MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Ontwikkeling van infectie

Infectieziekten worden meestal veroorzaakt door micro-organismen die in het lichaam binnendringen en zich daar vermeerderen. Invasie door de meeste micro-organismen begint wanneer zij zich aan menselijke cellen hechten. Hechting is een zeer specifiek proces, waarbij ‘slot-en-sleutel'-verbindingen tussen het micro-organisme en de cellen in het lichaam een rol spelen. Of het micro-organisme dicht bij de invasieplaats (porte d'entrée) blijft of zich naar andere plaatsen verspreidt, hangt van verschillende factoren af, zoals het al dan niet produceren van toxinen, enzymen of andere stoffen.

Sommige micro-organismen die het lichaam binnendringen, produceren toxinen. Zo produceert Clostridium tetaniin een geïnfecteerde wond een toxine dat tetanus veroorzaakt. Sommige ziekten worden veroorzaakt door toxinen die zijn geproduceerd door micro-organismen buiten het lichaam. Een voorbeeld hiervan is voedselvergiftiging die door Stafylokokken wordt veroorzaakt. De meeste toxinen bevatten componenten die zich specifiek aan moleculen op bepaalde cellen (doelwitcellen) binden. Toxinen spelen een centrale rol bij ziekten als tetanus, toxischeshocksyndroom, botulisme, miltvuur en cholera.

Na binnendringing in het lichaam moeten micro-organismen zich vermeerderen om een infectie te veroorzaken. Wanneer de vermeerdering begint, kan zich één van de drie volgende situaties voordoen. Ten eerste kunnen micro-organismen zich blijven vermeerderen en de afweer van het lichaam overrompelen. Ten tweede kan een evenwichtssituatie worden bereikt, leidend tot een chronische infectie. Ten derde kan het lichaam, met of zonder medische behandeling, het binnendringende micro-organisme vernietigen en verwijderen.

Veel ziekteverwekkende micro-organismen hebben eigenschappen (virulentiefactoren) die de ernst van de ziekten die ze veroorzaken, verhogen en ertoe bijdragen dat diezelfde micro-organismen bestand zijn tegen de afweermechanismen van het lichaam. Sommige bacteriën produceren bijvoorbeeld enzymen die weefsel afbreken, waardoor de infectie zich sneller kan verspreiden.

Sommige micro-organismen zijn in staat om de afweermechanismen van het lichaam te blokkeren. Zo kan een micro-organisme invloed uitoefenen op de productie door het lichaam van antilichamen of T-cellen (een type witte bloedcel) die specifiek zijn uitgerust om lichaamsvreemde micro-organismen aan te vallen. Andere micro-organismen hebben een kapsel (buitenlaag) dat verhindert dat ze door witte bloedcellen worden opgenomen en vernietigd. De gist Cryptococcus ontwikkelt een dikker kapsel nadat deze in de longen is binnengedrongen om zo de afweer van het lichaam beter te kunnen weerstaan. Sommige bacteriën worden niet vernietigd (gelyseerd) door stoffen die in de bloedsomloop circuleren. Sommige produceren zelfs stoffen die de effecten van antibiotica tenietdoen.

illustrative-material.sidebar 1

Typen infectieuze organismen

Bacteriën: bacteriën zijn eencellige micro-organismen. Voorbeelden: Streptococcus pyogenes (keelontsteking door streptokokken) en Escherichia coli (veroorzaakt urineweginfectie).

Virussen: een virus is een klein infectieus organisme, veel kleiner dan een schimmel of een bacterie. In tegenstelling tot bacteriën en schimmels heeft een virus een levende cel nodig om zich te vermeerderen. Voorbeelden: Varicella zoster (waterpokken, gordelroos) en rinovirussen (verkoudheid).

Schimmels: schimmels zijn eigenlijk een soort planten. Gisten, schimmels en paddestoelen zijn soorten schimmels. Voorbeelden: Candida albicans (vaginale gistinfectie) en Tinea pedis (voetschimmel).

