MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Kanker van de alvleesklier

Ongeveer 95% van alle kwaadaardige tumoren van de alvleesklier zijn adenocarcinomen. Adenocarcinomen ontstaan meestal in de kliercellen aan de binnenzijde van de alvleesklierbuis. De meeste adenocarcinomen komen voor in de kop van de alvleesklier, het gedeelte dat het dichtst bij het eerste segment van de dunne darm ligt (twaalfvingerige darm).

Adenocarcinoom van de alvleesklier komt in Nederland steeds vaker voor en ontstaat elk jaar bij ongeveer 10 tot 12 op de 100.000 mensen. Meestal ontstaan adenocarcinomen niet voor het vijftigste levensjaar; de gemiddelde leeftijd bij de diagnose is 55 jaar. Deze tumoren komen bijna tweemaal zo vaak voor bij mannen als bij vrouwen en iets vaker bij mensen van het negroïde ras dan bij mensen van het blanke ras. Adenocarcinoom van de alvleesklier komt bij zware rokers twee- tot driemaal vaker voor dan bij niet-rokers. Ook mensen met chronische pancreatitis lopen een hoger risico.

Symptomen en complicaties

Tumoren in de kop van de alvleesklier kunnen de afvoer van gal (het spijsverteringssap dat door de lever wordt geproduceerd) naar de dunne darm belemmeren (zie Pancreatitis:IntroductieIllustraties en zie Galblaasaandoeningen: Tumoren van de galwegen)

Daardoor is geelzucht (een gelige verkleuring van de huid en het wit van de ogen) veroorzaakt door obstructie van de galstroom een kenmerkend vroeg symptoom. De geelzucht gaat gepaard met jeuk over het gehele lichaam, die het gevolg is van afzetting van galzoutkristallen onder de huid. De patiënt kan overgeven wanneer kanker in de kop van de alvleesklier de doorstroming van de maaginhoud naar de dunne darm belemmert of de dunne darm zelf afsluit.

Een adenocarcinoom in het lichaam of de staart van de alvleesklier (het middendeel en het deel van de alvleesklier dat het verst van de twaalfvingerige darm ligt) veroorzaakt meestal pas symptomen als de tumor al groot is. Daarom heeft de tumor zich bij het stellen van de diagnose in 90% van de gevallen al uitgezaaid (gemetastaseerd) tot voorbij de alvleesklier. De tumor zaait zich meestal uit naar de nabijgelegen lymfeklieren, de lever of de longen. De eerste symptomen zijn doorgaans pijn en gewichtsverlies. Op het moment van de diagnose heeft 90% van de patiënten buikpijn (meestal ernstige pijn in de bovenbuik die naar de rug uitstraalt) en is het lichaamsgewicht aanzienlijk afgenomen.

Een adenocarcinoom van het lichaam of de staart van de alvleesklier kan leiden tot een afsluiting van de ader die afkomstig is van de milt (het orgaan dat bloedcellen produceert, controleert, opslaat en vernietigt), hetgeen leidt tot vergroting van de milt (splenomegalie). De afsluiting kan er ook toe leiden dat de aders rond de slokdarm en de maag opzetten en gaan kronkelen (spataders). Als deze spataders scheuren, kan een ernstige bloeding ontstaan, in het bijzonder in de slokdarm.

Diagnose

Een vroege diagnose van tumoren in het lichaam of de staart van de alvleesklier is moeilijk omdat de symptomen pas laat optreden en de resultaten van lichamelijk onderzoek en bloedonderzoek vaak normaal zijn. Wanneer adenocarcinoom van de alvleesklier wordt vermoed, is computertomografie (CT) het meest nauwkeurige diagnostische onderzoek. Andere veelgebruikte onderzoeken zijn echografie, endoscopische retrograde cholangiopancreatografie (ERCP) (zie Diagnostisch onderzoek bij lever‑ en galblaasaandoeningen: Beeldvormend onderzoek) en en kernspinresonantie (MRI).

Om de diagnose te bevestigen kan de arts een monster van de alvleesklier nemen voor microscopisch onderzoek (biopsie). Dit gebeurt door het inbrengen van een naald via de huid, op geleide van CT of echografie. Met deze techniek wordt de tumor echter vaak gemist en kunnen kankercellen langs de baan van de naald worden verspreid. Dezelfde techniek kan worden gebruikt om een biopt van de lever te nemen om te onderzoeken of kanker zich naar de alvleesklier heeft uitgezaaid. Als de uitslagen van deze onderzoeken normaal zijn, maar de arts nog steeds een sterk vermoeden van adenocarcinoom heeft, wordt de alvleesklier mogelijk operatief onderzocht.

illustrative-material.sidebar 4

Zeldzame vormen van alvleesklierkanker

Cystadenocarcinoom van de alvleesklier is een zeldzame soort alvleesklierkanker die zich ontwikkelt vanuit een met vocht gevulde goedaardige tumor die ‘cystadenoom' wordt genoemd. Een cystadenocarcinoom veroorzaakt vaak buikpijn en kan zo groot worden dat de arts de tumor door de buikwand kan voelen. De diagnose wordt meestal gesteld met behulp van echografie of computertomografie (CT) van de alvleesklier. Bij operatie blijkt slechts 20% van deze carcinomen zich te hebben uitgezaaid. Om deze reden heeft cystadenocarcinoom een veel betere prognose dan adenocarcinoom. Als de kanker zich niet heeft uitgezaaid en de alvleesklier volledig wordt weggenomen, heeft de patiënt een kans van 65% om nog minstens vijf jaar in leven te blijven.

Een intraductale tumor is een recent erkende alvleeskliertumor die wordt gekenmerkt door uitzetting (dilatatie) van de belangrijkste alvleesklierbuis, overmatige slijmproductie en soms pijn. Meer dan 30% van deze tumoren is kwaadaardig, maar het is nog niet bekend hoe intraductale tumoren zich ontwikkelen en uitbreiden. Omdat met diagnostisch onderzoek geen onderscheid kan worden gemaakt tussen goedaardige en kwaadaardige vormen van deze tumor, is operatief ingrijpen de beste diagnostische en therapeutische optie voor alle mensen die vermoedelijk een intraductale tumor hebben.

Prognose en behandeling

Omdat een adenocarcinoom van de alvleesklier zich meestal al naar andere delen van het lichaam heeft uitgezaaid voordat de tumor wordt ontdekt, is de prognose zeer slecht. Twee tot vijf procent van de patiënten met een adenocarcinoom van de alvleesklier is vijf jaar na de diagnose nog in leven. De enige kans op genezing bestaat uit een operatieve ingreep. Een dergelijke ingreep wordt uitgevoerd bij ongeveer 10% van de patiënten bij wie men aanneemt dat de kanker zich nog niet heeft uitgezaaid. Alleen de alvleesklier zelf of de alvleesklier met de twaalfvingerige darm worden dan weggenomen. Na een dergelijke operatie is 15 tot 20% van de patiënten na vijf jaar nog in leven. Aanvullende chemotherapie en radiotherapie verbetert de levensduur of het overlevingspercentage niet.

Lichte pijn kan worden bestreden met acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine) of paracetamol. Meestal zijn sterkere pijnstillers nodig, zoals orale codeïne of morfine Handelsnaam
MS Contin
Kapanol
Noceptin
Sevredol
. Bij 70 tot 80% van de patiënten met hevige pijn wordt verlichting bereikt met injecties in de zenuwen, waardoor de pijnsensaties worden geblokkeerd. Het tekort aan alvleesklierenzymen kan worden aangevuld met orale enzympreparaten. Als bij patiënten diabetes mellitus ontstaat, kan toediening van insuline noodzakelijk zijn.

Een belemmering van de galstroom kan tijdelijk worden verholpen door plaatsing van een buisje (stent) in het laatste gedeelte van de buis die gal uit de lever en de galblaas afvoert. In de meeste gevallen leidt de tumor echter uiteindelijk tot een afsluiting van de galbuis boven en onder de stent. Een andere behandelmethode is het operatief aanleggen van een bypass langs de afsluiting. Zo kan een afsluiting van de dunne darm worden omzeild door een bypass die de maag met een deel van de dunne darm verbindt dat voorbij de afsluiting ligt.

Omdat een adenocarcinoom van de alvleesklier in de meeste gevallen fataal is, bespreekt de arts meestal stervensbegeleiding met de patiënt, familieleden en andere zorgverleners. (zie Overlijden en het stervensproces: Introductie)

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Goedaardige tumoren van de slokdarm

Volgende: Kanker van de anus

Illustraties
Tabellen
Disclaimer