MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Diagnose

De diagnostiek omvat screening en (lichamelijk) onderzoek. Nadat de diagnose kanker is gesteld, volgt stagering van de tumor. Stagering is een manier om vast te leggen hoever de ziekte gevorderd is. Daarbij worden criteria gehanteerd als de grootte van de tumor en de mate van uitzaaiing naar andere organen.

Screening

Screeningsonderzoek is erop gericht de mogelijkheid van kanker vast te stellen voordat er symptomen optreden. Screeningsonderzoek geeft meestal geen uitsluitsel: met nadere onderzoeken en tests moet de diagnose worden bevestigd of weerlegd. Diagnostisch onderzoek wordt uitgevoerd wanneer een arts vermoedt dat een patiënt kanker heeft.

Met screeningsonderzoek kunnen levens worden gered. Een nadeel is dat het onderzoek duur kan zijn en soms negatieve psychische of lichamelijke effecten heeft. Screeningsonderzoek kan fout-positieve resultaten opleveren: uitslagen die op kanker duiden terwijl daarvan geen sprake is. Een fout-positief resultaat kan voor onnodige psychische stress zorgen en tot andere, dure en riskante onderzoeken leiden. Screeningsonderzoek kan eveneens fout-negatieve resultaten opleveren: uitslagen die geen aanwijzingen voor kanker opleveren terwijl de patiënt wel kanker heeft. Een fout-negatief resultaat kan iemand een misplaatst gevoel van zekerheid geven. Om deze redenen wordt het wel of niet uitvoeren van een screeningsonderzoek zorgvuldig afgewogen. De arts probeert vast te stellen of een bepaald persoon een verhoogd risico van kanker heeft, bijvoorbeeld door leeftijd, geslacht, familiegeschiedenis, voorgeschiedenis en manier van leven, voordat wordt besloten welk screeningsonderzoek wordt uitgevoerd.

Twee van de meest toegepaste screeningsonderzoeken bij vrouwen zijn de Papanicolaou-test (ook wel Pap-test genoemd) voor het opsporen van baarmoederhalskanker en mammografie voor het opsporen van borstkanker. Met beide screeningsonderzoeken is het sterftecijfer bij deze vormen van kanker in bepaalde leeftijdscategorieën met succes omlaag gebracht.

Bij mannen is de bepaling van de hoeveelheid prostaatspecifiek antigeen (PSA) in het bloed een vaak uitgevoerd screeningsonderzoek. Het PSA-gehalte is verhoogd bij mannen met prostaatkanker, maar dat is ook het geval bij mannen met goedaardige prostaatvergroting (benigne prostaathypertrofie). Er is nog niet beslist of de PSA-test routinematig moet worden uitgevoerd bij het screenen op prostaatkanker. Het grootste nadeel van dit screeningsonderzoek is dat het veel fout-positieve resultaten oplevert, wat in het algemeen tot invasiever onderzoek leidt.

Bij zowel mannen als vrouwen ouder dan 40 jaar is een vaak uitgevoerd screeningsonderzoek de controle van de ontlasting op bloed dat niet met het blote oog waarneembaar is (occult bloed). Occult bloed in de ontlasting geeft aan dat er in de dikke darm (colon) iets aan de hand is. Dit kan kanker zijn, maar er zijn nog vele andere aandoeningen waarbij de ontlasting kleine hoeveelheden bloed kan bevatten. Ook het gebruik van aspirine of andere niet-steroïde anti-inflammatoire geneesmiddelen (NSAID's), of zelfs het eten van rood vlees, kan tijdelijk een positieve uitslag geven. Af en toe komen positieve uitslagen voor na het eten van gevogelte, vis, bepaalde verse vruchten en groenten (rapen, bloemkool, rode radijs, broccoli, meloen, mierikswortel en pastinaak) en vitamine C.

Sommige screeningsonderzoeken kunnen thuis worden uitgevoerd. Het maandelijkse zelfonderzoek van de borsten is bijvoorbeeld een waardevol hulpmiddel bij het opsporen van borstkanker. Periodiek onderzoek van de zaadballen (testes) kan helpen zaadbalkanker op te sporen, een van de best te genezen vormen van kanker, vooral wanneer deze in een vroeg stadium wordt ontdekt. Periodiek onderzoek van de mond op zweren kan helpen bij het opsporen van een mondtumor in een vroeg stadium.

Diagnostisch onderzoek en stagering

Tumormarkers zijn stoffen die door bepaalde tumoren in de bloedbaan worden uitgescheiden. Soms komen tumormarkers echter ook voor in het bloed van mensen die geen kanker hebben. Het vinden van een tumormarker betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat er sprake van kanker is. Bij mensen die kanker hebben, kunnen tumormarkers echter worden gebruikt om het effect van de behandeling te controleren en om een eventueel recidief van de tumor op te sporen. De concentratie tumormarkers neemt toe als de tumor opnieuw optreedt.

Wanneer de diagnose kanker wordt gesteld, wordt stageringsonderzoek uitgevoerd om vast te stellen in hoeverre de ziekte is voortgeschreden. Hierbij wordt gekeken naar de plaats van de tumor, grootte, ingroei in nabijgelegen structuren en uitzaaiing naar andere delen van het lichaam. Patiënten met kanker worden tijdens het stageringsonderzoek soms ongeduldig en angstig en ze willen graag dat de behandeling onmiddellijk wordt gestart. Stagering is echter een belangrijk hulpmiddel bij het vaststellen van de beste behandeling en bij het bepalen van de prognose.

Om vast te stellen of de tumor is uitgezaaid, kan bij het stageringsonderzoek worden gebruikgemaakt van beeldvormend onderzoek als een botscan, CT-scan (computertomografie) en MRI-scan (magnetische kernspinresonantie).

Echografie is een pijnloos, niet-invasief onderzoek waarbij met geluidsgolven de structuur van inwendige organen in beeld wordt gebracht. Bij bepaalde vormen van kanker, in het bijzonder van de nieren, de lever, de prostaat en tumoren in het bekken, is dit een zinvol onderzoek om de tumor en de grootte daarvan vast te stellen. Echografie kan ook worden toegepast bij tumorstagering. Verder wordt echografie vaak gebruikt voor het geleiden van de naald wanneer bij een naaldbiopsie weefselmonsters worden genomen.

Computertomografie (CT) wordt gebruikt bij het opsporen van tumoren in vele delen van het lichaam, waaronder de hersenen, de longen en bepaalde buikorganen, zoals bijnieren, lymfeklieren, lever en milt. Deze techniek is zinvol voor zowel de diagnostiek als de tumorstagering. Magnetische kernspinresonantie (MRI) is een alternatief voor computertomografie. Bij MRI levert een zeer krachtig magnetisch veld buitengewoon gedetailleerde beelden van anatomische structuren. MRI is met name waardevol bij het opsporen van tumoren in hersenen, botten en ruggenmerg. Er wordt hierbij geen röntgenstraling gebruikt en het onderzoek is buitengewoon veilig. MRI wordt vaak toegepast bij mensen die allergisch of anderszins reageren op de radiopake (röntgenologisch zichtbare) kleurstof die gewoonlijk bij computertomografie wordt gebruikt. CT- en MRI-scans hebben grotendeels de plaats ingenomen van de leverscan bij het onderzoek van de lever en van lymfangiografie bij het onderzoek van de lymfeklieren in buik en bekken.

Ook positronemissietomografie (PET) kan worden gebruikt bij de diagnostiek en stagering van kanker. Op een PET-scan wordt een tumor in beeld gebracht door de biochemische processen in het gezwel te meten. Dit onderzoek wordt niet routinematig gebruikt bij de screening op kanker.

Vaak is een biopsie (afnemen van een weefselmonster) nodig om met zekerheid te kunnen vaststellen of een afwijking op een scan daadwerkelijk kanker is. Biopsieën spelen zowel bij diagnostiek als stagering een belangrijke rol. Veel biopsieën kunnen met een naald worden uitgevoerd zonder dat een operatie nodig is. Soms moet er echter wel een operatie worden uitgevoerd om een weefselmonster te verkrijgen. Tijdens een laparotomie (een type buikoperatie) kan de chirurg bijvoorbeeld diep gelegen lymfeklieren wegnemen en tegelijkertijd een tumor van de dikke darm verwijderen. Tijdens de ingreep kan de chirurg de buikholte inspecteren, inclusief de lever, op uitzaaiingen van de tumor. Tijdens een operatie van een patiënt met borstkanker neemt de chirurg een biopt van de lymfeklieren in de oksel om vast te stellen of de tumor is uitgezaaid en of na de ingreep nog verdere behandelingen moeten worden ingesteld. Een operatie waarbij de milt voor onderzoek wordt verwijderd (splenectomie), kan zinvol zijn bij de stagering van de ziekte van Hodgkin.

illustrative-material.sidebar 2

Wat zijn paraneoplastische syndromen?

