MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Baarmoederhalskanker

De baarmoederhals (cervix) is het onderste deel van de baarmoeder dat in de vagina uitmondt. Van alle vormen van gynaecologische kanker is baarmoederhalskanker (cervixcarcinoom) de op twee na meest voorkomende vorm bij alle vrouwen en de meest voorkomende vorm bij jongere vrouwen. Baarmoederhalskanker komt vooral bij vrouwen tussen 35 en 55 jaar voor, maar kan ook al op een leeftijd van 20 jaar ontstaan.

Baarmoederhalskanker wordt veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV) dat bij geslachtsgemeenschap wordt overgebracht. Dit virus veroorzaakt ook genitale wratten. (zie Seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's): Genitale wratten)

Hoe jonger een vrouw was toen ze voor het eerst geslachtsgemeenschap had en hoe meer seksuele partners ze heeft gehad, des te groter is het risico van baarmoederhalskanker.

In ongeveer 85% van de gevallen gaat het om een plaveiselcelcarcinoom dat ontstaat in de schubvormige platte huidachtige cellen die de baarmoederhals bedekken. De meeste andere soorten van baarmoederhalskanker zijn adenocarcinomen, die uit kliercellen ontstaan, of adenosquameuze carcinomen, die uit een combinatie van beide celtypen ontstaan.

Baarmoederhalskanker begint op het oppervlak van de baarmoederhals en kan tot diep onder het oppervlak doorgroeien. De kanker kan zich rechtstreeks naar nabijgelegen weefsels, zoals de vagina, verspreiden, maar kan ook het uitgebreide netwerk van kleine bloed- en lymfevaten in de baarmoederhals binnendringen en zich vervolgens naar andere delen van het lichaam verspreiden.

Symptomen en diagnose

In de vroege stadia veroorzaakt baarmoederhalskanker meestal geen symptomen. Mogelijke symptomen zijn bloedverlies tussen de menstruaties (spotting), bloedverlies na geslachtsgemeenschap of ongewoon hevige menstruaties. In latere stadia komt dergelijk abnormaal bloedverlies veel voor. Andere mogelijke symptomen zijn een onaangenaam ruikende vaginale afscheiding, pijn in het bekkengebied of de onderrug en opgezwollen benen. De urinewegen kunnen geblokkeerd raken, wat zonder behandeling tot nierinsufficiëntie en de dood kan leiden.

Als regelmatig een uitstrijkje wordt gemaakt of ander vergelijkbaar onderzoek wordt uitgevoerd, kan baarmoederhalskanker al in een vroeg stadium worden opgespoord. (zie Symptomen en diagnose van gynaecologische aandoeningen: Diagnostische procedures)

Baarmoederhalskanker begint met langzame progressieve veranderingen in gezonde cellen op het oppervlak van de baarmoederhals. Deze veranderingen worden ‘dysplasie' genoemd. Als deze dysplasie niet wordt behandeld, kunnen deze cellen na verloop van tijd, soms na jaren, kwaadaardig worden. Een uitstrijkje wordt behalve op de aanwezigheid van kankercellen ook op deze veranderingen onderzocht. Vrouwen met dysplasie moeten na 3 tot 4 maanden opnieuw door middel van colposcopie worden onderzocht.

Met een uitstrijkje kan nauwkeurig en goedkoop tot 90% van alle gevallen van baarmoederhalskanker worden opgespoord, zelfs voordat er symptomen zijn. Daardoor is sinds de introductie van het uitstrijkje het aantal vrouwen dat aan baarmoederhalskanker overlijdt met meer dan 50% gedaald. In het kader van het bevolkingsonderzoek adviseren artsen vrouwen meestal voor het eerst een uitstrijkje te laten maken vanaf de leeftijd van 35 jaar. Tot de leeftijd van 60 jaar moet iedere vijf jaar een uitstrijkje worden gemaakt, tenzij er een afwijking wordt gevonden. In dat geval vindt frequentere controle plaats. Als het uitstrijkje in drie achtereenvolgende jaren normaal is, kan de frequentie weer worden teruggebracht tot eens in de vijf jaar. Een vrouw die baarmoederhalskanker of dysplasie heeft gehad, moet ten minste eenmaal per jaar een uitstrijkje laten maken. Als alle vrouwen regelmatig een uitstrijkje zouden laten maken, zouden er vrijwel geen vrouwen meer aan baarmoederhalskanker overlijden (sterftedaling van 2,8 naar 0,1 per 100.000 vrouwen per jaar). In Nederland laat in het kader van het bevolkingsonderzoek ongeveer 70% van de vrouwen regelmatig een uitstrijkje maken; dit betekent dat 30% van de vrouwen dit niet doet.

Als bij een inwendig onderzoek een gezwel, wondje of ander afwijkend weefsel aan de baarmoederhals zichtbaar is, of als een uitstrijkje een afwijking of kanker aan het licht brengt, wordt een biopsie uitgevoerd. Meestal gebruikt de arts een instrument met een binoculaire vergrotende lens (colposcoop) om de baarmoederhals te onderzoeken en de beste plaats voor de biopsie te kiezen. De biopsie wordt doorgaans uitgevoerd met behulp van een diathermische lis. Dit is een dunne, lusvormige draad waardoor een elektrisch stroom wordt geleid en waarmee de arts een stukje weefsel (biopt) voor onderzoek wegneemt. Deze methode wordt ‘lisbiopsie' (of large-loop excision of the transformation zone, LLETZ) genoemd. De biopsie is niet pijnlijk, maar er kan wel wat bloedverlies optreden.

Als de diagnose niet met zekerheid kan worden gesteld, wordt een exconisatie uitgevoerd, waarbij een groter, kegelvormig stuk weefsel wordt weggenomen. Als alternatief kan laser (een sterk gerichte lichtbundel) worden gebruikt. Beide methoden kunnen onder plaatselijke verdoving poliklinisch worden uitgevoerd. Soms wordt een koude (niet-elektrische) scalpel gebruikt, maar deze ingreep moet in een operatiekamer en onder narcose worden uitgevoerd.

Als baarmoederhalskanker wordt gediagnosticeerd, worden de exacte omvang en de locaties vastgesteld (stagering). Stagering begint met een inwendig onderzoek en vervolgens wordt een reeks onderzoeken (zoals cystoscopie, thoraxfoto, intraveneuze urografie en sigmoïdoscopie) uitgevoerd om vast te stellen of de kanker zich naar de nabijgelegen weefsels of naar andere delen van het lichaam heeft verspreid. Er kunnen ook nog andere onderzoeken worden uitgevoerd, zoals computertomografie (CT), magnetische kernspinresonantie (MRI), een bariumklysma en bot- en leverscans.

Prognose en behandeling

De prognose is afhankelijk van het stadium van de kanker. (zie Kanker van de vrouwelijke geslachtsorganen :IntroductieTabellen)

Als de kanker wordt behandeld, is 80 tot 90% van alle vrouwen met kanker in stadium I en 50 tot 65% van alle vrouwen met kanker in stadium II 5 jaar na de diagnose nog in leven. Slechts 25 tot 35% van alle vrouwen met kanker in stadium III en 15% of minder van alle vrouwen met kanker in stadium IV is na 5 jaar nog in leven.

Ook de behandeling is afhankelijk van het stadium. Als alleen het oppervlak van de baarmoederhals is aangetast, kan het verdachte weefsel vaak volledig worden verwijderd. Hiertoe wordt met behulp van elektrocauterisatie (hitte), laser of een koude scalpel een deel van de baarmoederhals verwijderd. Zwangerschap blijft na deze behandelingen mogelijk. Omdat de aandoening kan terugkeren, wordt vrouwen meestal geadviseerd het eerste jaar elke 3 maanden voor onderzoek en een uitstrijkje terug te komen, en daarna elke 6 maanden. Verwijdering van de baarmoeder (hysterectomie) is zelden nodig.

Als er uitzaaiingen in het bekkengebied zijn, is verwijdering van de baarmoeder en de omringende weefsels, banden en lymfeklieren (radicale hysterectomie) noodzakelijk. Ook de eierstokken kunnen worden weggenomen. Normale, goed functionerende eierstokken worden bij jongere vrouwen niet verwijderd. Als alternatief kan radiotherapie worden toegepast. Radiotherapie heeft meestal weinig of geen directe bijwerkingen, maar kan de blaas of endeldarm irriteren. Uiteindelijk kunnen de darmen afgesloten raken en kunnen de blaas en endeldarm beschadigd raken. Ook functioneren de eierstokken meestal niet meer. Zowel met radicale hysterectomie als met radiotherapie geneest ongeveer 85 tot 90% van de vrouwen.

Als er uitgebreide uitzaaiingen in het bekken of in andere organen zijn, wordt aan radiotherapie de voorkeur gegeven. Deze behandeling heeft bij ongeveer 40% van de vrouwen met grote of uitgebreide tumoren echter geen effect.

Wanneer de kanker zich sterk heeft verspreid of terugkomt, wordt soms chemotherapie aanbevolen, meestal met cisplatine Handelsnaam
Platinol
Platosin
en ifosfamide. Bij slechts 25 tot 30% van de vrouwen die met chemotherapie worden behandeld, slinkt de tumor en worden verdere uitzaaiingen voorkomen, maar dit effect is meestal tijdelijk.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Introductie

Volgende: Baarmoederkanker

Illustraties
Tabellen
Disclaimer