MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Introductie

Gehoorverlies of slechthorendheid is een verslechtering van het horen. Onder doofheid wordt (vrijwel) totaal gehoorverlies verstaan.

In Nederland is meer dan 5% van de mensen slechthorend of doof. Ook bij kinderen kan gehoorverlies ontstaan (zie Aandoeningen van keel, neus en oren: Introductie), wat ten koste kan gaan van hun spraak-taalontwikkeling en sociale ontwikkeling. Elk jaar treedt bij 1 op de 5000 mensen plotselinge doofheid op, d.w.z. een ernstig gehoorverlies, meestal aan één oor, dat zich binnen enkele uren ontwikkelt.

Oorzaken

Gehoorverlies heeft veel mogelijke oorzaken. Zo kan de oorzaak een mechanisch probleem zijn in de uitwendige gehoorgang of het middenoor waarbij de geluidsgeleiding wordt belemmerd (geleidingsslechthorendheid). Een afsluiting van de uitwendige gehoorgang kan ontstaan door ophoping van oorsmeer, een ontsteking of een tumor. De meest voorkomende oorzaak van geleidingsslechthorendheid in het middenoor, vooral bij kinderen, is ophoping van vocht. Dit kan zich in het middenoor ophopen als gevolg van een oorinfectie of andere aandoeningen als allergieën of tumoren waarbij de buis van Eustachius, die vocht uit het middenoor afvoert, verstopt raakt.

Gehoorverlies kan ook worden veroorzaakt door beschadiging van zintuigweefsel (haarcellen) van het binnenoor, de gehoorzenuw of gehoorzenuwbanen in de hersenen (perceptieslechthorendheid). Deze kunnen worden aangetast door veroudering, lawaai, erfelijke stoornissen, geneesmiddelen, infecties, schedelfracturen en tumoren. Gehoorverlies is vaak een combinatie van geleidings- en perceptieslechthorendheid.

Leeftijd: leeftijdsgerelateerd gehoorverlies wordt ‘presbyacusis' genoemd. Bij vrijwel alle mensen neemt het aantal haarcellen en de bijbehorende zenuwvezels met de leeftijd af. Ook worden de structuren van het oor minder elastisch. Bij veel mensen worden deze door veroudering veroorzaakte veranderingen nog eens verergerd door jarenlange blootstelling aan lawaai. Leeftijdsgerelateerd gehoorverlies begint al vanaf 20-jarige leeftijd. De achteruitgang verloopt echter zeer langzaam en de meeste mensen merken er tot ver na hun 50e niets van.

Bij leeftijdsgerelateerd gehoorverlies gaan eerst de hoogste tonen (frequenties) verloren en pas later de lage tonen. Geen hoge tonen meer kunnen horen betekent vaak dat spraak moeilijker verstaanbaar wordt. Hoewel het geluidsvolume normaal overkomt, wordt het moeilijker bepaalde medeklinkers als de C, D, K, P, S en de T te onderscheiden. Vandaar dat veel mensen met gehoorverlies vinden dat de spreker binnensmonds praat. Sommige mensen klagen er dan ook meer over dat anderen niet duidelijk spreken dan dat ze zelf niet goed kunnen horen. Vooral vrouwen en kinderen, die vaak een hogere stem hebben dan mannen, zijn moeilijk te verstaan. Veel mensen merken ook op dat de levendigheid van bepaalde muziekklanken, zoals die van de viool en fluit, verandert.

Otosclerose: otosclerose is een erfelijke aandoening waarbij het bot dat het middenoor en het binnenoor omgeeft, groeit. Hierdoor kan de stijgbeugel (het gehoorbeentje dat met het binnenoor is verbonden) niet meer vrij bewegen, zodat geluiden niet goed worden overgebracht. Soms wordt daarbij ook de wand aangetast. Otosclerose komt vaak binnen bepaalde families voor en kan ontstaan bij iemand die als kind de mazelen heeft gehad. Het gehoorverlies wordt pas duidelijk tegen het einde van de puberteit of het begin van de volwassenheid. Bij ongeveer 10% van de volwassenen bestaat enige mate van otosclerose, maar slechts bij ongeveer 1% leidt dit tot gehoorverlies.

Lawaai: er zijn twee vormen van gehoorbeschadiging door hard geluid. Het ene is het explosietrauma, het andere wordt veroorzaakt door chronische blootstelling (bijvoorbeeld tijdens het werk) aan lawaai boven 85 dB. Lawaai vernietigt de haarcellen in het binnenoor. Hoewel er wat betreft gevoeligheid voor lawaai grote verschillen bestaan tussen mensen, treedt bij iedereen enig gehoorverlies op als het lawaai maar hard genoeg is en lang genoeg aanhoudt.

Zowel geluidssterkte als duur van de blootstelling is van belang. Hoe harder het lawaai, des te sneller er gehoorverlies optreedt. Eén keer kort worden blootgesteld aan zeer hard lawaai kan al gehoorverlies veroorzaken. Deze vorm van gehoorverlies is soms tijdelijk en duurt meestal enkele uren tot ongeveer een dag. Dit wordt een ‘tijdelijke drempelverschuiving' genoemd. Het gehoorverlies kan daarentegen ook blijvend zijn, als het geluid zeer luid is en als iemand er vaak aan wordt blootgesteld. Gehoorverlies door lawaai gaat vaak samen met oorsuizen (tinnitus) (zie Aandoeningen van het middenoor en het binnenoor: Oorsuizen) en moeite hebben om spraak te verstaan.

Tot vaak genoemde bronnen van mogelijk schadelijk lawaai behoren onder meer harde elektrisch versterkte muziek, elektrisch gereedschap, zware machines en voertuigen. Veel mensen worden op hun werk aan schadelijke geluidsniveaus blootgesteld en gehoorverlies is voor veel mensen dan ook een groot beroepsrisico. Ook explosies en geweerschoten beschadigen het gehoor.

Oorinfecties: bij jonge kinderen is vaak sprake van enige mate van geleidingsslechthorendheid na een oorinfectie (otitis media), doordat infectie tot ophoping van vocht (effusie) in het middenoor kan leiden. De meeste kinderen kunnen 3 tot 4 weken nadat de infectie is genezen weer normaal horen, maar bij enkelen houdt het gehoorverlies aan. Chronische, langdurige infecties van het middenoor leiden vaak tot zowel geleidings- als perceptieslechthorendheid. Kinderen die vaak een oorinfectie hebben, hebben een groter risico van gehoorverlies.

Auto-immuunziekten: auto-immuunziekten veroorzaken soms gehoorverlies. Het gehoorverlies kan optreden bij patiënten met reumatoïde artritis, systemische lupus erythematodes, de ziekte van Paget en polyarteriitis nodosa (PAN). Er treedt in beide oren een fluctuerend gehoorverlies op, dat kan verergeren. Het wordt veroorzaakt door een aanval van het immuunsysteem tegen de cellen van het slakkenhuis.

Geneesmiddelen veroorzaken soms gehoorverlies. Het vaakst zijn intraveneuze antibiotica (aminoglycosiden) de boosdoener, vooral wanneer ze in hoge doses worden toegediend. Sommige mensen hebben een zeldzame erfelijke aandoening die hen uiterst vatbaar maakt voor gehoorverlies door het gebruik van aminoglycosiden. Andere geneesmiddelen die gehoorverlies kunnen veroorzaken, zijn onder meer vancomycine Handelsnaam
Vancocin CP
, kinine en de bij de behandeling van kanker gebruikte chemotherapeutica cisplatine Handelsnaam
Platinol
Platosin
en stikstofmosterd. Acetylsalicylzuur Handelsnaam
Acetylsalicylzuur
Aspirine
Aspro
(aspirine) in hoge doses kan ook gehoorverlies veroorzaken, maar het normale gehoor kan terugkomen wanneer gebruik van het middel wordt gestaakt.

illustrative-material.sidebar 1

Oorzaken slechthorendheid

geleidingsslechthorendheid

  • afsluiting van de gehoorgang door oorsmeer, ontsteking
  • chronische middenoorinfectie met trommelvliesperforatie en loopoor (chronische otitis media)
  • chronische middenoorontsteking met cholesteatoomvorming
  • chronische vochtophoping in het middenoor (otitis media met effusie – OME) door gestoorde functie van de buis van Eustachius
  • otosclerose (fixatie van de stijgbeugel door botwoekering waardoor ook het binnenoor kan worden aangetast)
  • resttoestand na vroege middenoorontsteking (trommelvliesperforatie, gefixeerde gehoorbeentjes, onderdruk in het middenoor)
perceptieslechthorendheid
  • ouder worden (presbyacusis)
  • erfelijk langzaam progressief gehoorverlies
  • lawaaibeschadiging
  • bepaalde geneesmiddelen
  • infecties (volwassenen: virusinfectie van het binnenoor (syfilis labyrinthitis), kinderen: bof, hersenvliesontsteking, aangeboren toxoplasmose, rode hond, cytomegalovirus)
  • aangeboren afwijkende aanleg van het binnenoor
  • schedeltrauma (o.a. schedelbasisfractuur)
  • tumor van de evenwichtszenuw (brughoektumor)
  • ruptuur van vliezige structuren van het binnenoor door plotselinge drukveranderingen (vliegen, duiken, schedeltrauma)
  • ziekte van Ménière

Diagnose

Alle gevallen van gehoorverlies dienen door een KNO-arts te worden onderzocht. Dit is een arts die zich in de behandeling van keel, neus en oren heeft gespecialiseerd. Een audioloog is een deskundige die het gehoor onderzoekt en metingen uitvoert om de mate van gehoorverlies te bepalen en na te gaan welk specifiek frequentiebereik is aangetast. Als er van gehoorverlies sprake is, kan met andere onderzoeken worden bepaald in hoeverre het gehoorverlies invloed heeft op het vermogen om spraak te verstaan en of er sprake is van perceptieslechthorendheid, geleidingsslechthorendheid of een combinatie van beide. Aan de hand van sommige gehooronderzoeken kunnen ook mogelijke oorzaken van gehoorverlies worden achterhaald. Bij veel gehooronderzoeken is de actieve inbreng van de onderzochte persoon noodzakelijk.

Audiometrie is de eerste stap bij een gehooronderzoek. Bij dit onderzoek draagt de onderzochte persoon een hoofdtelefoon en krijgt in het ene of het andere oor tonen van verschillende frequentie (hoogte) en sterkte te horen. Wanneer de onderzochte persoon een toon hoort, geeft hij/zij dat aan, meestal door de hand op te steken aan de zijde waar de toon werd gehoord. Het onderzoek stelt voor elk oor het zachtste nog hoorbare geluid op elke toonhoogte vast. De uitslagen worden afgezet tegen wat als normaal gehoor wordt beschouwd. Bij het onderzoek krijgt het oor dat niet wordt getest een andere toon dan de testtoon aangeboden (meestal ruis), omdat luide tonen ook door het niet-geteste oor kunnen worden gehoord.

Bij spraakaudiometrie wordt gemeten hoe luid woorden moeten worden uitgesproken om te worden verstaan. Reeksen woorden worden op verschillende geluidssterkten aangeboden en het percentage woorden dat correct wordt nagezegd, wordt geregistreerd.

Bij tympanometrie wordt een toon aan het oor gegeven en gemeten in welke mate deze door het trommelvlies en het middenoor wordt teruggekaatst. De mate van terugkaatsing wordt beïnvloed door de toestand van het trommelvlies en het middenoor. Het is een ideale methode om vast te stellen of er zich vocht (otitis met effusie) of lucht achter het trommelvlies bevindt. Bij dit onderzoek, dat vaak bij kinderen wordt uitgevoerd, hoeft de geteste persoon geen actieve rol te spelen. Een toestel met een microfoon en een geluidsbron wordt in de gehoorgang geplaatst waardoor deze wordt afgesloten. Het trommelvlies weerkaatst de geluidsgolven terwijl door het toestel de druk in de gehoorgang wordt gevarieerd. Afwijkende uitslagen wijzen op geleidingsslechthorendheid.

De proef van Rinne is een stemvorkonderzoek waarbij geleidings- en perceptieslechthorendheid van elkaar worden onderscheiden. Bij dit onderzoek wordt vergeleken hoe goed iemand geluid waarneemt via luchtgeleiding en via beengeleiding. Voor onderzoek van het gehoor via luchtgeleiding wordt de stemvork dicht bij het oor gehouden. Voor onderzoek van het gehoor via beengeleiding, wordt de voet van een trillende stemvork tegen het hoofd geplaatst zodat het geluid niet door het middenoor, maar rechtstreeks naar het binnenoor gaat. Als het gehoor via luchtgeleiding is verminderd, maar het gehoor via beengeleiding is normaal, is er sprake van geleidingsslechthorendheid. Als het gehoor via zowel lucht- als beengeleiding is verminderd, is er sprake van perceptieslechthorendheid of van een mengvorm. Bij mensen met perceptieslechthorendheid is mogelijk nader onderzoek vereist naar andere aandoeningen, zoals de ziekte van Ménière of een tumor.

Hersenstamaudiometrie is een onderzoek waarbij zenuwimpulsen in de hersenstam worden gemeten die door geluidssignalen zijn opgewekt. Aan de hand van de meetgegevens kan nadere informatie worden verkregen over de aard en oorzaak van perceptieslechthorendheid. De uitslagen zijn afwijkend bij mensen met bepaalde vormen van perceptieslechthorendheid en bij veel typen hersentumoren. Hersenstamaudiometrie wordt ook toegepast om na te gaan of zuigelingen en jonge kinderen een normaal gehoor bezitten.

Bij elektrocochleografie wordt de activiteit van het slakkenhuis en de gehoorzenuw gemeten door middel van een elektrode die op of door het trommelvlies wordt aangebracht. Dit onderzoek en hersenstamaudiometrie kunnen worden toegepast om het gehoor bij mensen te meten die uit zichzelf niet kunnen of zullen reageren op geluid. Deze onderzoeken worden bijvoorbeeld gebruikt om erachter te komen of zuigelingen en zeer jonge kinderen een ernstig gehoorverlies hebben en of iemand zijn gehoorverlies simuleert of overdrijft (psychogene slechthorendheid).

Bij het onderzoek van zogenoemde ‘otoakoestische emissies' wordt gebruikgemaakt van zwakke geluiden om het binnenoor (slakkenhuis) te stimuleren. Daardoor wekt het oor zelf een zeer zwak geluid op dat overeenkomt met de prikkel. Deze cochleaire emissies worden met geavanceerde elektronische apparatuur geregistreerd. Dit onderzoek wordt standaard toegepast op veel kraamafdelingen om pasgeborenen op aangeboren gehoorverlies te onderzoeken. Het wordt ook bij volwassenen toegepast om de oorzaak van gehoorverlies vast te stellen.

Bij sommige mensen moet, afhankelijk van de symptomen en van de uitslag van het gehooronderzoek, computertomografie (CT-scan) of kernspinresonantie (MRI-scan) worden toegepast om na te gaan of er sprake is van een tumor van de gehoorzenuw of van de hersenen.

illustrative-material.sidebar 2

Geluidssterkte meten

Geluidssterkte wordt gemeten in decibel, op een logaritmische schaal. Dit betekent dat een geluidstoename van 10 decibel voor een 10-voudig verschil in geluidsintensiteit staat, en voor een verdubbeling van het waargenomen geluid. Een geluidstoename van 20 decibel zorgt voor een 100-voudig verschil in geluidsintensiteit met 0 decibel en het waargenomen geluid is vier keer zo luid; een geluidstoename van 30 decibel staat voor een 1000-voudig verschil in geluidsintensiteit met 0 decibel en het waargenomen geluid is acht keer zo luid.

