MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Introductie

Ondervoeding is een tekort aan calorieën of aan een of meer essentiële voedingsstoffen.

Bij ondervoeding denkt men gewoonlijk in de eerste plaats aan een tekort aan calorieën (dat wil zeggen de totale voedselinname) of aan eiwit. Tekorten aan vitaminen en mineralen worden doorgaans beschouwd als afzonderlijke stoornissen. Wanneer er echter een tekort aan calorieën bestaat, geldt dat waarschijnlijk ook voor vitaminen en mineralen.

In geïndustrialiseerde landen komt ondervoeding veel minder voor dan overvoeding (waarbij er te veel calorieën of te veel van een bepaalde voedingsstof, zoals eiwit, vet, een vitamine of mineraal of een ander voedingssupplement, wordt opgenomen). Ondervoeding komt echter wel degelijk voor in deze landen, vooral bij mensen die erg arm zijn, vooral dak- en thuislozen, en bij patiënten met psychiatrische aandoeningen. Ook bij ernstig zieken is het mogelijk dat ze niet voldoende voedsel kunnen eten door gebrek aan eetlust of doordat de behoefte van het lichaam aan voedingsstoffen sterk verhoogd is.

Ongeveer 20% van alleenstaande, zelfstandig wonende 75-plussers krijgt minder dan 1500 calorieën per dag binnen, wat onvoldoende is voor een toereikende voeding: er dreigt dan een tekort aan micronutriënten. Ongeveer de helft van de ouderen in ziekenhuizen en verzorgingstehuizen krijgt niet voldoende calorieën binnen. Een tekort aan calorieën is voorts de belangrijkste oorzaak van kindersterfte in ontwikkelingslanden.

Een ernstig tekort aan calorieën veroorzaakt een aandoening die ‘marasmus' wordt genoemd. Marasmus komt in veel ontwikkelingslanden algemeen voor. Deze aandoening treedt meestal op bij zuigelingen en zeer jonge kinderen, die vaak sterk vermageren en uitdrogen. Borstvoeding beschermt gewoonlijk tegen marasmus. Een ernstig tekort aan voornamelijk eiwitten veroorzaakt een aandoening die ‘kwasjiorkor' wordt genoemd. Kwasjiorkor komt minder vaak voor dan marasmus. Dit woord is van Afrikaanse oorsprong en betekent ‘rode knaap', omdat kinderen met kwasjiorkor dun haar hebben met een rode glans. Kwasjiorkor treedt vaak op bij een eerstgeboren kind wanneer er een tweede kind wordt geboren dat aan de moederborst de plaats van het eerstgeboren kind inneemt. Doordat kinderen vaak kwasjiorkor krijgen nadat ze zijn gespeend, zijn deze kinderen meestal ouder dan die met marasmus. Kwasjiorkor komt doorgaans alleen voor in bepaalde delen van de wereld waar het hoofdvoedsel en de voedingsmiddelen die worden gebruikt om baby's te spenen te weinig eiwit bevatten, hoewel ze voldoende calorieën leveren in de vorm van koolhydraten. Voorbeelden van dergelijke voedingsmiddelen zijn yam, cassave, rijst, zoete aardappels en bakbananen. Kwasjiorkor kan echter bij iedereen ontstaan bij wie de voeding voornamelijk uit koolhydraten bestaat. Bij kwasjiorkor wordt als gevolg van een lage eiwit(albumine)concentratie in het bloed vocht vastgehouden, zodat personen met deze aandoening er pafferig en opgezwollen uitzien.

Bij een tekort aan zowel calorieën als eiwitten wordt de hierdoor veroorzaakte aandoening ‘protein-energy malnutrition' (PEM) genoemd.

Verhongering is de extreemste vorm van ondervoeding. Verhongering is het gevolg van een gedeeltelijk of totaal gebrek aan essentiële voedingsstoffen gedurende lange tijd.

Oorzaken

Ondervoeding kan het gevolg zijn van het niet beschikbaar zijn van voedsel, van aandoeningen die de inname, stofwisseling of opname van voedingsstoffen verstoren of van een sterk verhoogde behoefte aan calorieën.

Het gebruik van bepaalde geneesmiddelen kan bijdragen aan ondervoeding. Veel geneesmiddelen remmen de eetlust. Sommige geneesmiddelen veroorzaken misselijkheid, met verminderde eetlust als gevolg. Andere geneesmiddelen (zoals thyroxine en theofylline Handelsnaam
Euphyllin
Theolair
) verhogen de stofwisselingsactiviteit en weer andere (zoals cholestyramine) verstoren de opname van voedingsstoffen in de darm, wat tot malabsorptie leidt. Ook kan het staken van bepaalde geneesmiddelen (zoals kalmerende middelen en antipsychotica) of het stoppen met alcoholgebruik tot gewichtsverlies leiden.

Talrijke factoren werken samen bij het ontstaan van ondervoeding bij ouderen. Ouderen eten vaak minder. Ouderen die voor zichzelf moeten zorgen en dus alleen eten, zullen mogelijk minder geneigd zijn maaltijden klaar te maken en te gebruiken. Lichamelijke stoornissen en verminderde mobiliteit kunnen problemen opleveren bij het boodschappen doen of bereiden van maaltijden. Ouderen lijken minder voedsel nodig te hebben om zich verzadigd te voelen, mogelijk doordat als gevolg van leeftijdsgebonden chemische veranderingen hun eetlust is verminderd en er eerder een gevoel van verzadiging optreedt. Door een verminderd geur- en smaakvermogen kan men minder genieten van eten. Ook neemt met de leeftijd het vermogen af om bepaalde voedingsstoffen op te nemen.

Veel aandoeningen die vaker bij ouderen voorkomen, kunnen bijdragen aan ondervoeding. Een cerebrovasculair accident (CVA, ‘beroerte') of bevingen kunnen het kauwen, slikken of bereiden van voedsel bemoeilijken. Bij onophoudelijk beven, zoals bij de ziekte van Parkinson, leidt dit tot gewichtsverlies door verhoging van de snelheid waarmee het lichaam calorieën verbruikt (stofwisselingssnelheid). Gebitsproblemen, zoals een slecht passend kunstgebit, of tandvleesaandoeningen, kunnen het eten pijnlijk maken of bemoeilijken. Malabsorptie (verstoorde opname), kanker (waardoor de eetlust kan afnemen en de caloriebehoefte van het lichaam kan toenemen) en depressie (waardoor de eetlust kan zijn verminderd) komen bij ouderen vaak voor. Demente personen kunnen vergeten te eten en daardoor gewicht verliezen. Personen met dementie in een vergevorderd stadium kunnen niet zelfstandig eten en kunnen weigeren dat anderen hen hierbij helpen. Ouderen gebruiken ook veel geneesmiddelen die tot gewichtsverlies kunnen leiden.

illustrative-material.sidebar 1

Oorzaken van ondervoeding

onvoldoende beschikbaarheid van voedsel

  • armoede
  • hongersnood
  • onvermogen om aan voedsel te komen (bijvoorbeeld door ontbreken van vervoer of door invaliditeit)
  • vrijwillige beperking van het aantal calorëeen (zoals bij een streng vermageringsdieet of vasten)
aandoeningen die de inname, stofwisseling of opname van voedingsstoffen verstoren
  • malabsorptie (verstoorde opname)
  • chronische darmontsteking
  • leveraandoeningen
  • anorexia nervosa
  • depressie
  • alcoholisme
  • druggebruik
sterk verhoogde caloriebehoefte
  • kanker
  • verwonding, zoals brandwonden
  • operatie
  • overactieve schildklier (hyperthyreoïdie)
  • infecties
  • nieraandoeningen
  • hoge koorts
  • zware lichamelijke inspanning, zoals revalidatie of training voor sportwedstrijd
  • zwangerschap en borstvoeding
  • groei en ontwikkeling bij zuigelingen, kinderen en adolescenten

Symptomen

Het meest in het oog springende teken van een tekort aan calorieën is het verlies van lichaamsvet (vetweefsel). Wanneer er niet genoeg calorieën worden ingenomen, breekt het lichaam de eigen weefsels af en gebruikt het deze als caloriebron (te vergelijken met het verbranden van de meubels om het huis warm te houden). Het verlies van vet is vaak het eerst zichtbaar in het gezicht. De wangen zijn ingevallen en de ogen lijken diep in de kassen te liggen.

Bij een ernstig tekort aan calorieën kunnen volwassenen tot de helft van hun lichaamsgewicht verliezen en kinderen zelfs nog meer. Botten steken uit en de huid wordt dun, droog, weinig elastisch en bleek en voelt koud aan. Het haar wordt droog en dun en valt gemakkelijk uit. Wanneer het vermageren een gevolg van een aandoening is, spreekt men van ‘cachexie'.

Andere symptomen zijn vermoeidheid, niet warm kunnen blijven, diarree, geen eetlust, prikkelbaarheid en apathie die soms leidt tot reactieloosheid (stupor). Bij ernstig ondervoede kinderen kan de gedragsontwikkeling uitgesproken traag verlopen en kan geestelijke achterstand optreden. Van bepaalde typen witte bloedcellen neemt het aantal af, te vergelijken met wat gebeurt bij aidspatiënten. Als gevolg daarvan verzwakt het immuunsysteem, waardoor het infectierisico toeneemt. Als het tekort aan calorieën lang aanhoudt, kan er hart- en ademhalingsinsufficiëntie ontstaan. Volledige verhongering (wanneer er geen voedsel wordt gebruikt) leidt binnen 8 tot 12 weken tot overlijden.

illustrative-material.table-short 1

HOE VERHONGERING HET LICHAAM AANTAST

systeem

symptomen

spijsverteringsstelsel

geringe maagzuurproductie

frequente diarree, vaak met dodelijke afloop

cardiovasculaire stelsel (hart en bloedvaten)

verminderde omvang van het hart, verminderde hoeveelheid weggepompt bloed, vertraagde hartslag en lage bloeddruk

uiteindelijk hartfalen

ademhalingsstelsel

langzame ademhaling, verminderde longcapaciteit

uiteindelijk ademhalingsinsufficiëntie

voortplantingsstelsel

verminderde omvang van de eierstokken bij vrouwen en van de zaadballen bij mannen

verdwijnen van de geslachtsdrift (libido)

stoppen van de menstruatie

zenuwstelsel

apathie en geprikkeldheid, hoewel het verstandelijk vermogen intact blijft

spierstelsel

gering vermogen tot inspanning of werk door verminderde spieromvang en spierkracht

hematologische stelsel (bloed)

bloedarmoede (anemie)

stofwisseling

lage lichaamstemperatuur (hypothermie), draagt vaak bij tot overlijden

vloeistofophoping in de huid, voornamelijk als gevolg van verdwijning van onderhuids vet

immuunsysteem

verminderde weerstand tegen infecties en verminderde wondgenezing

Diagnose en behandeling

Een arts kan de diagnose ‘ondervoeding' gewoonlijk stellen op basis van iemands uiterlijk. Er kan bloedonderzoek worden uitgevoerd om de albuminespiegel te bepalen. Deze waarde daalt wanneer iemand niet voldoende eiwit inneemt. Er kunnen lichamelijk onderzoek, röntgenonderzoek en bloedonderzoek worden uitgevoerd om de gevolgen van de ondervoeding te bepalen.

Voor de meeste mensen bestaat de behandeling uit het geleidelijk ophogen van het aantal in te nemen calorieën. De beste methode is meerdere kleine voedzame maaltijden per dag te gebruiken. Bij mensen die gedeeltelijk zijn verhongerd, worden voorzichtig verschillende voedingsmiddelen opnieuw geïntroduceerd.

