MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Afweermechanismen van het lichaam tegen infectie

Fysieke barrières en het afweersysteem (immuunsysteem) beschermen het lichaam tegen organismen die infectie kunnen veroorzaken. Fysieke barrières zijn onder andere huid, slijmvliezen, traanvocht, oorsmeer, slijm en maagzuur. Ook worden micro-organismen die de urinewegen binnendringen door de normale urinestroom weggespoeld. Het afweersysteem beschikt over witte bloedcellen en antilichamen om organismen die door de fysieke barrières van het lichaam weten te dringen, te identificeren en te vernietigen. (zie Biologie van het afweersysteem: Introductie)

Fysieke barrières

Gewoonlijk voorkomt de huid dat micro-organismen binnendringen, tenzij de huid beschadigd is bijvoorbeeld door verwonding, een insectenbeet of verbranding. Andere effectieve fysieke barrières zijn de slijmvliezen, zoals de bekleding van mond, neus en oogleden. Kenmerkend voor slijmvliezen is dat ze bedekt zijn met afscheidingsproducten die micro-organismen bestrijden. Zo zijn de slijmvliezen van de ogen bedekt met een laagje traanvocht dat het enzym lysozym bevat. Dit enzym valt bacteriën aan en helpt de ogen tegen infectie te beschermen.

De luchtwegen filteren deeltjes uit die in de ingeademde lucht aanwezig zijn. De wanden van de luchtwegen en de neus zijn met slijm bedekt. Micro-organismen in de lucht blijven plakken aan het slijm, dat vervolgens wordt opgehoest of bij het snuiten van de neus naar buiten komt. Verwijdering van slijm wordt ondersteund door de gecoördineerde beweging van kleine haarachtige uitsteeksels (cilia) die de luchtwegen bekleden. De cilia ‘vegen' het slijm omhoog de luchtwegen uit, bij de longen vandaan.

Het maag-darmkanaal beschikt over een reeks effectieve barrières, waaronder maagzuur, alvleesklierenzymen, gal en darmsappen. De samentrekkingen van de darmen (peristaltiek) en de normale afstoting van cellen die de darmen bekleden, dragen ertoe bij dat schadelijke micro-organismen worden verwijderd.

De blaas wordt beschermd door de plasbuis of urethra, de buis waardoor de urine stroomt als deze het lichaam verlaat. Al bij jongens ouder dan 6 maanden is de lengte van de plasbuis zodanig dat bacteriën zelden de blaas bereiken, tenzij de bacteriën onbedoeld worden ingebracht door katheters of chirurgische instrumenten. Bij vrouwen is de plasbuis korter, waardoor af en toe bacteriën van buiten in de blaas kunnen terechtkomen. Beide geslachten beschikken over nog een afweermechanisme, namelijk het spoeleffect als de blaas wordt geleegd. De vagina wordt beschermd door het daar onder normale omstandigheden heersende zure milieu.

Het bloed

Een van de manieren waarop het lichaam zich tegen infectie beschermt, is verhoging van de aanmaak van bepaalde soorten witte bloedcellen (neutrofiele granulocyten en monocyten). Deze nemen de binnendringende micro-organismen op en vernietigen ze. De toename kan binnen enkele uren optreden, voornamelijk doordat witte bloedcellen uit het beenmerg worden gemobiliseerd. Het aantal neutrofiele granulocyten neemt het eerst toe. Indien een infectie aanhoudt, stijgt ook het aantal monocyten. Het aantal van een ander type witte bloedcel, de eosinofiele granulocyten, neemt toe bij allergische reacties en bij veel parasitaire infecties, maar gewoonlijk niet bij bacteriële infecties.

Bij bepaalde infecties, zoals tyfus, neemt het aantal leukocyten juist af, maar hoe dat bij deze infecties gebeurt, is niet bekend.

Ontsteking

Elke verwonding, inclusief een invasie door micro-organismen, veroorzaakt een complexe reactie (ontsteking) in het aangetaste gebied. Ontsteking treedt op bij veel verschillende aandoeningen. Bij ontsteking komen verschillende stoffen uit het beschadigde weefsel vrij. De afweer van het lichaam zorgt er vervolgens voor dat het gebied wordt afgebakend, de binnendringers worden aangevallen en vernietigd, dood en beschadigd weefsel wordt verwijderd en het herstelproces begint. Bij grote aantallen micro-organismen kan het echter gebeuren dat het ontstekingsproces niet tegen de invasie is opgewassen.

Tijdens een ontsteking wordt lokaal extra bloed aangevoerd. Een geïnfecteerd gebied aan het oppervlak van het lichaam wordt rood en warm. De wanden van de bloedvaten worden poreuzer, waardoor vocht en witte bloedcellen beter naar het aangetaste weefsel kunnen bewegen. Door de toename van vocht zwelt het ontstoken weefsel op. De witte bloedcellen vallen de binnengedrongen micro-organismen aan en geven stoffen af die het ontstekingsproces instandhouden. Andere stoffen zetten aan tot stolselvorming in de kleine bloedvaten (capillairen) in het ontstoken gebied, waardoor verspreiding van de infectieveroorzakende micro-organismen en hun toxinen wordt vertraagd. Veel van de stoffen die bij een ontsteking worden geproduceerd, stimuleren de zenuwen, wat pijn veroorzaakt. Reacties op de stoffen die vrijkomen bij een ontsteking, zijn de gebruikelijke verschijnselen, zoals rillingen, koorts en spierpijn, waarmee infectie meestal gepaard gaat.