Paraneoplastische syndromen doen zich voor wanneer een tumor een of meer stoffen produceert die in de bloedbaan circuleren, zoals hormonen, cytokinen (een bepaald eiwit) of andere eiwitten. Deze stoffen kunnen de functie van andere weefsels en organen aantasten, waardoor een grote verscheidenheid aan symptomen ontstaat die men ‘paraneoplastische syndromen' noemt. Sommige stoffen beschadigen organen of weefsels doordat ze een auto-immuunreactie veroorzaken. Andere stoffen werken direct in op de functie van verschillende organen of vernietigen zelfs weefsels. Er kunnen symptomen ontstaan als een laag bloedglucosegehalte, diarree en hoge bloeddruk.

Als perifere zenuwen hun functie verliezen, ontstaat polyneuropathie, met als gevolg zwakte, gevoelsverlies en vertraagde reflexen. Subacute sensorische neuropathie is een zeldzame vorm van polyneuropathie die soms al ontstaat voordat de kanker wordt vastgesteld. Hierbij ontstaan een invaliderend gevoelsverlies en coördinatiestoornissen, maar weinig zwakte. Subacute cerebellaire degeneratie komt voor bij vrouwen met borst- of eierstokkanker. Deze aandoening kan worden veroorzaakt door een auto-antilichaam (een antilichaam dat de lichaamseigen weefsels aanvalt) dat het cerebellum (de kleine hersenen) vernietigt. De symptomen, die bestaan uit een onzekere gang, slechte coördinatie van armen en benen, spraakproblemen, duizeligheid en dubbelzien, kunnen weken, maanden of zelfs jaren vóór vaststelling van de primaire tumor optreden. Subacute cerebellaire degeneratie verergert gewoonlijk in enkele weken of maanden en leidt vaak tot ernstige invaliditeit.

Krampachtige samentrekkingen van ogen en spieren, en een slechte coördinatie van de lichaamsbewegingen kunnen voorkomen bij kinderen met een neuroblastoom. In de spieren van de romp, de armen en de benen ontstaan oncontroleerbare oogbewegingen (opsoclonus) en snelle bliksemachtige spiertrekkingen (myoclonus).

Subacute motorische neuropathie kan voorkomen bij patiënten met de ziekte van Hodgkin. De zenuwcellen van het ruggenmerg worden indirect aangetast, waardoor de armen en benen verzwakken zoals ook het geval is bij polyneuropathie. Polymyositis uit zich in spierzwakte en ‑pijn als gevolg van spierontsteking. Wanneer polymyositis vergezeld gaat van een huidontsteking, wordt de aandoening dermatomyositis genoemd.

Het syndroom van Eaton-Lambert komt voor bij sommige patiënten met longkanker. Dit syndroom wordt gekenmerkt door extreme spierzwakte doordat de spieren niet goed door de zenuwen worden geactiveerd.

Ook hypertrofische osteoartropathie kan voorkomen bij patiënten met longkanker. Bij dit syndroom verandert de vorm van de vingers en de tenen, en kunnen röntgenologisch zichtbare veranderingen aan het uiteinde van de pijpbeenderen ontstaan.

Andere paraneoplastische syndromen die bij longkanker voorkomen: kleincellige carcinomen kunnen corticotrofine produceren (waardoor het syndroom van Cushing ontstaat) of antidiuretisch hormoon (waardoor water wordt vastgehouden en lage natriumspiegels in het bloed ontstaan (hyponatriëmie)). Bij een overmatige hormoonproductie kan ook het carcinoïdsyndroom ontstaan, met blozen, een fluitende ademhaling, diarree en hartklepafwijkingen. Plaveiselcelcarcinomen kunnen een hormoonachtige stof afscheiden waardoor zeer hoge calciumspiegels in het bloed ontstaan (hypercalciëmie). Hoge calciumspiegels ziet men ook als de tumor direct in bot ingroeit; hierbij komt calcium in de bloedbaan terecht. Als gevolg van de hoge calciumconcentratie in het bloed raakt de patiënt verward. Deze toestand kan verergeren tot coma en zelfs tot overlijden. Andere problemen zijn borstontwikkeling bij de man (gynaecomastie), een teveel aan schildklierhormoon (hyperthyreoïdie) en veranderingen van de huid, waaronder een donkere verkleuring van de huid in de oksels.

