MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Vaginakanker

Slechts ongeveer 1% van alle vormen van gynaecologische kanker betreft de vagina. Vaginakanker (vaginacarcinoom) komt meestal voor bij vrouwen ouder dan 45 jaar. De gemiddelde leeftijd bij de diagnose is 60 tot 65 jaar.

In meer dan 95% van de gevallen gaat het om plaveiselcelcarcinomen. Plaveiselcelcarcinoom van de vagina kan worden veroorzaakt door het humaan papillomavirus (HPV), hetzelfde virus dat genitale wratten en baarmoederhalskanker veroorzaakt. In de meeste andere gevallen van vaginakanker is sprake van adenocarcinomen. Een zeldzame vorm van vaginakanker, clear-cell-carcinoom, komt vrijwel uitsluitend voor bij vrouwen van wie de moeder tijdens de zwangerschap het middel diëthylstilbestrol (DES) heeft gebruikt om een miskraam te voorkomen. In Nederland werd dit middel in 1975 verboden.

Vaginakanker kan, afhankelijk van het type, beginnen op het oppervlak van het vaginaslijmvlies. Zonder behandeling groeit de tumor door en dringt dan de omringende weefsels binnen. Uiteindelijk kan de kanker zich naar andere delen van het lichaam uitzaaien.

Symptomen en diagnose

Het meest voorkomende symptoom is vaginaal bloedverlies, dat tijdens of na geslachtsgemeenschap, tussen de menstruaties of na de menopauze kan optreden. Op het vaginaslijmvlies kunnen zweertjes ontstaan, die kunnen bloeden en die geïnfecteerd kunnen raken. Andere symptomen zijn onder meer een waterige afscheiding en pijn tijdens geslachtsgemeenschap. Sommige vrouwen hebben geen symptomen. Grote tumoren kunnen ook de blaas aantasten, waardoor de vrouw vaak aandrang heeft om te urineren en het urineren pijnlijk wordt. Bij kanker in een gevorderd stadium kunnen abnormale verbindingen (fistels) tussen de vagina en de blaas of endeldarm ontstaan.

Een arts kan vaginakanker vermoeden op basis van de symptomen, wanneer tijdens een routinematig inwendig onderzoek afwijkingen zichtbaar zijn of bij een afwijkende uitslag van een uitstrijkje. De arts kan de vagina met een instrument met een binoculaire vergrotende lens (colposcoop) onderzoeken. Om de diagnose te bevestigen, schraapt de arts een kleine hoeveelheid cellen van de vaginawand af voor microscopisch onderzoek. Ook wordt een biopt genomen van elk knobbeltje, zweertje of ander afwijkend deel van de vagina dat bij een inwendig onderzoek wordt waargenomen.

Prognose en behandeling

De prognose is afhankelijk van het stadium van de kanker. (zie Kanker van de vrouwelijke geslachtsorganen :IntroductieTabellen)

Als de kanker tot de vagina is beperkt, is 5 jaar na de diagnose ongeveer 65 tot 70% van de vrouwen nog in leven. Als de kanker zich buiten het bekken of naar de blaas of endeldarm heeft uitgezaaid, is na 5 jaar slechts 15 tot 20% nog in leven.

Ook de behandeling is afhankelijk van het stadium. Meestal wordt bij de behandeling van vaginakanker de voorkeur gegeven aan een operatie, met of zonder radiotherapie. Radiotherapie kan inwendig worden toegepast (waarbij radioactieve implantaten in de vagina worden ingebracht) of uitwendig (van buiten het lichaam op het bekken gericht). Radiotherapie wordt vaak gecombineerd met of gevolgd door chirurgische verwijdering van de tumor. Bij kanker in het bovenste derde deel van de vagina kan een hysterectomie met verwijdering van de lymfeklieren in het bekken en het bovenste deel van de vagina noodzakelijk zijn. Bij kanker in een vergevorderd stadium is een operatie vaak niet mogelijk. In dergelijke gevallen bestaat de behandeling meestal uit radiotherapie en chemotherapie.

Geslachtsgemeenschap kan na de behandeling van vaginakanker moeilijk of onmogelijk zijn, hoewel soms een nieuwe vagina kan worden geconstrueerd door transplantaties van stukken huid of darm.

illustrative-material.sidebar 3

Complicaties en risico's bij (kinderen van) DES-dochters en ‑zonen

Voor DES-dochters neoplasieën:

  • kans van 1 op 1000 op clear-cell-adenocarcinoom van vagina en/of baarmoederhals
  • verdubbelde kans op voorstadia van kanker van vagina en baarmoederhals

In verband met deze risico's worden DES-dochters jaarlijks onderzocht door een gynaecoloog voor uitstrijkjes van vaginawanden en baarmoederhals, colposcopie (zie Symptomen en diagnose van gynaecologische aandoeningen: Colposcopie) en palpatie (onderzoek door aftasten met de vingers)

  • morfologische en structurele afwijkingen van de geslachtsorganen
  • adenosis vaginae (te sterke groei van klierweefsel in de vagina)
  • richels of plooien in vagina, uitstulping aan cervix, hypoplastische baarmoederhals
  • anatomische afwijkingen van baarmoeder en eileiders
  • vruchtbaarheids- en zwangerschapsproblemen
  • verhoogd risico op primaire en secundaire infertiliteit
  • verhoogd risico op zwangerschapscomplicaties als miskraam, buitenbaarmoederlijke zwangerschap (extra-uteriene graviditeit, EUG) en vroeggeboorte
Voor derde generatie (kinderen van DES‑zonen en ‑dochters):
  • DES-kleinzoontjes hebben mogelijk een verhoogd risico van een aangeboren afwijking aan de penis.
  • Indirect effect door relatief groot aantal vroeggeboorten van DES-dochter.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Mola hydatidosa

Volgende: Vulvakanker

Illustraties
Tabellen
Disclaimer