Immuunrespons

Tijdens een infectie reageert het afweersysteem met de productie van diverse celtypen en stoffen die ieder op hun eigen wijze binnendringende micro-organismen kunnen aanvallen. (zie Biologie van het afweersysteem: Introductie)

Het afweersysteem kan bijvoorbeeld cytotoxische T-cellen (een soort witte bloedcel) aanmaken die het binnendringende micro-organisme kunnen herkennen en vernietigen. Het afweersysteem produceert ook antilichamen specifiek gericht tegen het binnendringende micro-organisme. Antilichamen vallen de micro-organismen aan en immobiliseren ze. De micro-organismen worden door de antilichamen rechtstreeks vernietigd of de antilichamen zorgen ervoor dat de micro-organismen door de neutrofiele granulocyten worden aangevallen en vernietigd.

Koorts

Bij infectie en verwonding treedt als beschermende reactie verhoging van de lichaamstemperatuur (koorts) op. De verhoogde lichaamstemperatuur stimuleert de afweermechanismen van het lichaam, al kan dit voor de patiënt ongemak veroorzaken. Een lichaamstemperatuur hoger dan 37,7 °C (oraal gemeten) wordt als ‘verhoogd' beschouwd. Hoewel 37,0 °C als ‘normale' temperatuur geldt, varieert de lichaamstemperatuur gedurende de dag. In de vroege ochtend is de temperatuur het laagst; laat in de middag is de temperatuur het hoogst, soms oplopend tot 37,7 °C.

De lichaamstemperatuur wordt gereguleerd door een deel van de hersenen dat de ‘hypothalamus' wordt genoemd. Koorts is het resultaat van een nieuwe instelling van de ‘thermostaat' van de hypothalamus. Het lichaam verhoogt de temperatuur door bloed te verplaatsen (shunting) van het huidoppervlak naar het binnenste van het lichaam, om zo het warmteverlies te beperken. Daarbij kunnen rillingen optreden. Door spiersamentrekking wordt namelijk de warmteproductie verhoogd. De inspanningen van het lichaam om warmte vast te houden en te produceren gaan door totdat het bloed met de nieuwe, hogere temperatuur de hypothalamus bereikt. Deze hogere temperatuur wordt vervolgens gehandhaafd. Later, wanneer de thermostaat op het normale niveau is teruggezet, raakt het lichaam de overtollige warmte kwijt door zweten en verplaatsing van bloed naar de huid.

Koorts kan een patroon volgen waarbij de temperatuur soms elke dag piekt om vervolgens terug te keren naar normaal. Koorts kan ook steeds opnieuw optreden, waarbij de temperatuur schommelt zonder echter naar de normale waarde terug te keren. Bij bepaalde mensen (bijvoorbeeld alcoholisten, hoogbejaarden en zeer jonge kinderen) kan de temperatuur als reactie op een ernstige infectie dalen (ondertemperatuur).

Stoffen die koorts veroorzaken, worden ‘pyrogenen' genoemd. Pyrogenen kunnen van binnen of van buiten het lichaam komen. Voorbeelden van pyrogenen van buiten het lichaam zijn micro-organismen en de stoffen die ze produceren, zoals toxinen. Pyrogenen die in het lichaam worden gevormd, worden meestal door monocyten geproduceerd. Pyrogenen van buiten het lichaam veroorzaken koorts doordat ze het lichaam stimuleren eigen pyrogenen af te geven. Infectie is echter niet de enige oorzaak van koorts. Koorts kan ook het gevolg zijn van het ontstekingsproces zelf of bijvoorbeeld van kanker of een allergische reactie.

Meestal heeft koorts een duidelijke oorzaak. Vaak (maar niet altijd) is de oorzaak een infectie, zoals griep, longontsteking of een urineweginfectie. Een arts kan de diagnose gemakkelijk stellen op basis van de voorgeschiedenis en een lichamelijk onderzoek, soms aangevuld met een paar eenvoudige onderzoeken, zoals een thoraxfoto en urineonderzoek. Soms is de oorzaak echter niet gemakkelijk aan te wijzen.

Indien de koorts enkele dagen aanhoudt en geen duidelijke oorzaak heeft, is uitgebreider onderzoek nodig. Er zijn veel mogelijke oorzaken van een dergelijke vorm van koorts. Veelvoorkomende oorzaken bij volwassenen zijn onder meer infecties, ziekten die worden veroorzaakt door antilichamen tegen lichaamseigen weefsels (auto-immuunziekten) en nog niet ontdekte kanker (in het bijzonder leukemie of lymfoom).

