MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Specifieke immuniteit

Specifieke (verworven) immuniteit is niet bij de geboorte aanwezig, maar wordt ‘aangeleerd'. Naarmate iemands afweersysteem steeds meer met antigenen in aanraking komt, leert het de beste manier om de verschillende antigenen aan te vallen en ontwikkelt het een geheugen voor elk antigeen. Specifieke immuniteit wordt zo genoemd omdat de aanval wordt afgestemd op een specifiek antigeen waarmee het lichaam eerder in aanraking is gekomen. Kenmerkend voor deze specifieke immuniteit is het vermogen te leren zich aan te passen en te onthouden. Na de eerste blootstelling aan een nieuw antigeen duurt het enige tijd voordat de specifieke immuniteit zich heeft ontwikkeld. Omdat er echter een geheugen wordt aangemaakt, zijn volgende responsen op een antigeen dat eerder is waargenomen effectiever en sneller dan reacties opgewekt door niet-specifieke immuniteit.

Lymfocyten zijn het belangrijkste type witte bloedcel dat bij de specifieke immuniteit is betrokken. Dendritische cellen, antilichamen, cytokinen en het complementsysteem (dat de effectiviteit van antilichamen versterkt) spelen hierbij ook een rol.

Lymfocyten

Lymfocyten zorgen er voor dat het lichaam zich antigenen herinnert en dat het onderscheid kan maken tussen lichaamseigen en lichaamsvreemd. Lymfocyten circuleren in het bloed en het lymfestelsel en verplaatsen zich naar behoefte de weefsels in.

Het afweersysteem kan zich elk antigeen dat het is tegengekomen herinneren, doordat lymfocyten jaren of zelfs tientallen jaren leven. Wanneer lymfocyten een antigeen voor de tweede keer tegenkomen, reageren ze snel, krachtig en specifiek op dat bepaalde antigeen. Door deze specifieke immuunrespons kan iemand slechts eenmaal waterpokken (varicella) of mazelen krijgen en kan vaccinatie een ziekte effectief voorkomen.

Tot de lymfocyten behoren de B-lymfocyten, T-lymfocyten en natural-killer-cellen (die bij de niet-specifieke immuniteit zijn betrokken).

B-lymfocyten: B-lymfocyten (B-cellen) worden in het beenmerg gevormd. B-lymfocyten hebben bepaalde plaatsen (receptoren) op hun oppervlak waaraan specifieke antigenen zich kunnen binden. Wanneer een B-lymfocyt een antigeen tegenkomt, bindt het antigeen zich aan de receptor en wordt de B-lymfocyt gestimuleerd zich in een plasmacel te veranderen. Plasmacellen produceren antilichamen. Deze antilichamen zijn specifiek voor het antigeen dat hun productie stimuleerde.

T-lymfocyten: T-lymfocyten (T-cellen) worden in de thymus geproduceerd. Daar leren ze lichaamseigen van lichaamsvreemd te onderscheiden. Alleen de T-lymfocyten die niet op de identificatiemoleculen reageren, rijpen en verlaten de thymus. Zonder dit trainingsproces zouden T-lymfocyten de cellen en weefsels van het eigen lichaam kunnen aanvallen.

Rijpe T-lymfocyten worden gevormd en bewaard in secundaire lymfoïde organen (zoals de milt), beenmerg en lymfeklieren. Ze circuleren in het bloed en het lymfestelsel, waar ze zoeken naar specifieke lichaamsvreemde of abnormale cellen, zoals bepaalde bacteriën of cellen die door bepaalde virussen zijn geïnfecteerd. T-lymfocyten kunnen specifieke lichaamsvreemde of abnormale cellen aanvallen.

Er zijn verschillende typen T-lymfocyten:

Cytotoxische T-cellen binden zich aan lichaamsvreemde of abnormale cellen (doordat ze de antigenen op deze cellen herkennen). Cytotoxische T-cellen doden lichaamsvreemde of abnormale cellen door gaten in het celmembraan te maken en enzymen in de cellen in te brengen.

T-helpercellen helpen B-lymfocyten bij herkenning en productie van antilichamen tegen vreemde antigenen. Ook helpen ze cytotoxische T-cellen bij de vernietiging van vreemde of abnormale cellen.

T-suppressorcellen produceren stoffen die de immuunrespons helpen beëindigen.

Soms ontwikkelen T-lymfocyten zich zonder dit vermogen of verliezen ze het vermogen lichaamseigen van lichaamsvreemd te onderscheiden. Wat de oorzaken hiervoor zijn, is niet geheel duidelijk. Het resultaat is een auto-immuunziekte, waarbij het lichaam de eigen weefsels aanvalt. (zie Auto-immuunziekten: Introductie)

illustrative-material.figure-short 1

Herkenning van antigenen door T-lymfocyten

Herkenning van antigenen door T-lymfocyten

T-lymfocyten maken deel uit van het afweersysteem. Ze verplaatsen zich door de bloedbaan en het lymfestelsel op zoek naar lichaamsvreemde stoffen (antigenen). Een T-lymfocyt kan een antigeen niet herkennen, tenzij het verwerkt is en ‘gepresenteerd' wordt aan de T-lymfocyt door een andere witte bloedcel, een ‘antigeenpresenterende cel' genoemd. Antigeenpresenterende cellen zijn dendritische cellen (die het effectiefst zijn), macrofagen en B-lymfocyten.

illustrative-material.figure-short 2

Lymfestelsel: helpt tegen infectie te beschermen

Lymfestelsel: helpt tegen infectie te beschermen

Dendritische cellen

Dendritische cellen ontwikkelen zich uit monocyten en bevinden zich voornamelijk in weefsels. Nieuw gevormde dendritische cellen nemen antigenen op en breken deze af tot fragmenten zodat andere immuuncellen ze kunnen herkennen. Deze activiteit wordt ‘antigeenverwerking' genoemd. Een dendritische cel rijpt nadat deze op de plaats van infectie of ontsteking door cytokinen is gestimuleerd. Vervolgens verplaatst de cel zich van de weefsels naar de lymfeklieren waar de cel de antigeenfragmenten toont (presenteert) aan de T-lymfocyten, die een specifieke immuunrespons in gang zetten.

Antilichamen

Wanneer een B-lymfocyt een antigeen tegenkomt, wordt hij aangezet uit te groeien tot een plasmacel, die vervolgens antilichamen produceert (ook ‘immunoglobulinen' of ‘Ig' genoemd). Antilichamen beschermen het lichaam door andere immuuncellen te helpen antigenen op te nemen, door toxische stoffen geproduceerd door bacteriën te inactiveren en door bacteriën en virussen rechtstreeks aan te vallen. Antilichamen activeren ook het complementsysteem. Antilichamen zijn essentieel voor de bestrijding van bepaalde typen bacteriële infecties.

Elk antilichaam bestaat uit twee delen. Een deel is variabel; het is gespecialiseerd in binding aan een specifiek antigeen. Het andere deel bepaalt de klasse van het antilichaam: IgM, IgG, IgA, IgE of IgD. Dit deel is hetzelfde binnen elke antilichaamklasse.

IgM: deze klasse antilichamen wordt geproduceerd wanneer een bepaald antigeen voor de eerste keer wordt waargenomen. De respons waarvoor de aanzet wordt gegeven door de eerste blootstelling aan een antigeen, wordt de ‘primaire antilichaamrespons' genoemd. Gewoonlijk is IgM aanwezig in het bloed, maar niet in de weefsels.

IgG: het meest voorkomende type antilichamen, IgG, wordt bij een hernieuwde blootstelling aan een bepaald antigeen geproduceerd. Deze respons wordt de ‘secundaire antilichaamrespons' genoemd. Deze is sneller en leidt tot meer antilichamen dan de primaire antilichaamrespons. IgG is in het bloed en de weefsels aanwezig. Het is de enige klasse antilichamen die van de moeder de placenta kan passeren naar de foetus. De IgG van de moeder beschermt de foetus en pasgeborene totdat het afweersysteem van het kind zelf antilichamen kan produceren.

IgA: deze antilichamen helpen te beschermen tegen het binnendringen van micro-organismen door lichaamsoppervlakken die bekleed zijn met slijmvlies, waaronder die van de neus, ogen, longen en het spijsverteringskanaal. IgA is aanwezig in het bloed, in afscheidingsproducten van de slijmvliezen en in moedermelk.

IgE: deze antilichamen geven de aanzet tot onmiddellijke allergische reacties. (zie Allergische reacties: Introductie)

IgE bindt aan basofielen (een type witte bloedcel) in het bloed en aan mestcellen in weefsels. Wanneer basofielen of mestcellen met daaraan gebonden IgE allergenen tegenkomen (antigenen die allergische reacties veroorzaken), geven ze stoffen af die ontsteking veroorzaken en omliggende weefsels beschadigen. Daarmee is IgE de enige klasse antilichamen die vaak meer kwaad dan goed lijkt te doen. IgE kan echter helpen te beschermen tegen bepaalde parasitaire infecties die in sommige ontwikkelingslanden algemeen voorkomen.

IgD: kleine hoeveelheden van deze antilichamen zijn in het bloed aanwezig. De functie van IgD is niet geheel duidelijk.

illustrative-material.figure-short 3

De Y-structuur van antilichamen

De Y-structuur van antilichamen

Een antilichaammolecuul heeft een Y-vormige basisstructuur. Het molecuul bestaat uit twee delen. Eén deel varieert per antilichaam, afhankelijk van op welk antigeen het antilichaam is gericht. Het antigeen gaat op het variabele deel zitten. Het andere deel is één van de vijf structuren die de antilichaamsoort bepalen: IgG, IgM, IgD, IgE of IgA. Dit is binnen elke soort hetzelfde.

illustrative-material.sidebar 2

Aanvalsstrategieën

Verschillende soorten binnendringende micro-organismen worden op verschillende manieren aangevallen en vernietigd. Sommige micro-organismen worden direct herkend, opgenomen en vernietigd door fagocyten, zoals neutrofiele granulocyten en macrofagen. Fagocyten kunnen echter bepaalde bacteriën niet herkennen, als de bacteriën omgeven zijn door een kapsel. In deze gevallen moeten B-lymfocyten de fagocyten helpen bij de herkenning. B-lymfocyten produceren antilichamen tegen de antigenen in het kapsel van de bacteriën. De antilichamen hechten zich aan de kapsels. De fagocyt kan vervolgens het gehele complex, inclusief de bacteriën, herkennen en opnemen. Sommige micro-organismen kunnen niet geheel worden vernietigd. Om het lichaam tegen deze micro-organismen te verdedigen, bouwt het afweersysteem een muurtje om de micro-organismen heen. Het muurtje bestaat uit fagocyten, vooral macrofagen, die aan elkaar kleven. Het ommuurde micro-organisme wordt een ‘granuloom' genoemd. Sommige bacteriën die op deze manier gevangen zitten, kunnen voor onbepaalde tijd in het lichaam overleven. Als het afweersysteem verzwakt raakt (zelfs 50 tot 60 jaar later), kunnen er gaten in het granuloom ontstaan en kunnen de bacteriën zich beginnen te vermenigvuldigen en kunnen er symptomen optreden.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Niet-specifieke immuniteit

Illustraties
Tabellen
Disclaimer