MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Principes van orgaantransplantatie

Voor orgaantransplantatie is, anders dan voor een bloedtransfusie, een zware operatie nodig. Daarbij moeten geneesmiddelen worden gebruikt om het afweersysteem te onderdrukken (immunosuppressiva) en kunnen er afstoting van het transplantaat en ernstige complicaties optreden, waaronder overlijden. Voor patiënten bij wie de vitale organen echter onomkeerbaar slecht functioneren, kan orgaantransplantatie de enige kans betekenen op een normaal leven of op overleving.

Weefselmatching

Het matchen van de weefsels (het combineren van verenigbare weefsels) van een orgaandonor en van de ontvanger is wenselijk, omdat het afweersysteem normaal gesproken lichaamsvreemd weefsel, waaronder ook transplantaten, aanvalt. (zie Biologie van het afweersysteem: Introductie)

Deze reactie wordt ‘afstoting' genoemd. Het kan echter nodig zijn weefselmatching af te wegen tegen andere factoren die de kwaliteit van het transplantaat beïnvloeden, zoals de tijd die nodig is om het transplantaat bij de ontvanger te krijgen. Sommige patiënten zijn te ziek om te wachten op een optimaal geschikte donor. Voor organen (als het hart) die niet door een levend familielid kunnen worden afgestaan, is een optimaal geschikte donor zelden beschikbaar. Bij het gebruik van immunosuppressiva wordt het succes van transplantatie minder beïnvloed door de geschiktheid van de donor. Daarom kunnen transplantaten ook van minder geschikte donoren afkomstig zijn, zelfs als deze organen (als een nier) door een zeer geschikt levend familielid kunnen worden afgestaan. Niettemin probeert de arts een donor te vinden van wie het weefseltype zo veel mogelijk overeenkomt (compatibel is) met het weefsel van de ontvanger. Een goede match vermindert de ernst van de afstoting en verbetert het resultaat op de lange termijn voor de ontvanger.

Het weefseltype wordt bepaald door moleculen op het oppervlak van elke lichaamscel. Deze moleculen worden ‘humaan-leukocytantigenen' (HLA) of het major histocompatibility complex (MHC) genoemd. Iedere persoon heeft unieke HLA's. Wanneer een persoon een transplantaat ontvangt, waarschuwen de HLA's op de cellen van het transplantaat het lichaam dat het weefsel lichaamsvreemd is, waardoor een immuunrespons wordt opgewekt.

Voor bloedtransfusies is matchen relatief eenvoudig, doordat rode bloedcellen slechts drie specifieke antigenen op hun oppervlak hebben: A, B en Rh. Bij orgaantransplantatie zijn veel antigenen betrokken.

Het bloed van de ontvanger wordt gescreend op antilichamen tegen de weefsels van een bepaalde mogelijke donor. Het lichaam kan dergelijke antilichamen produceren in reactie op een bloedtransfusie, een eerdere transplantatie of een zwangerschap. Als deze antilichamen aanwezig zijn, wordt meestal geen transplantatie uitgevoerd, omdat er vaak onmiddellijke, ernstige afstoting op volgt.

Onderdrukking van het afweersysteem

Zelfs als weefseltypen zeer sterk overeenkomen, worden getransplanteerde organen, anders dan bij een bloedtransfusie, meestal afgestoten, tenzij er maatregelen worden genomen om dit tegen te gaan. Een afstotingsreactie leidt niet alleen tot vernietiging van het getransplanteerde orgaan, maar ook vaak tot koorts, rillingen, misselijkheid, vermoeidheid en plotselinge veranderingen in de bloeddruk. Als een orgaan wordt afgestoten, begint dit meestal vlak na de transplantatie, maar het kan ook pas na weken, maanden of zelfs jaren optreden. De afstoting kan licht en gemakkelijk te behandelen zijn, maar ook ernstig zijn en ondanks behandeling verergeren.

Meestal kan afstoting worden behandeld met geneesmiddelen, ‘immunosuppressiva' genaamd. Deze onderdrukken het afweersysteem en het vermogen van het lichaam om lichaamsvreemde stoffen te herkennen en te vernietigen. Met het gebruik van deze geneesmiddelen is de kans groter dat de transplantatie slaagt. Immunosuppressiva onderdrukken de reactie van het afweersysteem tegen het getransplanteerde orgaan. Ze verminderen echter ook het vermogen van het afweersysteem om infecties te bestrijden en misschien ook om kankercellen te vernietigen. Transplantatiepatiënten hebben dus een verhoogd risico van infecties en bepaalde vormen van kanker.

Veel verschillende typen immunosuppressiva kunnen worden gebruikt om afstoting te voorkomen of te behandelen. De meeste, onder andere corticosteroïden, onderdrukken het afweersysteem als geheel. Antilymfocytenglobuline, antithymocytenglobuline en monoklonale antilichamen onderdrukken slechts bepaalde onderdelen van het afweersysteem.

Immunosuppressiva moeten voor altijd worden gebruikt. Meestal zijn hoge doses echter alleen nodig gedurende de eerste paar weken na transplantatie of tijdens een periode van afstoting. Daarna zijn kleinere doses doorgaans voldoende om afstoting te voorkomen. Bij het eerste teken van afstoting wordt de dosis van het immunosuppressivum verhoogd, het type immunosuppressivum veranderd of meer dan één immunosuppressivum gebruikt.

Soms worden het transplantaat en het omliggende weefsel bestraald om het afweersysteem te onderdrukken. Voorafgaand aan een beenmergtransplantatie bij mensen met leukemie moet het gehele lichaam worden bestraald (totale lichaamsbestraling) om het beenmerg te vernietigen dat de kankercellen produceert. Bestraling van alle lymfeklieren (totale lymfatische bestraling) lijkt een veilige, effectieve manier om het afweersysteem te onderdrukken, maar deze behandeling bevindt zich nog in de onderzoeksfase.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Niertransplantatie

Volgende: Stamceltransplantatie

Illustraties
Tabellen
Disclaimer