illustrative-material.table-short 2

AANBEVELINGEN VOOR HET SCREENEN OP KANKER

onderzoek

frequentie

Huidkanker

Lichamelijk onderzoek

moet onderdeel van routinematige controle zijn; frequenter onderzoek kan nodig zijn bij mensen met een verhoogd risico van huidkanker

Fotograferen van het gehele lichaam

niet routinematig noodzakelijk; kan zinvol zijn bij mensen met veel moedervlekken of bij mensen bij wie onderzoek van de huid een probleem is

Longkanker

Thoraxfoto

niet aanbevolen als routinematige screening

Sputumcytologie

niet aanbevolen als routinematige screening

Spiraalcomputertomografie (lage dosis)

niet aanbevolen als routinematige screening; verkeert nog in de onderzoeksfase

Endeldarm- en dikkedarmkanker

Onderzoek van de ontlasting op occult bloed

eenmaal per jaar bij mensen ouder dan 50 jaar; niet standaard in Nederland

Rectaal onderzoek

eenmaal per jaar bij mensen ouder dan 40 jaar; niet standaard in Nederland

Sigmoïdoscopie of coloscopie

eenmaal per drie tot vijf jaar bij mensen ouder dan 50 jaar; niet standaard in Nederland

Prostaatkanker

Rectaal onderzoek

eenmaal per jaar bij mannen ouder dan 50 jaar; niet standaard in Nederland

Bloedonderzoek op prostaatspecifiek antigeen

eenmaal per jaar bij mannen ouder dan 50 jaar; niet standaard in Nederland

Zaadbalkanker

Zelfonderzoek van de zaadballen

eenmaal per maand bij mannen ouder dan 14 jaar; niet standaard in Nederland

Baarmoederhals-, baarmoeder- en eierstokkanker

Bekkenonderzoek

eenmaal per één tot drie jaar bij vrouwen tussen 18 en 40 jaar, daarna eenmaal per jaar; niet standaard in Nederland

Baarmoederhalskanker

Papanicolaou-test (Pap-test)

eenmaal per jaar bij vrouwen tussen 18 en 65 jaar. Na drie of meer opeenvolgende normale uitslagen kan de Pap-test, als de arts dat verantwoord vindt, minder vaak worden uitgevoerd. Bij de meeste vrouwen ouder dan 65 jaar kan de Pap-test minder vaak worden uitgevoerd; in Nederland vanaf 50 jaar eenmaal per 5 jaar

Borstkanker

Zelfonderzoek van de borsten

eenmaal per maand bij vrouwen ouder dan 18 jaar

Lichamelijk onderzoek van de borsten

eenmaal per drie jaar bij vrouwen tussen 18 en 40 jaar, daarna eenmaal per jaar

Mammografie

eenmaal per twee jaar bij vrouwen vanaf 50 jaar

illustrative-material.table-short 3

ENKELE TUMORMARKERS

tumormarker

beschrijving

opmerkingen over het onderzoek

 

carcino-embryonaal antigeen (CEA)

De concentratie is verhoogd in het bloed van patiënten met dikkedarmkanker, borstkanker, alvleesklierkanker, blaaskanker, eierstokkanker of baarmoederhalskanker. De concentratie kan ook verhoogd zijn bij mensen die veel roken en bij patiënten met levercirrose of colitis ulcerosa.

Dit onderzoek kan zinvol zijn bij screening op kanker, voor controle van de behandeling en bij het opsporen van recidieven.

alfafoetoproteïne (AFP)

Deze stof wordt gewoonlijk geproduceerd door de levercellen van de foetus. AFP wordt gevonden in het bloed van patiënten met leverkanker (hepatoom). Verder wordt AFP vaak gevonden bij patiënten met bepaalde tumoren van de eierstokken of de zaadballen en bij kinderen en jonge volwassenen met een tumor van de pijnappelklier.

Dit onderzoek kan zinvol zijn bij het diagnosticeren van kanker en ter controle van de behandeling.

bètahumaan choriongonadotrofine (â-hCG)

Dit hormoon wordt geproduceerd tijdens de zwangerschap, maar wordt ook gevonden bij vrouwen met een tumor die van de placenta uitgaat en bij mannen met diverse vormen van zaadbalkanker.

