MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Effecten van het ouder worden

Bij het ouder worden wordt de ooglens meestal minder veerkrachtig, waardoor deze minder gemakkelijk dikker kan worden. Het gevolg is dat het oog vanaf een leeftijd van ongeveer 40 jaar minder goed op nabijgelegen voorwerpen kan scherp stellen. Dit verschijnsel wordt ‘presbyopie' of ‘ouderdomsverziendheid' genoemd. Dit probleem kan worden gecompenseerd met een leesbril of met dubbelgeslepen (‘bifocale') glazen of lenzen.

Op oudere leeftijd kunnen veranderingen van het oogwit optreden. Het kan geel of bruin verkleuren door jarenlange blootstelling aan ultraviolet licht, wind en stof. Er kunnen willekeurige pigmentvlekken ontstaan. Dit komt vaker voor bij personen met een donkere huidskleur. Het oogwit kan een blauwachtige tint krijgen doordat het dunner wordt.

Het aantal slijmcellen in het bindvlies kan met de leeftijd afnemen. De productie van traanvocht kan ook met de jaren verminderen, zodat er minder traanvocht beschikbaar is om het oogoppervlak vochtig te houden. Deze twee veranderingen verklaren waarom ouderen vaker droge ogen hebben.

Arcus senilis (een afzetting van calcium- en cholesterolzouten) wordt zichtbaar als witgrijze ring op de rand van het hoornvlies. Dit komt vaak voor bij personen ouder dan 60 jaar. Deze aandoening heeft geen invloed op het gezichtsvermogen.

Sommige aandoeningen van het netvlies (zie Aandoeningen van het netvlies: Introductie) komen vooral voor bij mensen op hoge leeftijd, bijvoorbeeld maculadegeneratie (gelevlekdegeneratie), diabetische retinopathie en netvliesloslating. Andere oogziekten, zoals cataract (grijze staar) en droge ogen, komen vaker voor.

De spieren die de oogleden dichtknijpen, verliezen met de jaren aan kracht. Als de oogleden door de ouderdom slapper worden, leiden deze oorzaken samen tot ectropion, een aandoening waarbij het onderste ooglid van de oogbol loskomt. Bij sommige ouderen neemt de hoeveelheid vet rondom de oogkas af waardoor de oogbol in de oogkas zakt.

De spieren die de grootte van de pupillen regelen, worden met de jaren slapper. De pupillen worden kleiner, reageren trager op licht en verwijden zich langzamer in het donker. Daardoor kan het voorkomen dat mensen ouder dan 60 jaar voorwerpen minder helder zien, dat ze in eerste instantie verblind worden als ze naar buiten gaan (of door tegemoetkomend verkeer als ze in het donker autorijden) en dat ze moeite hebben goed te zien wanneer ze van een helder verlichte ruimte naar een donkere gaan. Deze veranderingen kunnen vooral hinderlijk zijn in combinatie met de gevolgen van cataract.

Er treden nog andere veranderingen in de oogfunctie op naarmate mensen ouder worden. De gezichtsscherpte wordt minder ondanks het gebruik van een goede bril. De hoeveelheid licht die de achterzijde van het netvlies bereikt, neemt af, waardoor betere verlichting en een sterker contrast tussen voorwerpen en de achtergrond noodzakelijk wordt. De waarneming van kleur en diepte verslechtert. Ouderen zien soms ook meer zwevende zwarte vlekjes (floaters). Deze tasten het gezichtsvermogen niet aanmerkelijk aan.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Bouw en functie

Volgende: Spieren, zenuwen en bloedvaten

Illustraties
Tabellen
Disclaimer