decibelvoorbeeld

0zwakste door het menselijke oor waarneembare geluid

30fluisteren, stille bibliotheek

60normaal gesprek, naaimachine

90industrie, grasmaaier, (elektrisch) gereedschap, vrachtwagenverkeer (maximale blootstelling per dag zonder bescherming is 8 uur*)

100kettingzaag, pneumatische drilboor, jetski (maximale blootstelling per dag zonder bescherming is 2 uur)

115zandstralen, popconcert, claxon (maximale blootstelling per dag zonder bescherming is 15 minuten)

140geweerschot, straalmotor (lawaai veroorzaakt pijn en zelfs kortdurende blootstelling beschadigt de oren als deze niet worden beschermd, maar zelfs mét gehoorbescherming kan er letsel optreden)

180raketlanceerplatform

illustrative-material.figure-short 1

Hoortoestellen: versterking van het geluid

Hoortoestellen: versterking van het geluid

Achter-het-oor-hoortoestellen zijn de meest krachtige, maar uit cosmetisch oogpunt de minst aantrekkelijke toestellen. In-het-oor-hoortoestellen bezitten minder mogelijkheden, maar zijn esthetisch fraaier. Een in-de-gehoorgang-toestel wordt in sommige gevallen voorgeschreven bij licht tot matig gehoorverlies. Dit toestel is relatief onopvallend, maar is niet eenvoudig te gebruiken tijdens een telefoongesprek. Een CIC-toestel (‘completely-in-the-canal') is een hoortoestel dat zich volledig in de gehoorgang bevindt. Het wordt gebruikt bij licht tot matig gehoorverlies. Het wordt verwijderd door aan een dun koordje te trekken. Het is echter het duurste en moeilijkst af te stellen hoortoestel.

Preventie en behandeling

Leeftijdsgerelateerd gehoorverlies en de meeste andere oorzaken van gehoorverlies zijn niet te voorkomen. Er kunnen echter de nodige maatregelen worden genomen om gehoorverlies door lawaai te helpen voorkomen, zoals het zich zo min mogelijk blootstellen aan lawaai en waar mogelijk het geluidsniveau verlagen. Het volume van een hoofdtelefoon dient altijd binnen de perken te blijven. Hoe harder het lawaai, des te minder tijd erbij mag worden doorgebracht. Het is van essentieel belang dat bij beroepsmatige blootstelling aan lawaai of bij blootstelling aan het lawaai van vuurwapens gehoorbescherming wordt gedragen, zoals kunststof of schuimrubber dopjes in de gehoorgang of met glycerine gevulde oorkappen. In andere lawaaiige omgevingen kunnen ook kunststof dopjes worden gebruikt.

De behandeling van gehoorverlies is afhankelijk van de oorzaak. Wanneer vocht in het middenoor de oorzaak is, moet er bij kinderen en volwassenen mogelijk een buisje in het trommelvlies worden aangebracht (tympanotomie (zie Aandoeningen van keel, neus en oren:MiddenoorontstekingIllustraties)). Het buisje voorkomt vochtophoping. Bij sommige kinderen moet ook de neusamandel worden weggenomen (adenoïdectomie) waardoor de buis van Eustachius beter open blijft. Gehoorverlies veroorzaakt door auto-immuunziekten wordt behandeld met corticosteroïden, zoals prednison Handelsnaam
Prednison
.

Bij beschadiging van het trommelvlies of de gehoorbeentjes in het middenoor is reconstructieve chirurgie vaak zinvol. Bij sommige mensen met otosclerose kan het gehoor worden hersteld door de stijgbeugel operatief te verwijderen en door een kunststijgbeugel te vervangen. Tumoren die gehoorverlies veroorzaken, kunnen in sommige gevallen zo worden verwijderd dat het gehoor behouden blijft.

Voor de meeste andere oorzaken van gehoorverlies bestaat geen remedie. In deze gevallen omvat de behandeling het zo veel mogelijk compenseren van het gehoorverlies. De meeste mensen met matig tot ernstig gehoorverlies maken gebruik van een hoortoestel. Mensen met ernstig tot (vrijwel) totaal gehoorverlies hebben veel baat bij een cochleair implantaat (elektrische binnenoorprothese).

Hoortoestellen: de geluidversterking door een hoortoestel helpt mensen met geleidings- of perceptieslechthorendheid. Een hoortoestel kan er helaas niet voor zorgen dat het gehoor weer normaal wordt, maar kan het vermogen om te communiceren en van geluiden te genieten wel aanzienlijk verbeteren.

Alle hoortoestellen hebben een microfoon die geluiden opvangt, een versterker op batterijen om de geluidssterkte te vergroten en een voorziening om het geluid op de drager over te brengen. De meeste hoortoestellen brengen de geluiden over via een kleine luidspreker in de gehoorgang. Andere hoortoestellen, die langs operatieve weg moeten worden geïmplanteerd, brengen de geluiden rechtstreeks over op de gehoorbeentjes van het middenoor of de schedel in plaats van via een luidspreker. Hoortoestellen lopen uiteen wat hun omvang en plaats betreft. Grote hoortoestellen vallen in het algemeen meer op en zijn uit cosmetisch oogpunt minder aantrekkelijk, maar hebben meer mogelijkheden.

Hoortoestellen hebben verschillende elektronische eigenschappen die op het type gehoorverlies kunnen worden afgestemd. Zo hebben mensen die voornamelijk de hoge frequenties niet horen geen baat bij versterking van alle frequenties. Hoortoestellen die de hoge frequenties selectief versterken, geven daartegen wel een duidelijke verbetering van de spraakherkenning. Soms worden hoortoestellen voorzien van openingen in het oorstukje, waardoor geluidsgolven van hoge frequentie gemakkelijker in het oor kunnen komen. Veel moderne hoortoestellen maken gebruik van digitale geluidsbewerking en meerdere frequentiekanalen zodat de versterking nog nauwkeuriger kan worden afgestemd op het specifieke gehoorverlies. Mensen die geen lawaai kunnen verdragen, kunnen hoortoestellen nodig hebben met een speciaal elektronisch schakelsysteem waarmee de intensiteit van het geluid op een verdraagbaar niveau blijft.

Mensen met een hoortoestel hebben soms problemen met het gebruik van de telefoon. Wanneer de hoorn bij het oor komt, beginnen de hoortoestellen soms te piepen. De meeste hoortoestellen hebben daarom een luisterspoel: de microfoon (M) kan worden uitgeschakeld waarna de luisterspoel (T = telefoon) een elektromagnetische verbinding met de magneet in de hoorn tot stand brengt. De meeste standaardtelefoons en publieke telefoons kunnen op deze wijze worden gebruikt. Hoortoestellen met veel en ingewikkelde functies zijn meestal het duurst, maar ook vaak het beste om een gehoorprobleem te verlichten.

Cochleaire implantaten (elektrische binnenoorprothesen): de meeste mensen met (vrijwel) totaal gehoorverlies die zelfs met een hoortoestel geen spraak kunnen verstaan, hebben baat bij een cochleair implantaat. Een cochleair implantaat geeft rechtstreeks elektrische signalen door aan de gehoorzenuw via meerdere elektroden die in het slakkenhuis zijn ingebracht. Een uitwendige microfoon en processor vangen geluidssignalen op en zetten deze in elektrische impulsen om. Een uitwendige spoel brengt deze impulsen elektromagnetisch door de huid heen over op een inwendige spoel, die verbonden is met de elektroden. De elektroden prikkelen de gehoorzenuw.

Een cochleair implantaat brengt geluiden niet zo goed over als een normaal slakkenhuis, maar biedt doven en zeer ernstig slechthorenden verschillende voordelen. Zij kunnen omgevings- en waarschuwingssignalen horen en onderscheiden, zoals de deurbel, de telefoon en een alarm. Ze kunnen hun eigen stem ermee waarnemen, waardoor hun spraak begrijpelijker wordt voor anderen. De meesten kunnen woorden verstaan zonder liplezen, sommigen kunnen er zelfs mee telefoneren.

Een cochleair implantaat is doeltreffender bij iemand met recent gehoorverlies of bij iemand die vóór het implantaat met succes een hoortoestel heeft gebruikt.

Andere manieren om met gehoorverlies om te gaan: er zijn verscheidene andere typen toestellen beschikbaar voor mensen met aanzienlijk gehoorverlies. Met behulp van lichtwaarschuwingssystemen weten deze mensen bijvoorbeeld wanneer er wordt aangebeld of wanneer de baby huilt. Met speciale geluidssystemen als een ringleiding kunnen ze horen in een theater, kerk of op andere plaatsen met omgevingsruis. Veel televisieprogramma's worden speciaal voor doven en slechthorenden ondertiteld. Er zijn ook hulpmiddelen beschikbaar om telefonische communicatie mogelijk te maken.

Liplezen (ook wel ‘spraakafzien' genoemd) is een belangrijke vaardigheid voor mensen die minder goed kunnen horen, vooral voor mensen die wel kunnen horen, maar minder goed klanken kunnen onderscheiden, wat vaak bij leeftijdsgerelateerd gehoorverlies het geval is. Door de stand van de lippen van een spreker goed in de gaten te houden, kan de liplezer zien welke medeklinker er wordt uitgesproken. Omdat mensen die geen hoge frequenties kunnen horen de klank van medeklinkers niet horen, kan liplezen ervoor zorgen dat spraak veel beter wordt verstaan.

Liplezen en andere strategieën om met gehoorverlies om te gaan, worden soms onderwezen door gehoordeskundigen in een programma dat ‘gehoorrevalidatie' wordt genoemd. (zie Revalidatie)

Naast liplezen wordt mensen geleerd hun luisteromgeving onder controle te krijgen door te leren anticiperen op moeilijke communicatiesituaties en deze aan te passen of te mijden. Zo kunnen mensen op een rustiger uur naar een restaurant gaan. Ze kunnen vragen om een stil hoekje dat beter is afgeschermd tegen omgevingsgeluiden. Ze kunnen vragen of de specialiteiten van de dag ergens kunnen worden opgeschreven in plaats van opgesomd. Ze kunnen hun gesprekspartner vragen hen tijdens het praten aan te kijken. Aan het begin van een telefoongesprek kunnen ze aangeven dat ze slechthorend zijn.

Mensen met (vrijwel) totaal gehoorverlies communiceren vaak met behulp van gebarentaal. In Nederland wordt de Nederlandse Gebarentaal gebruikt (NGT).

illustrative-material.figure-short 2

Elektrische binnenoorprothese: hulpmiddel voor mensen met (vrijwel) totaal gehoorverlies

Elektrische binnenoorprothese: hulpmiddel voor mensen met (vrijwel) totaal gehoorverlies

Een elektrische binnenoorprothese (cochleair implantaat), een type hoortoestel voor mensen met een zeer ernstig gehoorverlies aan beide oren, bestaat uit een inwendige spoel, elektroden, een uitwendige spoel, een spraakprocessor en een microfoon. De inwendige spoel wordt langs chirurgische weg achter en boven het oor in de schedel geïmplanteerd. De elektroden worden in het slakkenhuis geïmplanteerd. De uitwendige spoel wordt op zijn plaats gehouden door magneetjes op de huid tegenover de inwendige spoel. De spraakprocessor, die met een draadje is aangesloten op de uitwendige spoel, kan in een zak of een speciaal hoesje worden gedragen. De microfoon wordt in een hoortoestel aangebracht dat achter het oor wordt gedragen.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven
Illustraties
Tabellen
Disclaimer