MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Samenstelling van het bloed

Plasma

Plasma is het vloeibare bestanddeel van bloed waarin de rode bloedcellen, de witte bloedcellen en de bloedplaatjes zweven. Plasma vormt ongeveer de helft van het volume van het bloed en bestaat voor het grootste deel uit water met daarin opgelost zouten (elektrolyten) en eiwitten. Het belangrijkste plasma-eiwit is albumine. Albumine zorgt er mede voor dat er geen vocht uit de bloedvaten naar de weefsels lekt. Verder bindt albumine zich aan stoffen als hormonen en bepaalde geneesmiddelen en zorgt zo voor het vervoer daarvan. Andere plasma-eiwitten zijn antilichamen (immunoglobulinen: stoffen die het lichaam actief tegen bacteriën, virussen, schimmels en kankercellen verdedigen) en stollingsfactoren, waarmee bloedingen onder controle worden gehouden.

Plasma heeft nog meer functies. Het werkt als reservoir dat watertekort in weefsels aanvult en een teveel aan water uit weefsels opneemt. Wanneer lichaamsweefsels meer vocht nodig hebben, wordt in die behoefte als eerste voorzien met water uit het plasma. Plasma voorkomt ook dat bloedvaten dichtklappen en verstopt raken en helpt bij het handhaven van de bloeddruk en de bloedsomloop simpelweg door de bloedvaten te vullen en er constant doorheen te stromen. Verder speelt plasma een rol bij het naar behoefte verwarmen en afkoelen van het lichaam. Het verwarmen gebeurt door warmte uit lichaamsweefsels te vervoeren naar plaatsen waar warmte nodig is en het afkoelen vindt plaats doordat plasma door lichaamsdelen stroomt waar warmte gemakkelijk aan de omgeving wordt afgestaan, zoals de armen, de benen en het hoofd.

Rode bloedcellen

Rode bloedcellen (erytrocyten) maken 40% uit van het volume van het bloed. Rode bloedcellen bevatten hemoglobine, een eiwit dat bloed zijn rode kleur geeft en ervoor zorgt dat zuurstof vanuit de longen naar alle lichaamsweefsels wordt vervoerd. Zuurstof wordt door cellen gebruikt om de energie te produceren die het lichaam nodig heeft, waarbij kooldioxide als afvalproduct ontstaat. Rode bloedcellen transporteren het kooldioxide uit de weefsels terug naar de longen. Wanneer het aantal rode bloedcellen te laag is (anemie), vervoert het bloed minder zuurstof en daardoor ontstaan vermoeidheid en zwakte. Wanneer het aantal rode bloedcellen te hoog is (polycytemie), kan het bloed te dik worden, waardoor het gemakkelijker stolt en het risico van een hartinfarct en een CVA (cerebrovasculair accident, ‘beroerte') toeneemt.

Witte bloedcellen

Er zijn minder witte bloedcellen (leukocyten) dan rode bloedcellen: de verhouding tussen de aantallen witte en rode bloedcellen is ongeveer 1:700. Witte bloedcellen zijn hoofdzakelijk verantwoordelijk voor de verdediging van het lichaam tegen infecties. Er zijn vijf hoofdklassen witte bloedcellen. Neutrofiele granulocyten, de meest talrijke, bestrijden infecties door bacteriën en schimmels te doden en op te nemen en door vreemde stoffen op te nemen. Eosinofiele granulocyten doden parasieten, vernietigen kankercellen en zijn betrokken bij allergische reacties. Basofiele granulocyten spelen ook een rol bij allergische reacties. Lymfocyten kennen drie hoofdtypen: T-lymfocyten en natural-killer-cellen, die een rol spelen bij de bescherming tegen virusinfecties en die sommige kankercellen kunnen opsporen en vernietigen, en B-lymfocyten, die zich ontwikkelen tot cellen die antilichamen produceren. Monocyten nemen dode of beschadigde cellen op en spelen een rol in de afweer tegen veel infectieuze organismen.

Sommige witte bloedcellen stromen gemakkelijk mee in de bloedstroom, andere hechten zich aan de bloedvatwand of dringen daar zelfs doorheen en komen in andere weefsels terecht. Wanneer witte bloedcellen op een plaats met een infectie of een ander probleem terechtkomen, scheiden ze stoffen af die nog meer witte bloedcellen aantrekken. De witte bloedcellen fungeren als een leger dat door het gehele lichaam is verspreid, maar in een oogwenk paraat is om de aanval van een vreemd organisme af te slaan. Witte bloedcellen doen dat door organismen te omringen en op te nemen en door antilichamen aan te maken die zich aan organismen hechten zodat deze gemakkelijker kunnen worden vernietigd. (zie Biologie van het afweersysteem: Introductie)

Wanneer het aantal witte bloedcellen te laag is (leukopenie), krijgen infecties meer kans. Een te groot aantal witte bloedcellen (leukocytose) hoeft niet direct symptomen te veroorzaken, maar kan wel op een infectie of een ziekte als leukemie duiden.

Bloedplaatjes

Bloedplaatjes (trombocyten) zijn celachtige deeltjes die kleiner zijn dan rode of witte bloedcellen. Er zijn minder bloedplaatjes dan rode bloedcellen, de verhouding is ongeveer 1 bloedplaatje per 20 rode bloedcellen. Bloedplaatjes spelen een rol bij het stollingsproces door zich op de plaats van een bloeding te verzamelen en daar samen te klonteren. Op die manier ontstaat een prop waarmee het bloedvat kan worden gedicht. Tegelijkertijd produceren de bloedplaatjes stoffen die de stolselvorming verder bevorderen. Wanneer er te weinig bloedplaatjes zijn (trombocytopenie), neemt de kans op blauwe plekken en abnormale bloedingen toe. Wanneer er te veel bloedplaatjes zijn (trombocytemie), kunnen er te veel stolsels ontstaan, wat een hartinfarct of een CVA (cerebrovasculair accident, ‘beroerte') kan veroorzaken.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Gevolgen van het ouder worden

Volgende: Vorming van bloedcellen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer