MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ
In dit onderwerp
Introductie
Naar boven

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Introductie

Een virus is een klein infectieus organisme, veel kleiner dan een schimmel of een bacterie. In tegenstelling tot bacteriën en schimmels heeft een virus een levende cel nodig om zich te vermeerderen. Het virus hecht zich aan een cel, dringt deze binnen en geeft vervolgens zijn DNA of RNA af in de cel. Het DNA of RNA van het virus is de genetische code die de informatie bevat die nodig is voor de vermeerdering van het virus. Het genetisch materiaal van het virus neemt de controle over van de cel en dwingt de cel het virus te vermeerderen. De geïnfecteerde cel sterft meestal, doordat het virus de cel belet zijn normale functies uit te voeren. Voordat de cel afsterft, komen er echter nieuwe virussen vrij die weer andere cellen infecteren.

Sommige virussen vernietigen de cellen die ze infecteren niet, maar veranderen in plaats daarvan de functie van de cel. Soms verliest de geïnfecteerde cel de controle over de normale celdeling en ontaardt in een kwaadaardige cel. Sommige virussen die de cellen die ze infecteren niet vernietigen, laten hun genetisch materiaal achter in de gastheercel waar het voor onbeperkte tijd in rusttoestand aanwezig blijft (sluimerende of latente infectie). Wanneer de cel ontregeld raakt, kan het virus zich opnieuw gaan vermeerderen en ziekte veroorzaken.

Virussen infecteren meestal één bepaald type cel. Verkoudheidsvirussen infecteren bijvoorbeeld alleen cellen van de bovenste luchtwegen. Bovendien infecteren de meeste virussen slechts enkele soorten planten of dieren, sommige infecteren alleen mensen.

Virussen worden op verschillende manieren overgedragen. Sommige worden ingeslikt, sommige ingeademd en sommige worden overgebracht door de beten en steken van insecten en andere parasieten (bijvoorbeeld muggen en teken).

Het lichaam beschikt over een aantal afweermechanismen tegen virussen. Fysieke barrières, zoals de huid, voorkomen dat een virus gemakkelijk kan binnendringen. Geïnfecteerde cellen maken ook interferon(en), stoffen die niet-geïnfecteerde cellen beter bestand maken tegen infectie door veel virussen.

Bij binnendringing in het lichaam schakelt een virus de afweermechanismen van het lichaam in. Deze afweermechanismen beginnen witte bloedcellen, zoals lymfocyten, aan te maken, die leren om het virus of de geïnfecteerde cellen aan te vallen en te vernietigen. (zie Biologie van het afweersysteem: Introductie)

Als het lichaam de virusaanval overleeft, ‘herinneren' de lymfocyten zich de binnendringer en kunnen ze sneller en effectiever reageren op een volgende infectie door hetzelfde virus. Dit mechanisme wordt ‘immuniteit' genoemd. Immuniteit kan ook door vaccinatie worden verkregen.

Geneesmiddelen die virusinfecties bestrijden, worden ‘antivirale middelen' (of ‘virostatica') genoemd. Antivirale middelen werken doordat ze in de vermeerdering van virussen ingrijpen. Omdat virussen klein zijn en zich in cellen vermeerderen met gebruikmaking van de stofwisselingsfuncties van die cellen, zijn de mogelijkheden om de stofwisselingsfuncties te boycotten zonder schade voor de gastheer, uiterst beperkt. Bacteriën zijn daarentegen relatief grote organismen, die zich normaal gesproken onafhankelijk van cellen vermenigvuldigen en over veel ‘eigen' stofwisselingsfuncties beschikken waartegen antibiotica kunnen worden ingezet. Antivirale middelen zijn daarom moeilijker te ontwikkelen en het risico van toxiciteit is groter. Bovendien kunnen virussen, net als bacteriën, resistentie tegen antivirale geneesmiddelen ontwikkelen.

Antibiotica zijn niet effectief tegen virusinfecties, maar als een patiënt zowel een bacteriële infectie als een virusinfectie heeft, kan een antibioticum nodig zijn.

Waarschijnlijk de meest voorkomende virusinfecties zijn die van neus, keel en luchtwegen. Deze infecties veroorzaken onder meer keelpijn, neusbijholteontsteking (sinusitis), verkoudheid en griep. Dit worden vaak ‘bovensteluchtweginfecties' genoemd. Bij kleine kinderen veroorzaken virussen ook vaak een blafhoest en ontsteking van het strottenhoofd (laryngitis) of de onderste luchtwegen dieper in de longen (bronchiolitis, bronchitis (zie Aandoeningen van de luchtwegen: Bronchiolitis)).

Sommige virussen (bijvoorbeeld hondsdolheidvirus, West-Nijl-virus en een aantal encefalitisvirussen) infecteren het zenuwstelsel. (zie Infecties van de hersenen en het ruggenmerg: Virusinfecties)

Virusinfecties ontwikkelen zich ook in de huid, wat soms tot wratten of andere ontsieringen (zie Virale huidinfecties: Wratten) leidt. Verder bestaan er nog veel virussen die vaak zuigelingen en kinderen infecteren. (zie Virusinfecties: Introductie)

Andere veelvoorkomende virusinfecties worden door de herpesvirussen veroorzaakt. Er zijn acht verschillende herpesvirussen die bij de mens infecties veroorzaken. Drie hiervan, herpes-simplex-virus type 1, herpes-simplex-virus type 2 en varicella-zoster-virus, veroorzaken infecties waardoor blaren op de huid ontstaan. Een ander herpesvirus, het Epstein-Barr-virus, veroorzaakt de ziekte van Pfeiffer (mononucleosis infectiosa). Cytomegalovirus is een oorzaak van ernstige infecties bij pasgeborenen en bij mensen met een verminderde afweer. Ook kan het virus bij mensen met een gezonde afweer een ziekte veroorzaken die op de ziekte van Pfeiffer lijkt. De humane herpesvirussen 6 en 7 veroorzaken een kinderziekte die bekend staat als ‘roseola infantum' of ‘zesde ziekte'. (zie Virusinfecties: Roseola infantum)

Het humane herpesvirus 8 is genoemd als oorzaak van kanker (het Kaposi-sarcoom) bij aidspatiënten.

Alle herpesvirussen veroorzaken een levenslange infectie, omdat het virus in rusttoestand in de gastheercel aanwezig blijft. Soms wordt het virus gereactiveerd en treden nieuwe episoden van ziekte op. Reactivatie kan vrij snel of pas vele jaren na de eerste infectie optreden.

illustrative-material.table-short 1

VIRUSSEN EN KANKER: EEN VERBAND

Sommige virussen tasten het DNA van de gastheercellen zodanig aan dat het ontstaan van kanker wordt bevorderd. Van slechts enkele virussen is bekend dat ze kanker veroorzaken, maar het kunnen er meer zijn.

virus

kanker

Epstein-Barr-virus

Burkitt-lymfoom

bepaalde vormen van neus- en keelkanker

andere lymfomen (bij mensen met aids)

hepatitis-B-virussen en hepatitis-C-virussen

leverkanker

herpesvirus 8

Kaposi-sarcoom (bij mensen met aids)

B-cellymfoom (bij mensen met aids)

humaan papillomavirus, specifieke typen

baarmoederhalskanker

geneesmiddel

algemeen toegepast bij

bijwerkingen

aciclovir herpes genitalis, herpes zoster en waterpokken weinig bijwerkingen
amantadine influenza A

misselijkheid of verlies van eetlust

nervositeit

licht gevoel in het hoofd

onduidelijke spraak

onzekere gang

slapeloosheid

cidofovir cytomegalovirusinfecties

nierbeschadiging

laag aantal witte bloedcellen

famciclovir herpes genitalis, herpes zoster en waterpokken weinig bijwerkingen
fomivirsen* cytomegalovirusretinitis lichte oogontsteking
foscarnet infecties door cytomegalovirus en herpes‑simplex-virus

nierbeschadiging

epileptische aanvallen

ganciclovir cytomegalovirusinfectie laag aantal witte bloedcellen
interferon-alfa hepatitis B en C

griepachtige verschijnselen

beenmergsuppressie

depressie of angst

oseltamivir influenza A en B misselijkheid en braken
penciclovir koortsuitslag (lokale toepassing) weinig bijwerkingen
ribavirine respiratoir syncytieel virus (RS-virus)hepatitis C afbraak van rode bloedcellen, leidend tot anemie
rimantadine* influenza A vergelijkbaar met amantadine, maar geringere problemen met het zenuwstelsel
trifluridine keratitis door herpes simplex stekende ogenzwelling van de oogleden
valaciclovir herpes genitalis, herpes zoster en waterpokken weinig bijwerkingen
valganciclovir infecties door cytomegalovirus laag aantal witte bloedcellen
vidarabine* keratitis door herpes simplex weinig bijwerkingen
zanamivir influenza A en B (inhalatiepoeder) irritatie van de luchtwegen

* niet in Nederland geregistreerd

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Volgende: Cytomegalovirusinfectie

Illustraties
Tabellen
Disclaimer