Parasieten: een parasiet is een organisme, zoals een worm of een eencellig dier (protozoa), dat overleeft door in een ander, meestal groter organisme (de gastheer) te leven. Voorbeelden: Enterobius vermicularis (enterobiasis) en Plasmodium falciparum (malaria).

illustrative-material.sidebar 2

Identificatie van een infectieus organisme

Het is belangrijk te weten welk micro-organisme een ziekte veroorzaakt. Veel verschillende micro-organismen kunnen een bepaalde aandoening veroorzaken (longontsteking kan bijvoorbeeld worden veroorzaakt door virussen, bacteriën of schimmels) en de behandeling is voor elk organisme verschillend.

Er zijn veel manieren om micro-organismen aan te tonen en te identificeren. Ondanks de ontwikkeling van snelle detectiesystemen is direct microscopisch onderzoek van monsters die worden afgenomen op de plaats van infectie vaak de snelste methode om micro-organismen die ziekte kunnen veroorzaken, aan te tonen. Maar de micro-organismen moeten voldoende groot en talrijk zijn om onder een gewone microscoop zichtbaar te zijn. Soms kunnen micro-organismen onder een microscoop worden waargenomen en aan de kenmerkende vorm en kleur worden herkend. Meestal zijn de micro-organismen echter onvoldoende in aantal, te klein om te worden gezien of wel zichtbaar, maar met een weinig kenmerkende vorm. Daarom worden ze in het laboratorium gekweekt totdat er voldoende zijn om met chemische bepalingen te kunnen herkennen. Het proces van het laten groeien van het organisme wordt een ‘kweek' genoemd. Veel micro-organismen kunnen op deze manier worden gekweekt, zoals de bacteriën die gonorroe en keelontsteking veroorzaken. Een kweek kan ook worden gebruikt om de gevoeligheid van micro-organismen voor verschillende antibiotica te onderzoeken. Hierdoor kan worden bepaald welk antibioticum moet worden gebruikt voor de behandeling van een infectie. Deze aanpak is vooral belangrijk omdat micro-organismen voortdurend resistentie ontwikkelen tegen antibiotica die voorheen effectief waren.

Sommige micro-organismen, zoals de bacterie die syfilis en het virus dat aids veroorzaakt, zijn zeer moeilijk te kweken. Deze en veel andere infecties kunnen worden opgespoord door het aantonen van antilichamen tegen de micro-organismen in het bloed of de lichaamsvloeistoffen van de geïnfecteerde persoon (bijvoorbeeld in ruggenmergvocht). Op antilichamen gebaseerde onderzoeken worden bij de opsporing van veel infecties toegepast, maar ze zijn niet altijd betrouwbaar. Antilichamenblijven vaak vele jaren nadat de infectie is verdwenen in het lichaam aanwezig. Ook om een andere reden geeft het resultaat van onderzoek op antilichamen wel eens aanleiding tot verwarring. In de medische berichtgeving rondom diagnostische tests, zoals bloedonderzoek, hebben de termen ‘positief' en ‘negatief' een puur technische betekenis. Een patiënt die hierop niet verdacht is, verstaat een arts gemakkelijk verkeerd. De melding ‘het bloedonderzoek voor syfilis is positief' betekent ‘syfilis is aangetoond'. Dit is doorgaans het omgekeerde van ‘gunstig'. Met nieuwe methoden, zoals de polymerasekettingreactie (PCR), worden stukjes genetisch materiaal (DNA of RNA) van het micro-organisme opgespoord die de aanwezigheid van het organisme aantonen.

Deze onderzoeken worden alleen uitgevoerd wanneer een bepaalde ziekte al wordt vermoed. Het is daarom van essentieel belang dat een arts rekening houdt met alle kenmerken van de ziekte van een persoon, waaronder de symptomen, het lichamelijk onderzoek en de risicofactoren, bij het vaststellen van een infectie.

illustrative-material.sidebar 3

Biologische oorlogsvoering en terrorisme

Biologische oorlogsvoering is het gebruik van micro-organismen en hun producten met vijandige bedoelingen. Dergelijk gebruik is strijdig met de internationale wetgeving en is in feite zelden toegepast tijdens officiële oorlogsvoering in de moderne geschiedenis, ondanks de uitgebreide voorbereidingen en opslag van biologisch oorlogsmateriaal door de meeste grootmachten in de twintigste eeuw. Vandaag de dag worden biologische wapens niet meer door de NAVO-landen gebruikt. Van sommige andere landen wordt aangenomen dat ze biologische wapens hebben. Om diverse redenen, onder andere onzekere militaire effectiviteit en de dreiging van omvangrijke vergelding, achten deskundigen het gebruik van biologisch materiaal bij officiële oorlogsvoering niet erg waarschijnlijk. Biologisch oorlogsmateriaal wordt echter door sommige mensen gezien als een ideaal wapen voor terroristen. Deze materialen kunnen clandestien worden geleverd en hebben vertraagde effecten, waardoor de dader niet bekend hoeft te worden.

Potentiële biologische oorlogsmaterialen zijn onder andere miltvuur (anthrax), botulismetoxine, brucellose, encefalitisvirussen, virussen die hemorra-gische koortsen veroorzaken (Ebola en Marburg), pest, tularemie en pokken. Elk van deze materialen is potentieel dodelijk en, behalve miltvuur en botulismetoxine, kunnen van de ene persoon op de andere worden overgebracht. Miltvuursporen kunnen betrekkelijk gemakkelijk worden gemaakt en kunnen, anders dan de meeste andere materialen, door de lucht worden verspreid. De verspreiding zou daardoor met een vliegtuig kunnen worden uitgevoerd. In theorie kan één kilogram miltvuursporen 10.000 mensen doden, maar door technische problemen met het bewerken van de sporen tot een voldoende fijn poeder zou het werkelijke aantal doden waarschijnlijk echter beperkt blijven tot een fractie van dit aantal.

Ondanks deze theoretische zorgen heeft het enige succesvolle gebruik van miltvuur door terroristen (meerdere besmette poststukken op verschillende locaties in de Verenigde Staten in 2001) slechts tot enkele doden en ernstige infecties geleid. Een groot aantal mensen werd met miltvuursporen besmet zonder ziekte te ontwikkelen, mogelijk door uitgebreid gebruik van het antibioticum ciprofloxacine Handelsnaam
Ciloxan
Ciproxin
. Er bestond echter grote publieke onrust over deze incidenten, wateen belangrijk doel van de dader(s) kan zijn geweest.

Naast deze feitelijke infecties was er een nog groter aantal valse meldingen van miltvuur. In 1999 ontving de FBI per dag gemiddeld één valse melding van vermeend gebruik van miltvuur. Het aantal valse meldingen, zowel vals alarm als gealarmeerde burgers die onschadelijk materiaal voor miltvuur aanzagen, steeg nog meer na de miltvuurincidenten in 2001.

Het enige andere succesvolle gebruik van biologisch materiaal door een terroristische groepering in de Verenigde Staten vond plaats in 1984. Bij deze gebeurtenis werden 751 mensen getroffen door diarree als gevolg van de doelbewuste besmetting met Salmonella van een restaurant in de staat Oregon. De bacteriën werden door een religieuze sekte geïntroduceerd in een poging de resultaten van een plaatselijke verkiezing te beïnvloeden. Er vielen geen doden.

In de afweer tegen bioterrorisme spelen verschillende factoren een rol: geheime diensten om de terroristen te verstoren voor ze de wapens kunnen gebruiken, vroege aanhouding, beschikbaarheid van beschermende antibiotica en vaccinatie van bepaalde bevolkingsgroepen (zoals militairen).

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Infecties bij mensen met een verminderde afweer

Volgende: Preventie van infectie

Illustraties
Tabellen
Disclaimer