoorbeeld de kiezen aan weerszijden van een ontbrekende kies worden bedekt met een kroon) of een uitneembare gedeeltelijke prothese (plaatje). Een ontbrekend gebitselement kan ook door een implantaat worden vervangen.

illustrative-material.figure-short 2

Kronen, bruggen en implantaten

Kronen, bruggen en implantaten

Een kroon is een restauratie die over een kies wordt aangebracht. Meestal zijn er twee, maar soms ook meer tandartsbezoeken nodig om een goed passende kroon aan te meten. Tijdens het eerste bezoek prepareert de tandarts het gebitselement door deze in een enigszins tapse vorm te slijpen. Vervolgens maakt hij een afdruk van het geprepareerde gebitselement en plaatst er een noodkroon op. In een tandtechnisch laboratorium wordt met behulp van de afdruk de definitieve kroon vervaardigd. Tijdens het volgende bezoek wordt de noodkroon verwijderd en wordt de kroon definitief op het geprepareerde gebitselement gecementeerd.

Kronen zijn meestal gemaakt van een goudlegering of een ander metaal. Om de metaalkleur te maskeren, wordt er porselein op gebakken. Kronen kunnen ook helemaal uit porselein bestaan, hoewel porselein harder en ruwer is dan tandglazuur en slijtage van de tegenovergelegen gebitselementen kan veroorzaken. Kronen die geheel van porselein of een soortgelijk materiaal zijn gemaakt, breken ook iets vaker dan metalen kronen.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Introductie

Volgende: Ingeklemde gebitselementen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer