MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Anticonceptie

Door toepassing van anticonceptie wordt voorkomen dat een eicel door een zaadcel wordt bevrucht (conceptie) of dat de bevruchte eicel zich aan het baarmoederslijmvlies hecht (innesteling).

Er zijn verschillende anticonceptiemethoden. Geen ervan is 100% effectief, maar sommige methoden zijn veel betrouwbaarder dan andere. Elke anticonceptiemethode heeft voor- en nadelen. De keuze voor een bepaalde methode hangt af van de levensstijl en voorkeuren van de persoon in kwestie en van de vereiste mate van betrouwbaarheid.

illustrative-material.table-short 1

HOE BETROUWBAAR IS ANTICONCEPTIE?

methode

percentage vrouwen dat in het eerste jaar van gebruik zwanger wordt

orale anticonceptiemiddelen:

combinatiepil (oestrogeen en progestageen)

progestageenpil

0,1-5

0,5-5

implantaten

0,1

prikpil ( medroxyprogesteron Handelsnaam
Provera
Depo‑Provera
Farlutal
)

0,3

condoom:

mannencondoom

vrouwencondoom

3-14

5-21

pessarium met zaaddodend middel

6-20

cervixkapje met zaaddodend middel

9-40

spiraaltje (IUD)

0,1-0,6

natuurlijke methode van geboorteregeling

1-25

coitus interruptus 4-19

Hormonale methoden

De hormonen die worden gebruikt om bevruchting te voorkomen, zijn oestrogeen en progestagenen (middelen die op het hormoon progesteron lijken). Door toepassing van hormonale methoden wordt een zwangerschap voorkomen doordat de hormonen ervoor zorgen dat er uit de eierstokken geen eicellen vrijkomen of dat het slijm in de baarmoederhals ondoordringbaar blijft, zodat zaadcellen niet via de baarmoederhals de baarmoeder kunnen bereiken. Hormonale methoden voorkomen dus dat de eicel wordt bevrucht.

Orale anticonceptiemiddelen

Orale anticonceptiemiddelen, beter bekend als ‘de pil', bevatten hormonen: een combinatie van een progestageen en oestrogeen, of alleen een progestageen.

Een combinatiepil wordt gewoonlijk gedurende 3 weken eenmaal per dag ingenomen, dan een week niet (om een onttrekkingsbloeding op te wekken) en vervolgens wordt opnieuw begonnen. In de week dat geen combinatietabletten worden ingenomen, kunnen niet-werkzame tabletten worden geslikt. Zo ontstaat de routine om eenmaal per dag een tablet in te nemen. Van de vrouwen die een combinatiepil volgens de instructies slikken, wordt minder dan 0,2% in het eerste jaar van gebruik zwanger. Het risico van een zwangerschap neemt echter toe als een vrouw een tablet overslaat of vergeet. Dit geldt vooral voor de eerste tabletten van een maandelijkse cyclus.

De dosis oestrogeen in combinatiepillen varieert. Meestal worden combinatiepillen met een lage dosis oestrogeen (20 tot 35 microgram) gebruikt, omdat deze minder ernstige bijwerkingen hebben dan combinatiepillen met een hoge dosis oestrogeen (50 microgram). Gezonde vrouwen die niet roken, kunnen tot de menopauze ononderbroken combinatiepillen met een lage dosis oestrogeen gebruiken.

Tabletten die alleen een progestageen bevatten, worden elke dag van de maand ingenomen. Deze methode veroorzaakt vaak onregelmatige bloedingen. Van de vrouwen die deze tabletten innemen, wordt 0,5 tot 5% zwanger. Tabletten met alleen een progestageen worden meestal uitsluitend voorgeschreven wanneer het gebruik van oestrogeen schadelijk kan zijn. Ze kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt door vrouwen die borstvoeding geven, omdat oestrogeen de hoeveelheid en de kwaliteit van moedermelk verlaagt. Tabletten met alleen een progestageen hebben geen invloed op de productie van moedermelk.

Voordat een vrouw orale anticonceptiemiddelen gaat gebruiken, wordt aangeraden dat ze zich lichamelijk laat onderzoeken, inclusief een bloeddrukmeting. Dit onderzoek dient om vast te stellen dat ze geen gezondheidsproblemen heeft waardoor het gebruik van deze middelen riskant zou kunnen zijn. Als er geen contra-indicaties bestaan, gebruikt de vrouw het middel zonder controle. Als er eenmaal een recept is uitgeschreven, kan de vrouw de medicatie zonder herhalingsrecept bij de apotheek verkrijgen.

Voordat een vrouw orale anticonceptiemiddelen gaat gebruiken, moet ze ook de voor- en nadelen van deze middelen in haar specifieke situatie met haar arts bespreken.

Voordelen: het belangrijkste voordeel is een betrouwbare, ononderbroken anticonceptie, mits de middelen volgens de instructies worden ingenomen. Het gebruik van orale anticonceptiemiddelen verkleint daarnaast het optreden van menstruatiekrampen, het premenstrueel syndroom (PMS), onregelmatige bloedingen, bloedarmoede (anemie), cysten in de borsten of eierstokken (ovaria), buitenbaarmoederlijke (ectopische) zwangerschap (vrijwel altijd in een eileider) en infecties van de eileiders (tubae Fallopii). Bovendien hebben vrouwen die orale anticonceptiemiddelen gebruiken, een kleiner risico van reumatoïde artritis of osteoporose (botontkalking).

Het gebruik van orale anticonceptiemiddelen verlaagt het risico van verschillende vormen van kanker, zoals baarmoederslijmvlieskanker (endometriumcarcinoom), eierstokkanker (ovariumcarcinoom), dikkedarmkanker (coloncarcinoom) en endeldarmkanker (rectumcarcinoom). Jaren nadat het gebruik van de anticonceptiemiddelen is gestaakt, is dit risico nog steeds lager. Bij vrouwen die orale anticonceptiemiddelen gebruiken, wordt iets vaker borstkanker gediagnosticeerd. Dat is niet langer het geval nadat het gebruik van deze middelen is gestaakt, zelfs niet bij vrouwen bij wie borstkanker in de familie voorkomt.

Het gebruik van orale anticonceptiemiddelen vroeg in de zwangerschap heeft geen nadelige gevolgen voor de foetus. Zodra de vrouw echter merkt dat ze zwanger is, moet ze het gebruik staken. Orale anticonceptiemiddelen hebben op lange termijn geen gevolgen voor de vruchtbaarheid, hoewel het na het stoppen met de pil enkele maanden kan duren voordat er een eicel vrijkomt (ovulatie).

Nadelen: de nadelen van orale anticonceptiemiddelen zijn onder meer hinderlijke bijwerkingen. Onregelmatige doorbraakbloedingen komen veel voor in de eerste maanden van pilgebruik, maar meestal stoppen deze bloedingen zodra het lichaam zich aan de hormonen heeft aangepast. Het aantal bloedingen kan ook teruglopen wanneer gedurende enkele maanden zonder onderbreking elke dag de pil wordt geslikt.

Een aantal bijwerkingen, zoals misselijkheid, een opgeblazen gevoel, vocht vasthouden, verhoogde bloeddruk, gevoelige borsten en migraine, worden veroorzaakt door het oestrogeen in de tabletten. Andere bijwerkingen, zoals stemmingsstoornissen, gewichtstoename, acne en nervositeit, hangen samen met het soort of de dosis van het progestageen. Sommige vrouwen die orale anticonceptiemiddelen gebruiken, houden vocht vast. Ook hoofdpijn en slaapproblemen kunnen voorkomen. Veel van deze bijwerkingen komen vrijwel niet voor bij gebruik van de laaggedoseerde tabletten.

Sommige vrouwen krijgen door het gebruik van de pil donkere vlekken (chloasma, ook wel melasma genoemd) in het gezicht, vergelijkbaar met de vlekken die tijdens een zwangerschap kunnen ontstaan. (zie Pigmentstoornissen: Behandeling)

Door blootstelling aan zonlicht worden de vlekken donkerder. Als de vrouw met de pil stopt, vervagen de donkere vlekken geleidelijk.

Door het gebruik van orale anticonceptiemiddelen neemt het risico van bepaalde aandoeningen toe. Het risico van het ontstaan van bloedstolsels in de aders is bij vrouwen die de combinatiepil slikken groter dan bij vrouwen die de pil niet gebruiken. Dit risico is echter alleen verhoogd bij vrouwen die beginnen met een desogestrel bevattende pil (desogestrel: progestagene stof in de zogeheten ‘combinatiepillen van de derde generatie'). Omdat door een operatie de kans op het ontstaan van bloedstolsels eveneens toeneemt, moet een vrouw een maand vóór een geplande grote operatie stoppen met het pilgebruik en er pas een maand ná de operatie weer mee beginnen. Gezonde vrouwen die niet roken, hebben geen groter risico van een hersen- of hartinfarct bij gebruik van een combinatiepil met een lage dosis oestrogeen.

Het risico van het ontstaan van galstenen neemt in de eerste jaren van pilgebruik toe.

Voor bepaalde groepen vrouwen is de kans op een bepaalde aandoening aanzienlijk groter als ze orale anticonceptiemiddelen gebruiken. Zo doen vrouwen ouder dan 35 jaar die roken, er verstandig aan deze middelen niet te gebruiken, omdat het risico van trombo-embolische complicaties verhoogd is. Ook vrouwen met een bepaalde aandoening lopen meer risico als ze de pil gebruiken.

