MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Introductie

De schildklier is een kleine klier (ongeveer 5 cm breed) die in de hals onder de adamsappel ligt, direct onder de huid. De twee helften (kwabben) van de klier zijn in het midden met elkaar verbonden via de zogenoemde ‘istmus'. Hierdoor heeft de schildklier de vorm van een vlinderdas. Normaal is de schildklier niet zichtbaar en nauwelijks voelbaar, maar een vergrote schildklier is door de arts gemakkelijk te voelen. Er kan dan een duidelijke zwelling (kropgezwel, struma) onder of naast de adamsappel optreden. Soms is er één of zijn er meerdere knobbels in de schildklier voelbaar, de zogenoemde ‘nodulus'.

De schildklier scheidt schildklierhormonen af die de snelheid van chemische processen in het lichaam regelen (de stofwisselingssnelheid). De stofwisselingssnelheid wordt door de schildklierhormonen op twee manieren beïnvloed: aan de ene kant door vrijwel alle lichaamsweefsels aan te zetten tot de productie van eiwitten en aan de andere kant door vergroting van de hoeveelheid zuurstof die de cellen gebruiken. Schildklierhormonen beïnvloeden tal van vitale lichaamsfuncties: de hart- en ademhalingsfrequentie, de snelheid waarmee calorieën worden verbrand, onderhoud van de huid, groei, warmteproductie, vruchtbaarheid en spijsvertering.

De twee schildklierhormonen zijn T4 (thyroxine) en T3 (trijodothyronine). Thyroxine (T4), het belangrijke hormoon dat door de schildklier wordt geproduceerd, heeft slechts weinig of geen invloed op de snelheid van de stofwisseling. In plaats daarvan wordt T4 omgezet in T3, het actiefste van de twee hormonen. De omzetting van T4 in T3 vindt in de lever en in andere weefsels plaats. Er zijn veel factoren die de omzetting van T4 in T3 beïnvloeden, waaronder de wisselende behoeften van het lichaam en de aan- of afwezigheid van andere aandoeningen.

Om schildklierhormonen te produceren heeft de schildklier jodium nodig, een element dat in voedsel en water voorkomt. De schildklier bindt jodium en gebruikt het bij de productie van schildklierhormonen. Wanneer de schildklierhormonen hun functie hebben volbracht, komt een kleine hoeveelheid van het jodium in de hormonen vrij en keert terug naar de schildklier, waar het opnieuw voor de productie van schildklierhormonen wordt gebruikt. Merkwaardig is dat de schildklier minder schildklierhormonen produceert als deze wordt blootgesteld aan hoge jodiumspiegels die via het bloed worden aangevoerd. Men kan de schildklierfunctie zelfs met hoge jodiumdoses volledig blokkeren.

Het lichaam bezit een complex mechanisme voor het bijregelen van de spiegel van schildklierhormonen. Eerst scheidt de hypothalamus, die in de hersenen juist boven de hypofyse ligt, TRH (thyrotropin-releasing hormone) af, dat de hypofyse aanzet tot het produceren van thyrotropine (thyroid-stimulating hormone, TSH). Zoals de naam al aangeeft, zet thyrotropine de schildklier aan tot het produceren van schildklierhormonen. De hypofyse vertraagt of versnelt de afgifte van thyrotropine, naar gelang de spiegels van in het bloed circulerende schildklierhormonen te hoog of te laag worden.

De schildklier produceert tevens het hormoon calcitonine Handelsnaam
Calcitonine
, dat theoretisch de opname van calcium door de botten bevordert en de botten zo sterker kan maken, maar waarvan in feite het fysiologisch belang onbekend is.

illustrative-material.figure-short 1

Ligging van de schildklier

Ligging van de schildklier

Diagnostische onderzoeken

Om te bepalen hoe goed de schildklier werkt, beschikt de arts over een aantal onderzoeksmethoden. Meestal wordt de schildklierfunctie eerst getest door meting van de thyrotropinespiegel. Dit is vaak ook de beste onderzoeksmethode. Omdat dit hormoon de schildklier stimuleert, zijn de thyrotropinespiegels hoog wanneer de werking van de schildklier onvoldoende is (en deze dus meer stimulatie nodig heeft) en laag wanneer de schildklier overactief is (en dus minder stimulatie nodig heeft). In de zeldzame gevallen waarin de hypofyse niet normaal functioneert, geeft de thyrotropinespiegel echter geen betrouwbaar beeld van de schildklierfunctie.

De arts kan ook de spiegel van schildklierhormonen in het bloed meten. In zeldzame gevallen wordt tevens de spiegel gemeten van het eiwit TBG (thyroxinebindend globuline) aangezien dit eiwit de schildklierhormonen in het bloed bindt. Afwijkende TBG-spiegels kunnen tot een verkeerde interpretatie van iemands totale hormoonspiegels leiden, maar hebben geen invloed op de spiegels van ongebonden (vrije) hormonen (de werkzame vormen). De TBG-spiegel is lager bij mensen met een nieraandoening of bij mensen die anabole steroïden gebruiken. Vrouwen die zwanger zijn of de pil of een andere vorm van oestrogeen gebruiken en patiënten in een vroege fase van hepatitis hebben een verhoogde TBG-spiegel en dus totaal T4.

Als de arts één of meer knobbels (noduli) in de schildklier voelt, kan hij een scan laten maken. Bij een echografie worden geluidsgolven gebruikt om de grootte van de klier te meten en om te bepalen of de knobbel massief is of met vocht is gevuld (cyste). Een andere mogelijkheid is schildklierscintigrafie, die met radioactieve jodiumisotopen of met technetium wordt uitgevoerd. Op het resulterende beeld van de schildklier zijn eventuele afwijkingen zichtbaar. Schildklierscintigrafie kan de arts ook helpen te bepalen of een bepaald gebied van de schildklier normaal functioneert, overactief of onderactief is in vergelijking met de rest van de klier.

Aanvullend onderzoek kan nodig zijn in de zeldzame gevallen waarin een arts niet kan vaststellen of de oorzaak van het probleem is gelegen in de schildklier of in de hypofyse. Bij een van deze methoden wordt TRH intraveneus toegediend, waarna de thyrotropinespiegel in het bloed wordt gemeten om de reactie van de hypofyse te bepalen. Als de geringe productie van schildklierhormoon in de schildklier is gelegen, is de thyrotropinespiegel verhoogd; als zij in de hypofyse is gelegen, is zij verlaagd. Als de vermeerderde uitscheiding van schildklierhormoon in de schildklier is gelegen (wat bijna altijd het geval is), is de thyrotropinespiegel verlaagd. Slechts zelden is ter onderscheiding van een stoornis in schildklier of hypofyse een TRH-test nodig. Bij vermoeden van kanker van de schildklier wordt een biopsie uitgevoerd. Wanneer medullaire schildklierkanker wordt vermoed, wordt de calcitoninespiegel gecontroleerd aangezien bij dergelijke vormen van kanker altijd overmatig calcitonine Handelsnaam
Calcitonine
wordt afgescheiden.

illustrative-material.sidebar 1

Euthyroid sick syndrome

Bij euthyroid sick syndrome zijn de resultaten van schildklieronderzoek afwijkend, zelfs bij normale werking van de schildklier.

Euthyroid sick syndrome komt vaak voor bij patiënten met een andere ernstige aandoening dan van de schildklier. Wanneer iemand ziek of ondervoed is of een operatie heeft ondergaan, is de omzetting van de T4-vorm van het schildklierhormoon in de actieve T3-vorm verstoord. Er vindt stapeling plaats van grote hoeveelheden reverse T3, een inactieve vorm van het schildklierhormoon. Ondanks de abnormale omzetting blijven de werking van de schildklier en de regulering van de stofwisseling normaal. Aangezien er geen probleem is met de schildklier, is behandeling niet nodig. Wanneer de onderliggende aandoening verdwijnt, geeft laboratoriumonderzoek normale resultaten.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Volgende: Hyperthyreoïdie

Illustraties
Tabellen
Disclaimer