Voedingsmethoden: soms kunnen voedingsmiddelen niet via de mond worden gegeven. In die gevallen kunnen voedingsmiddelen worden toegediend via een sonde (slang) die meestal via de neus wordt ingebracht in het maag-darmkanaal of in een ader (intraveneus).

Sondevoeding kan worden toegepast om mensen te voeden bij wie het maag-darmkanaal normaal functioneert, maar die niet voldoende kunnen eten om aan hun voedingsbehoeften te voldoen (zoals patiënten met ernstige brandwonden) of die niet kunnen slikken (zoals personen die een CVA hebben gehad). Voor sondevoeding wordt een dun plastic voedingsslangetje (neus-maagsonde of nasogastrische sonde) via de neus voorzichtig door de keel tot in de maag of dunne darm ingebracht. Als sondevoeding langdurig moet worden toegepast, kan de sonde direct in de maag of dunne darm worden geplaatst via een kleine insnijding in de buikwand.

Voeding die via een sonde wordt toegediend (enterale voeding), moet alle voedingsstoffen bevatten die iemand nodig heeft. Er is speciaal vloeibaar voedsel verkrijgbaar, maar er kan ook vast voedsel worden fijngemalen en via een neus-maagsonde toegediend. Vloeibaar voedsel kan langzaam en continu worden toegediend of om de paar uur als een geconcentreerdere hoeveelheid in één keer.

Sondevoeding veroorzaakt veel problemen en deze kunnen levensbedreigend zijn. De meest voorkomende complicatie bij ouderen is de inhalatie (aspiratie) van voedsel in de longen, waardoor longontsteking ontstaat. Het risico van aspiratie van voedsel kan worden verminderd door het hoofdeinde van het bed hoger te plaatsen om daarmee te kans van terugvloeien van voedsel (regurgitatie) te verkleinen. Ook is het beter om het vloeibare voedsel langzaam toe te dienen. Sommige mensen hebben diarree en een onaangenaam gevoel in de buik. Het risico van toediening van te veel water en van voedsel met een onevenwichtige samenstelling kan worden verminderd door de benodigde hoeveelheid water te berekenen en de concentratie van de opgeloste mineralen (elektrolyten) en ureum in het bloed te meten. Bovendien kleven er in sommige gevallen ethische vragen aan sondevoeding. Te denken valt aan patiënten die in een terminale fase via een sonde worden gevoed. De vraag rijst dan wanneer deze situatie moet worden beëindigd.

Intraveneuze voeding wordt toegepast wanneer het maag-darmkanaal onvoldoende in staat is voedingsstoffen op te nemen (bijvoorbeeld bij patiënten met malabsorptie) of tijdelijk vrij van voedsel moet blijven (bijvoorbeeld bij patiënten met ernstige chronische darmontstekingen of ernstige pancreatitis). Intraveneus toegediende voeding (parenterale voeding) kan gedeeltelijk (gedeeltelijke parenterale voeding) of geheel (totale parenterale voeding) voorzien in de behoefte aan voedingsstoffen. Totale parenterale voeding vergt een grote intraveneuze slang (katheter). Daarom wordt deze ingebracht in een grote ader, zoals de ondersleutelbeenader (vena subclavia), die onder het sleutelbeen ligt.

Bij intraveneuze voeding vormt infectie steeds een risico doordat de katheter gewoonlijk lange tijd op zijn plaats blijft en de vloeibare voeding die door de katheter stroomt veel glucose (een suiker) bevat, wat bacteriegroei bevordert. Mensen die totale parenterale voeding krijgen toegediend, worden nauwlettend gecontroleerd op tekenen van infectie evenals op veranderingen in het gewicht en de urineproductie.

Personen die ernstig ondervoed zijn, krijgen soms geneesmiddelen als recombinant groeihormoon, medroxyprogesteron Handelsnaam
Provera
Depo‑Provera
Farlutal
(een progesteron dat wordt gebruikt als anticonceptiemiddel) of dronabinol (gebruikt tegen misselijkheid) om gewichtstoename te bevorderen.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven
Illustraties
Tabellen
Disclaimer