Dit onderzoek kan zinvol zijn bij het diagnosticeren van kanker en ter controle van de behandeling.

prostaatspecifiek antigeen (PSA)

De concentratie is verhoogd bij mannen met een goedaardige (benigne) prostaatvergroting en is aanzienlijk verhoogd bij mannen met prostaatkanker. Wanneer een verhoogde concentratie precies op problemen duidt, is niet geheel duidelijk, maar mannen met een verhoogde PSA-concentratie moeten nader worden onderzocht door een arts.

Dit onderzoek kan zinvol zijn bij screening op kanker en ter controle van de behandeling.

carbohydraatantigeen 125 (CA‑125)

De concentratie is verhoogd bij vrouwen met diverse aandoeningen van de eierstokken, waaronder kanker.

Omdat eierstokkanker vaak moeilijk te diagnosticeren is, raden sommige oncologen dit onderzoek aan bij vrouwen ouder dan 40 jaar. Het onderzoek wordt echter niet routinematig uitgevoerd.

carbohydraatantigeen 15-3 (CA 15‑3)

De concentratie is verhoogd bij patiënten met borstkanker.

Dit onderzoek wordt niet aangeraden voor screening op kanker. Het kan echter wel zinvol zijn ter controle van de behandeling.

carbohydraatantigeen 19-9 (CA 19-9)

De concentratie is verhoogd bij patiënten met kanker van het maag-darmkanaal, in het bijzonder bij alvleesklierkanker.

Dit onderzoek wordt niet aangeraden voor screening op kanker. Het kan echter wel zinvol zijn ter controle van de behandeling.

illustrative-material.table-short 4

ENKELE TUMORMARKERS (vervolg)

tumormarker

beschrijving

opmerkingen over het onderzoek

 

bèta-2-(â2-) microglobuline

De concentratie is verhoogd bij patiënten met multipel myeloom, chronische lymfatische leukemie en bij vele vormen van lymfoom.

Dit onderzoek wordt niet aangeraden voor screening op kanker. Het kan echter wel zinvol zijn ter controle van de behandeling.

lactaatdehydrogenase (LDH)

De concentratie kan om uiteenlopende redenen verhoogd zijn.

Dit onderzoek wordt niet aangeraden voor screening op kanker. Het kan echter wel zinvol zijn bij het opstellen van de prognose en ter controle van de behandeling, in het bijzonder bij patiënten met zaadbalkanker, melanomen en lymfomen.

illustrative-material.table-short 5

ONDERZOEKEN VOOR DIAGNOSTICEREN EN STAGEREN VAN KANKER

plaats van de tumor

soort biopsie

overige onderzoeken

   

Borst

naaldbiopsie of verwijdering van de knobbel

mammografie

botscan

CT-scan

onderzoek naar oestrogeen- en progesteronreceptoren in het biopt; onderzoek naar andere receptoren

Maag-darmkanaal

endoscopische weefselbiopsie of naaldbiopsie (meestal op geleide van een CT-scan) van de lever, de alvleesklier of andere organen, door de huid heen uitgevoerd

thoraxfoto

röntgenfoto's met barium

echografie

CT-scan

bloedonderzoek op leverenzymen

Long

weefselbiopsie, meestal via bronchoscoop

thoraxfoto

CT-scan

sputumcytologie

mediastinoscopie

PET-scan

Lymfestelsel

lymfeklierbiopsie

beenmergbiopsie

thoraxfoto

telling bloedcellen

CT-scan

radio-isotopenscan

exploratieve operatie

splenectomie

Prostaat

naaldbiopsie

bloedonderzoek op zure fosfatase en prostaatspecifiek antigeen (PSA)

echografie

botscan

CT-scan

Zaadballen

verwijdering zaadbal voor weefselonderzoek

thoraxfoto

CT-scan

bloedonderzoek op alfafoetoproteïne (AFP), bètahumaan choriongonadotrofine (â-hCG), lactaatdehydrogenase (LDH)

Baarmoeder, baarmoederhals, eierstokken

weefselbiopsie van de baarmoeder of fractionele curettage tijdens hysteroscopie; colposcopie voor cervixbiopsie; weefselbiopsie van de eierstokken tijdens exploratieve operatie

bekkenonderzoek onder narcose

echografie

CT-scan

onderzoek met barium

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Introductie

Volgende: Symptomen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer