MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ
In dit onderwerp
Puberteit
Naar boven

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Puberteit

De lichamelijke veranderingen in de puberteit worden gereguleerd door veranderingen in de concentraties van door de hypofyse geproduceerde hormonen: het luteïniserend hormoon (LH) en het follikelstimulerend hormoon (FSH). In het bloed van een pasgeboren meisje zijn deze hormoonspiegels hoog, maar ze dalen binnen enkele maanden en blijven dan laag tot de puberteit. Aan het begin van de puberteit stijgen de concentraties van het luteïniserend hormoon en follikelstimulerend hormoon weer, waardoor de productie van geslachtshormonen wordt gestimuleerd. De toegenomen concentraties van geslachtshormonen brengen lichamelijke veranderingen teweeg, zoals de ontwikkeling van borsten en de volgroeiing van eierstokken, baarmoeder en vagina. Meestal voltrekken deze veranderingen zich in een bepaalde volgorde tijdens de puberteit en resulteren in geslachtsrijpheid. (zie Normale adolescenten:Ontwikkeling van de seksualiteitIllustraties)

De eerste verandering bij meisjes in de puberteit is doorgaans de borstontwikkeling. Dit begint meestal rond een leeftijd van 9 tot 11 jaar. Korte tijd later begint de groei van schaam- en okselhaar. De periode tussen beginnende borstgroei en de eerste menstruatie duurt gewoonlijk ongeveer twee jaar. Gemiddeld menstrueren meisjes voor het eerst wanneer ze bijna 13 jaar zijn, maar vanaf 10 jaar geldt als normaal. Het lichaam van een meisje verandert van vorm en het percentage lichaamsvet neemt toe. De lengtegroeispurt, die bij de puberteit hoort, begint vaak zelfs voordat er sprake is van borstontwikkeling. De groei is aan het begin van de puberteit (voordat de menstruatie begint) het sterkst, met een hoogtepunt rond 12 jaar. Daarna verloopt de groei aanzienlijk trager, totdat deze op de leeftijd van 14 tot 16 jaar meestal volledig stopt. (zie Diagrammen voor beoordeling van lichaamsgroei en -gewicht)

illustrative-material.sidebar 1

Hoeveel eicellen? 

De eierstokken van een meisje zijn bij haar geboorte al met eicellen (oöcyten) gevuld. Bij een zwangerschapsduur van 16 tot 20 weken bevatten de eierstokken van een vrouwelijke foetus 6 tot 7 miljoen eicellen. Het grootste deel van de eicellen sterft geleidelijk af, zodat er bij de geboorte nog ongeveer 1 tot 2 miljoen over zijn. Na de geboorte ontwikkelen zich geen nieuwe eicellen meer. Aan het begin van de puberteit zijn er nog slechts zo'n 300.000 over, meer dan genoeg voor het gehele vruchtbare leven van de vrouw. Slechts een klein percentage eicellen komt tot rijping. De vele duizenden eicellen die niet rijpen, sterven af. Dit proces verloopt sneller in de laatste 10 tot 15 jaar voor de menopauze. Tegen de menopauze zijn er geen eicellen meer over.

Tijdens de geslachtsrijpe periode van de vrouw komen er niet meer dan ongeveer 400 eicellen vrij, meestal één in elke menstruele cyclus. Een eicel blijft totdat zij vrijkomt in rusttoestand in de follikel; de ontwikkeling wordt midden in een celdeling tijdelijk buiten werking gesteld. Een eicel is daardoor een van de langstlevende cellen in het lichaam. Omdat bij een eicel in rusttoestand de normale celherstelmechanismen niet functioneren, wordt de kans op beschadiging groter naarmate de vrouw ouder wordt. De kans op een chromosomale of genetische afwijking neemt daarom toe naarmate een vrouw op latere leeftijd zwanger wordt.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Menstruele cyclus

Volgende: Uitwendige geslachtsorganen

Illustraties
Tabellen
Disclaimer