MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Long- en hart-longtransplantatie

Meestal wordt er één long getransplanteerd, maar het is mogelijk twee longen te transplanteren. Wanneer door een longaandoening ook het hart is beschadigd, kan een hart tegelijk met één of beide longen worden getransplanteerd. Omdat het bewaren van een long voor transplantatie moeilijk is, moet longtransplantatie zo snel mogelijk nadat een long beschikbaar is gekomen worden uitgevoerd.

Longtransplantaten kunnen afkomstig zijn van een levende donor of van iemand die vlak daarvoor is overleden. Een levende donor kan niet meer dan één gehele long afstaan en meestal wordt slechts één longkwab afgestaan. Van een overleden donor kunnen beide longen of het hart en de longen voor transplantatie worden gebruikt.

Via een incisie in de borst worden de long of longen van de ontvanger verwijderd en vervangen door die van de donor. De bloedvaten van en naar de long (longader en longslagader) en de belangrijkste luchtweg (bronchus) worden verbonden met de getransplanteerde long of longen. De operatie duurt vier tot acht uur voor één long en zes tot 12 uur voor twee longen. Een hart en een long kunnen tegelijk worden getransplanteerd. Patiënten blijven na operaties als deze meestal zeven tot 14 dagen in het ziekenhuis.

Ongeveer 70% van de mensen die een longtransplantatie hebben ondergaan, heeft een overleving van ten minste één jaar. Er bestaat een groot risico van infectie, doordat de longen voortdurend worden blootgesteld aan lucht, waarin zich bacteriën en andere micro-organismen bevinden die ziekten kunnen veroorzaken. De plaats waar de long op de luchtweg is aangesloten, geneest soms slecht. Er kan zich littekenweefsel vormen, wat de luchtweg nauwer maakt, de luchtstroom vermindert en benauwdheid veroorzaakt. Behandeling van deze complicatie bestaat uit het verwijden (dilatatie) van de luchtweg, bijvoorbeeld door plaatsing van een stent (een buisje van metaaldraad) in de luchtweg.

Afstoting van een longtransplantaat is soms moeilijk te ontdekken, te beoordelen en te behandelen. Bij meer dan 80% van de mensen die een longtransplantaat ontvangen, ontwikkelen zich binnen een maand na transplantatie enige afstotingsverschijnselen. Symptomen zijn onder andere koorts, kortademigheid en zwakte. De patiënt verzwakt, doordat de getransplanteerde long het lichaam niet van genoeg zuurstof kan voorzien. Later kan zich littekenweefsel vormen in de kleine luchtwegen, waardoor deze langzaam worden afgesloten. Dit kan op geleidelijke afstoting wijzen. Afstoting van een longtransplantaat kan worden behandeld door de dosis van het immunosuppressivum te verhogen, het type te veranderen of meer dan één immunosuppressivum te gebruiken.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Levertransplantatie

Volgende: Niertransplantatie

Illustraties
Tabellen
Disclaimer