MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Bijwerkingen van de behandeling

Vrijwel iedereen die wegens kanker wordt behandeld, krijgt last van bijwerkingen. Het tegengaan van bijwerkingen is een belangrijk aspect van de behandeling.

Chemotherapie veroorzaakt meestal misselijkheid, braken, gebrek aan eetlust, gewichtsverlies, vermoeidheid en lage aantallen bloedcellen, met als gevolg bloedarmoede en het risico van infectie. Daarnaast komt bij chemotherapie vaak haaruitval voor, maar de bijwerkingen verschillen per geneesmiddel.

De bijwerkingen van bestraling zijn afhankelijk van de grootte van het behandelde gebied, de toegediende dosis en de gevoeligheid van weefsels in de omgeving van de tumor. Bij bestraling van hoofd-halstumoren ontstaan bijvoorbeeld vaak beschadigingen van de bedekkende huid. Bestraling van de maag of de buik leidt vaak tot ontstekingsverschijnselen in de maag (gastritis) en de darm (enteritis), met als gevolg misselijkheid, weinig eetlust en diarree.

Misselijkheid en braken kunnen meestal met geneesmiddelen (antibraakmiddelen) worden voorkomen of tegengegaan. Misselijkheid kan ook zonder geneesmiddelen worden bestreden door kleine maaltijden te gebruiken en door vermijding van voedingsmiddelen die veel vezels bevatten, gas produceren of die erg warm of koud zijn.

Tijdens de behandeling van kanker kunnen lage aantallen bloedcellen (cytopenie, een tekort aan een of meer soorten bloedcellen) ontstaan door het giftige effect dat de geneesmiddelen op het beenmerg hebben. Er kunnen bijvoorbeeld abnormaal lage aantallen rode bloedcellen (anemie), witte bloedcellen (neutropenie of leukopenie) of bloedplaatjes (trombopenie) ontstaan. Bij ernstige bloedarmoede kan erytropoëtine of darbepoëtine Handelsnaam
Aranesp
worden gegeven om de aanmaak van rode bloedcellen te stimuleren, of kan een transfusie van rode bloedcellen worden toegediend. Hetzelfde geldt bij trombopenie: in ernstige gevallen kan een transfusie met bloedplaatjes worden toegediend om het bloedingsrisico te verkleinen.

Een patiënt met neutropenie loopt een verhoogd risico van infectie. Daarom wordt een patiënt met een lichaamstemperatuur van meer dan 38 °C als spoedgeval behandeld. De patiënt moet worden onderzocht op infecties en kan antibiotica nodig hebben of moet zelfs worden opgenomen. Een transfusie van witte bloedcellen wordt zelden toegepast omdat de witte bloedcellen dit maar een paar uur overleven en er veel bijwerkingen optreden. In plaats daarvan kunnen bepaalde stoffen (zoals granulocytenkoloniestimulerende factor) worden toegediend om de productie van witte bloedcellen te stimuleren.

Andere veelvoorkomende bijwerkingen zijn ontstekingsverschijnselen of zelfs zweren van het slijmvlies, bijvoorbeeld in de mond. Zweren in de mond zijn pijnlijk en veroorzaken problemen met eten. Deze problemen kunnen met een groot aantal spoelvloeistoffen (meestal met een maagzuurremmend middel, een antihistaminicum en een lokaal anestheticum) worden bestreden. In zeldzame gevallen moet voeding worden toegediend via een slang (voedingssonde) in de maag of de dunne darm, of zelfs rechtstreeks in een ader. Diarree door bestraling van de buik kan met een verscheidenheid aan geneesmiddelen worden tegengegaan.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Bestraling

Volgende: Chemotherapie

Illustraties
Tabellen
Disclaimer