MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Galstenen

Galstenen zijn ophopingen van vaste kristallen (voornamelijk cholesterol) in de galblaas of in de galwegen. Wanneer de stenen zich in de galblaas bevinden, wordt dit ‘cholelithiasis' genoemd; wanneer de galstenen zich in de galwegen bevinden, heet dit ‘choledocholithiasis'.

Galstenen komen vaker voor bij vrouwen. De risicofactoren voor het ontstaan van galstenen zijn ouderdom, ernstig overgewicht, eetpatroon en een familiegeschiedenis van galstenen. In de westerse wereld heeft ongeveer 20% van de mensen ouder dan 65 jaar galstenen. Galstenen veroorzaken over het algemeen geen symptomen; ongeveer 80% van de mensen met galstenen ondervindt er geen hinder van. Per jaar wordt bij meer dan 20.000 mensen in Nederland de galblaas operatief verwijderd.

In de westerse wereld bestaan de meeste galstenen grotendeels uit cholesterol, een stof die niet in water oplost, maar wel kan in gal oplossen. Gal bevat grote hoeveelheden cholesterol die meestal in opgeloste toestand blijft. Wanneer gal echter oververzadigd raakt met cholesterol, wordt de cholesterol onoplosbaar en vormt deze stof kristallen. De microscopisch kleine kristallen hopen zich op. Sommige galstenen bestaan uit calciumzouten en bilirubine, het voornaamste pigment in gal (pigmentstenen).

illustrative-material.figure-short 1

Wat zijn galstenen

Galstenen bestaan meestal voornamelijk uit cholesterol die uit gal is uitgekristalliseerd. Galstenen ontstaan doorgaans in de galblaas en kunnen vast komen te zitten in de galblaasbuis, de galbuis of de alvleesklierbuis.

De meeste galstenen ontstaan in de galblaas, die de kleine kristallen vasthoudt waardoor ze kunnen groeien. Stenen in de galwegen zijn meestal afkomstig uit de galblaas. Stenen die in een galweg ontstaan, hangen meestal samen met een infectie of ontsteking en bestaan uit pigmentmateriaal. Elke steen in het galwegsysteem kan echter een afsluiting met een ontsteking en bacteriële infectie veroorzaken. Daardoor kan een vernauwing (strictuur) ontstaan, waardoor de galstroom verder wordt belemmerd, zelfs nadat de steen met de galstroom wordt meegevoerd.

Symptomen

De meeste galstenen veroorzaken nooit of jarenlang geen symptomen, vooral als ze in de galblaas blijven.

Vaak komen galstenen vanuit de galblaas in de galwegen terecht. Kleine galstenen kunnen de galwegen passeren en zonder problemen in de dunne darm terechtkomen of kunnen in de galwegen blijven steken zonder de galstroom te belemmeren of symptomen te veroorzaken. Stenen die de galstroom belemmeren, kunnen echter pijn, misselijkheid en braken veroorzaken. Bij een afsluiting kunnen bacteriën goed gedijen en snel een infectie in de galwegen veroorzaken en soms ook abcessen (met pus gevulde infectiehaarden) in de lever. Een dergelijke infectie kan gepaard gaan met koorts, koude rillingen en geelzucht (een gelige verkleuring van de huid en het oogwit). Soms ontstaat er een levensbedreigende infectie, ‘bacteriële cholangitis' genaamd. Bij bacteriële cholangitis kunnen de bacteriën in de bloedbaan terechtkomen en infecties elders in het lichaam veroorzaken, waardoor het risico van overlijden toeneemt.

Stenen die de uitgang van de galblaas of galblaasbuis (de buis die de galblaas met de galbuis verbindt) blokkeren, veroorzaken aanhoudende pijn (galsteenkoliek) in de bovenbuik, meestal aan de rechterzijde, onder de ribben. Deze pijn ontstaat geleidelijk, kan 30 minuten tot 12 uur aanhouden en neemt vervolgens af. Door een aanhoudende afsluiting van de galblaas raakt deze ontstoken (een aandoening die ‘acute cholecystitis' wordt genoemd (zie Galblaasaandoeningen: Cholecystitis)). De pijn houdt dan aan en kan uitstralen naar het rechter schouderblad. De patiënt kan ook koorts hebben.

Ook de alvleesklierbuis (die de alvleesklier met de galbuis verbindt) kan door stenen worden afgesloten, waardoor de alvleesklier ontstoken raakt (pancreatitis), met pijn tot gevolg.

In zeldzame gevallen schuren grote galstenen de galblaaswand open en komen in de dunne darm terecht. Een galsteen in de dunne darm kan een darmafsluiting veroorzaken, ofwel een galsteenileus. Deze aandoening komt vaker voor bij oudere mensen.

Diagnose

Bij een eenvoudige galsteenkoliek zijn de resultaten van bloedonderzoek meestal normaal. Bij acute cholecystitis is het aantal witte bloedcellen verhoogd. Wanneer de galwegen door stenen worden afgesloten, zijn de resultaten van leverfunctietests afwijkend. Uit de tests komt een patroon naar voren van een verstoorde galafscheiding (cholestase), vaak in combinatie met een toename van de hoeveelheid van het pigment bilirubine. Echografie is noodzakelijk. Daarmee kunnen met 95% nauwkeurigheid galstenen in de galblaas worden opgespoord. Hoewel echografie minder nauwkeurig stenen in de galwegen opspoort, kan deze techniek wel aantonen dat de galwegen door de afsluiting zijn uitgezet. Mogelijk zijn andere diagnostische technieken nodig om de galwegen en de alvleesklier te onderzoeken, zoals endoscopische retrograde cholangiopancreatografie (ERCP) (zie Diagnostisch onderzoek bij lever‑ en galblaasaandoeningen:Beeldvormend onderzoekIllustraties), computertomografie (CT) of magnetische kernspinresonantie (MRI).

Behandeling

De meeste mensen met galstenen die geen enkel symptoom veroorzaken (‘stille' galstenen), hoeven niet te worden behandeld. Mensen met terugkerende pijnaanvallen kunnen proberen de consumptie van vet voedsel te mijden of te verminderen, maar met dieetmaatregelen kan pijn of verergering van de symptomen zelden worden voorkomen.

Galstenen in de galblaas: als galstenen in de galblaas hinderlijke, terugkerende pijnaanvallen veroorzaken, kan de arts adviseren de galblaas operatief te laten verwijderen (cholecystectomie). Verwijdering van de galblaas heeft geen gevolgen voor de spijsvertering. Na de ingreep zijn geen speciale dieetbeperkingen nodig. Tijdens de cholecystectomie kan de chirurg controleren of er stenen in de galwegen aanwezig zijn.

Ongeveer 90% van de cholecystectomieën wordt met behulp van een laparoscoop verricht. Bij deze methode (laparoscopische cholecystectomie) wordt de galblaas verwijderd via buisjes die via kleine insnijdingen in de buikwand zijn ingebracht. Laparoscopische cholecystectomie veroorzaakt minder ongemak na de operatie en resulteert in een korter verblijf in het ziekenhuis en een korter ziekteverlof.

Een methode om galstenen te behandelen zonder de galblaas te verwijderen, is het oplossen van galstenen met behulp van geneesmiddelen. Zo kunnen door inname van galzuren ( ursodeoxycholzuur Handelsnaam
Ursochol
) sommige galstenen oplossen. Door dagelijkse behandeling kunnen kleine stenen in 6 maanden worden opgelost. Bij grotere stenen kan dat 1 tot 2 jaar duren. Het aantal succesvolle behandelingen varieert van ongeveer 80% bij zeer kleine stenen tot minder dan 40% bij grote stenen, die het meest voorkomen. Maar zelfs als het lukt de stenen op te lossen, ontstaan bij de helft van de mensen die op deze wijze worden behandeld, binnen 5 jaar opnieuw galstenen.

Galstenen in de galwegen: stenen in de galwegen kunnen ernstige problemen veroorzaken en moeten daarom operatief of met behulp van endoscopische retrograde cholangiopancreatografie (ERCP) worden verwijderd. Bij ERCP wordt een endoscoop (een flexibele kijkbuis met chirurgische hulpstukken) via de mond, slokdarm en maag in de twaalfvingerige darm ingebracht. (zie Diagnostisch onderzoek bij lever‑ en galblaasaandoeningen:Beeldvormend onderzoekIllustraties)

Door de endoscoop wordt een dunne katheter in de sfincter van Oddi en omhoog de galbuis ingeschoven. Vervolgens wordt via de katheter een contrastmiddel (een op röntgenfoto's zichtbare kleurstof) in de galwegen gespoten, waarna röntgenfoto's worden gemaakt om eventuele afwijkingen vast te stellen.

Tijdens ERCP kunnen de meeste stenen uit de galbuis worden verwijderd. Met een via de endoscoop ingebracht instrument wordt het onderste gedeelte van de galbuis ingesneden, op de plaats waar deze uitmondt in de twaalfvingerige darm (endoscopische sfincterotomie). Soms komen de stenen vanzelf in de twaalfvingerige darm terecht zodra de galbuisinsnijding wordt gemaakt. Als dat niet gebeurt, wordt een ‘mandje' in de galwegen ingebracht om de steen in te sluiten. Het mandje wordt vervolgens via de endoscoop verwijderd. Wanneer de insnijding is aangebracht, is de sfincter van Oddi (tussen de galwegen en de twaalfvingerige darm) voldoende geopend om eventuele toekomstige stenen die de galbuis zouden kunnen verstoppen, vanzelf in de dunne darm terecht te laten komen zodat ze uiteindelijk met de ontlasting het lichaam verlaten.

ERCP in combinatie met endoscopische sfincterotomie is succesvol bij 90% van de patiënten. Galstenen in de galblaas kunnen met deze techniek niet worden verwijderd. Minder dan 1% van de mensen die deze ingreep ondergaat, overlijdt en bij 3 tot 7% ontstaan complicaties, waardoor deze techniek veiliger is dan een openbuikoperatie en operatieve exploratie van de galbuis. Directe complicaties zijn onder meer bloedingen, ontsteking van de alvleesklier (pancreatitis) en perforatie of infectie van de galwegen. Bij 2 tot 6% van de mensen bij wie deze ingreep wordt uitgevoerd, vernauwen de ontstoken gangen zich (strictuur). Op deze plaats kunnen in de toekomst stenen ontstaan.

Bij de meeste mensen die ERCP en endoscopische sfincterotomie hebben ondergaan, moet later de galblaas worden verwijderd. Zo niet, dan lopen ze later het risico van acute galblaasproblemen of kunnen er stenen in het galwegsysteem terechtkomen, met terugkerende afsluiting tot gevolg.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Cholecystitis

Volgende: Tumoren van de galwegen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer