MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Inwendige geslachtsorganen

De inwendige geslachtsorganen vormen een doorgangsroute (het genitale stelsel). Deze route bestaat uit de volgende onderdelen:

  • de vagina (deel van het geboortekanaal), waarin het sperma terechtkomt en waardoor een baby naar buiten komt
  • de baarmoeder (uterus), waarin een embryo tot een foetus kan uitgroeien
  • de eileiders (tubae Fallopii), waarin een zaadcel een eicel kan bevruchten
  • de eierstokken (ovaria), die eicellen produceren en loslaten.

Sperma kan door het genitale stelsel opstijgen en eicellen kunnen door het stelsel afdalen.

Aan het begin van het stelsel, net binnen de vaginale opening, bevindt zich een slijmvlies, het maagdenvlies (hymen). Bij een vrouw die nog maagd is, ligt dit vlies gewoonlijk als een strakke ring rond de opening, maar het kan de opening ook volledig afsluiten. Het maagdenvlies helpt het genitale stelsel beschermen, maar is niet nodig voor een goede gezondheid. Het kan bij de eerste poging tot geslachtsgemeenschap inscheuren, maar kan ook zo soepel en plooibaar zijn dat het intact blijft. Het maagdenvlies kan ook tijdens lichamelijke inspanning of bij het inbrengen van een tampon of pessarium inscheuren. Het inscheuren gaat meestal met licht bloedverlies gepaard. Bij vrouwen die geslachtsgemeenschap hebben gehad, is het maagdenvlies meestal niet meer te zien of vormt het een rafelig randje weefsel rond de vaginale opening.

De vagina is een nauw, gespierd, maar elastisch orgaan dat bij een volwassen vrouw ongeveer 10 tot 13 cm lang is. De vagina verbindt de uitwendige geslachtsorganen met de baarmoeder en is bij de vrouw het voornaamste orgaan voor geslachtsgemeenschap, waarin de man zijn penis inbrengt. De vagina is de doorgang voor zaadcellen naar de eicel en voor menstruatiebloed of een baby naar buiten.

Gewoonlijk is er geen lege ruimte in de vagina behalve wanneer deze wordt opengesperd, bijvoorbeeld tijdens een onderzoek of geslachtsgemeenschap. De onderste 3 tot 4 cm van de vagina worden omgeven door elastische spieren die de wijdte van de opening bepalen. Deze spieren trekken zich tijdens geslachtsgemeenschap ritmisch samen en kunnen met zogeheten ‘Kegel-oefeningen' worden versterkt.

De vagina is bekleed met slijmvlies dat vochtig wordt gehouden door uittredend vocht uit de bloedvaten (transsudatie) en in het eerste deel van de cyclus door slijmproductie door de baarmoederhals (cervix, het onderste deel van de baarmoeder). Dit vocht kan als vaginale afscheiding naar buiten komen, wat normaal is. Tijdens de vruchtbare jaren van een vrouw heeft het slijmvlies van de vagina plooien en ribbels. Voor de puberteit en na de menopauze (de laatste menstruatie) is het slijmvlies glad (tenzij de vrouw oestrogeen gebruikt).

De baarmoeder is een gespierd, peervormig orgaan met een dikke wand en bevindt zich midden in het bekken, achter de blaas en voor de endeldarm (het rectum). De baarmoeder is met verscheidene banden (ligamenten) verankerd. De belangrijkste functie van de baarmoeder is ondersteuning van een zich ontwikkelende foetus. De baarmoeder bestaat uit de baarmoederhals (cervix) en het baarmoederlichaam (corpus).

De baarmoederhals, het onderste deel van de baarmoeder, steekt in het bovenste uiteinde van de vagina uit en is bij inwendig onderzoek zichtbaar. De baarmoederhals is net als de vagina met slijmvlies bekleed, maar dit slijmvlies is glad.