Om de oorzaak van koorts vast te stellen vraagt een arts de patiënt eerst naar bestaande of eerdere symptomen en ziekten, huidige medicatie, blootstelling aan infecties en reizen die onlangs zijn gemaakt. Het patroon van de koorts helpt meestal niet bij het stellen van de diagnose. Er zijn echter uitzonderingen. Koorts die om de twee of drie dagen optreedt, is kenmerkend voor bepaalde vormen van malaria.

Reizen die onlangs zijn gemaakt, vooral naar andere continenten, kunnen aanwijzingen geven over de oorzaak, omdat sommige infecties alleen in bepaalde gebieden optreden. Coccidioïdomycose (een schimmelinfectie) komt bijvoorbeeld vrijwel uitsluitend voor in het zuidwesten van de Verenigde Staten. Een voorgeschiedenis van blootstelling aan bepaalde stoffen of dieren is ook belangrijk. Iemand die in de vleesverwerkende industrie werkt, heeft bijvoorbeeld een groter risico voor het oplopen van brucellosis.

Nadat de arts dergelijke vragen heeft gesteld, voert hij een grondig lichamelijk onderzoek uit om een mogelijke infectiebron of andere aanwijzingen voor ziekte te vinden. Bloed en andere lichaamsvloeistoffen kunnen naar het laboratorium worden opgestuurd waar men kan proberen een micro-organisme te kweken dat de ziekte zou kunnen verklaren. Ander bloedonderzoek kan worden uitgevoerd om antilichamen tegen bepaalde micro-organismen aan te tonen. Een stijging van het aantal witte bloedcellen wijst gewoonlijk op een infectie. De leukocytendifferentiatie (de verhouding tussen de verschillende typen witte bloedcellen) geeft verdere aanwijzingen. Een toename van de neutrofiele granulocyten wijst bijvoorbeeld op een acute bacteriële infectie. Een toename van de eosinofiele granulocyten wijst op de aanwezigheid van parasieten, bijvoorbeeld lintwormen of rondwormen.

Wanneer een persoon gedurende enkele weken ten minste 38 °C koorts heeft en bij uitgebreid onderzoek geen oorzaak wordt gevonden, kan een arts dit ‘onbegrepen koorts' (febris e.c.i.: febris e causa ignota) noemen. In dergelijke gevallen is de oorzaak mogelijk een ongewone chronische infectie of geen infectie, maar bijvoorbeeld een bindweefselziekte of kanker. Echografie, computertomografie (CT) of magnetische kernspinresonantie (magnetic resonance imaging, MRI) kunnen een arts helpen om de oorzaak te achterhalen. Infectiehaarden of ontstekingsplaatsen kunnen worden vastgesteld door radioactief gemerkte witte bloedcellen in te spuiten. Als de resultaten niets opleveren (‘negatief zijn'), kan het nodig zijn dat de arts een weefselmonster (biopt) van bijvoorbeeld de lever of het beenmerg neemt. Het verkregen materiaal wordt vervolgens onder de microscoop onderzocht en op kweek gezet.

Omdat koorts helpt het lichaam tegen infectie te beschermen, is er enige discussie of koorts altijd moet worden behandeld. Iemand met hoge koorts voelt zich echter veel beter wanneer de koorts wordt onderdrukt.

Geneesmiddelen die worden gebruikt om de lichaamstemperatuur te verlagen, worden ‘antipyretica' of ‘koortswerende middelen' genoemd. De effectiefste en meest gebruikte koortswerende middelen zijn paracetamol en niet-steroïde ontstekingsremmende middelen (niet-steroïde anti-inflammatoire preparaten, NSAID's) als acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine) en ibuprofen Handelsnaam
Advil
Actifen
Brufen
Femapirin
Relian
. Acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
mag echter niet aan kinderen en tieners worden gegeven voor de behandeling van koorts, omdat het middel het risico van het syndroom van Reye verhoogt (zie Virusinfecties:Infectie met humaan-immunodeficiëntievirus (HIV)Kader), dat dodelijk kan zijn. Zogenaamde ‘kinderaspirine' bevat dan ook meestal geen acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
, maar paracetamol.

illustrative-material.sidebar 4

Enige oorzaken van koorts

  • infectie
  • kanker
  • allergische reactie
  • hormonale aandoeningen, zoals feochromocytoom of hyperthyreoïdie
  • auto-immuunziekten, zoals reumatoïde artritis
  • extreme lichamelijke inspanning, vooral bij zeer warm weer
  • extreme blootstelling aan de zon, vooral bij zeer warm weer
  • bepaalde geneesmiddelen, waaronder anesthetica, antipsychotica en anticholinergica, evenals een overdosis acetylsalicylzuur (aspirine)
  • beschadiging van de hypothalamus (het deel van de hersenen dat de lichaamstemperatuur reguleert), bijvoorbeeld door hersenletsel of een hersentumor

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Introductie

Volgende: Commensale flora

Illustraties
Tabellen
Disclaimer