Via een kanaal door de baarmoederhals kunnen zaadcellen in de baarmoeder binnendringen en kan menstruatiebloed naar buiten vloeien. Het kanaal is nauw. Tijdens de bevalling wordt het kanaal wijder om de baby door te laten. De baarmoederhals vormt meestal een goede barrière tegen bacteriën, behalve tijdens de menstruatie, rond het moment dat de eierstokken een eicel loslaten (ovulatie) en tijdens een bevalling. Tijdens geslachtsgemeenschap kunnen bacteriën via de baarmoederhals in de baarmoeder binnendringen. In tegenstelling tot bacteriën die seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's) veroorzaken (zie Seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's): Introductie), vormen normaal in de vagina aanwezige bacteriën zelden problemen.

Het baarmoederhalskanaal is bekleed met slijmproducerende klieren. Dit slijm is tot kort voor de ovulatie dik en ondoordringbaar voor zaadcellen. Rond de ovulatie verandert de consistentie van het slijm zodanig dat de zaadcellen er doorheen kunnen zwemmen en bevruchting kan plaatsvinden. In deze fase kunnen de slijmafscheidende klieren van de baarmoederhals levende zaadcellen twee tot drie dagen opslaan. Deze zaadcellen kunnen zich later door het baarmoederlichaam omhoog bewegen en de eileiders binnengaan om de eicel te bevruchten. Geslachtsgemeenschap een tot twee dagen vóór ovulatie kan dus tot zwangerschap leiden. Bij sommige vrouwen varieert de tijd tussen een menstruatie en de volgende ovulatie van maand tot maand. Het moment waarop deze vrouwen zwanger kunnen raken, is dus per menstruele cyclus verschillend.

Het baarmoederlichaam, dat zeer gespierd is, kan oprekken om plaats te bieden aan een groeiende foetus. De gespierde wanden van de baarmoeder trekken tijdens de bevalling samen om de baby door de baarmoederhals en de vagina uit te drijven. Tijdens de vruchtbare jaren is het baarmoederlichaam tweemaal zo lang als de baarmoederhals. Na de menopauze is dit omgekeerd.

Tijdens de menstruele cyclus (die meestal ongeveer een maand duurt) wordt het slijmvlies van het baarmoederlichaam (endometrium) dikker. Als de vrouw tijdens deze cyclus niet zwanger raakt, wordt het grootste deel van het baarmoederslijmvlies afgestoten, wat resulteert in de menstruatie.

De twee eileiders, die ongeveer 5 tot 8 cm lang zijn, strekken zich vanaf de bovenkant van de baarmoeder in de richting van de eierstokken uit. De eileiders zijn niet met de eierstokken verbonden, maar hebben elk een trechtervormig uiteinde met franjeachtige uitlopers (fimbriae). Wanneer een eicel uit een eierstok vrijkomt, loodsen de franjeachtige uitlopers de eicel de relatief grote opening van een eileider in.

De eileiders zijn met zeer kleine haarachtige uitsteeksels (trilharen of cilia) bekleed. De trilharen en spieren in de wand van de eileider stuwen een eicel door de eileider omlaag naar de baarmoeder. In de eileider kan de eicel door een zaadcel worden bevrucht. (zie Normale zwangerschap: Bevruchting)

De eierstokken zijn ellipsvormige organen, meestal parelmoerkleurig; de normale afmeting is 4×3×1 cm. Ze zitten met banden aan de baarmoeder vast. Naast vrouwelijke (oestrogeen en progesteron) en mannelijke geslachtshormonen produceren de eierstokken in de vruchtbare levensfase elke maand een rijpe eicel. De zich ontwikkelende eicellen (oöcyten) hangen in met vocht gevulde blaasjes (follikels) in de wand van de eierstokken opgeslagen. Elke follikel bevat één oöcyt.

illustrative-material.figure-short 2

Inwendige geslachtsorganen bij de vrouw

Inwendige geslachtsorganen bij de vrouw

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Gevolgen van ouder worden

Volgende: Menstruele cyclus

Illustraties
Tabellen
Disclaimer