Bepaalde kalmerende middelen (sedativa), antibiotica en antischimmelmiddelen (antimycotica) kunnen de effectiviteit van orale anticonceptiemiddelen verminderen. Vrouwen die de pil gebruiken, kunnen zwanger worden bij gelijktijdig gebruik van een van deze geneesmiddelen.

illustrative-material.sidebar 1

Gevallen waarin moet worden overwogen geen orale anticonceptiemiddelen te gebruiken*

Het gebruik van orale anticonceptiemiddelen moet worden ontraden aan een vrouw die:

  • rookt en ouder is dan 35 jaar
  • een actieve leveraandoening of een levertumor heeft
  • zeer hoge triglyceridenwaarden heeft (2,8 mmol/l of hoger)
  • hoge bloeddruk heeft die niet wordt behandeld
  • diabetes mellitus en bloedvatvernauwingen heeft
  • een nieraandoening heeft
  • trombose heeft gehad
  • een geïmmobiliseerd been heeft (bijvoorbeeld een been in het gips)
  • een coronaire hartziekte heeft
  • een CVA (cerebrovasculair accident, ‘beroerte') heeft gehad
  • zwangerschapscholestase (geelzucht) of geelzucht tijdens eerder pilgebruik heeft gehad
  • borst- of baarmoederslijmvlieskanker heeft gehad
  • een hartinfarct heeft gehad

Orale anticonceptiemiddelen kunnen onder medisch toezicht worden gebruikt, wanneer een vrouw:

  • depressief is
  • premenstrueel syndroom heeft
  • regelmatig migraine heeft (maar geen doof gevoel in de ledematen)
  • rookt, maar jonger dan 35 jaar is
  • hepatitis of een andere leveraandoening heeft gehad en daarvan volledig is hersteld
  • hoge bloeddruk heeft die wordt behandeld
  • spataders heeft
  • een epileptische aandoening heeft die met anti-epileptica wordt behandeld
  • vleesbomen heeft
  • behandeld is voor een (voorstadium van) baarmoederhalskanker
  • te zwaar is
  • naaste familieleden heeft die trombose hebben gehad én als na bloedonderzoek is vastgesteld dat het geen familiaire stollingsstoornis betreft

*Deze beperkingen gelden alleen voor combinatiepillen met oestrogeen en een progestageen.

mmol/l = millimol per liter bloed.

Pleisters en vaginale ringen

Pleisters en vaginale ringen die oestrogeen en een progestageen bevatten, worden 3 weken achtereen gebruikt. In de vierde week wordt geen anticonceptie toegepast om een onttrekkingsbloeding op te wekken.

Gedurende 3 weken wordt eenmaal per week een anticonceptiepleister op de huid geplakt. De pleister blijft 1 week zitten en wordt vervolgens vervangen door een nieuwe pleister die op een andere plaats wordt aangebracht. In de vierde week wordt geen pleister gebruikt.

Een vaginale ring is een kleine kunststof ring die in de vagina wordt gebracht. De ring blijft 3 weken zitten. Daarna wordt de ring gedurende 1 week verwijderd. Een vrouw kan de vaginale ring zelf inbrengen en verwijderen. De ring is in één maat verkrijgbaar en kan op elke gewenste plaats in de vagina worden ingebracht. Tijdens geslachtsgemeenschap wordt de ring door de partner van de vrouw meestal niet gevoeld. Elke maand wordt een nieuwe ring gebruikt.

Bij beide methoden heeft de vrouw een regelmatige menstruatie. Bloedverlies tussen de menstruaties (doorbraakbloedingen) komt minder voor dan bij orale middelen. De bijwerkingen en beperkingen voor het gebruik zijn vergelijkbaar met die van combinatiepillen.

illustrative-material.figure-short 1

De toegang beletten: barrièremiddelen

De toegang beletten: barrièremiddelen

Barrièremiddelen beletten sperma de toegang tot de baarmoeder. Voorbeelden zijn condooms, pessaria en cervixkapjes. Sommige condooms bevatten een zaaddodend middel. Condooms en andere barrièremiddelen moeten in combinatie met een zaaddodend middel worden gebruikt, als ze dat nog niet bevatten.

Geïmplanteerde anticonceptiemiddelen

Anticonceptie-implantaten zijn kunststof capsules of staafjes die een progestageen bevatten. Na plaatselijke verdoving maakt de arts een kleine insnijding of hij gebruikt een naald om het implantaat onder de huid aan de binnenkant van de arm boven de elleboog in te brengen. Hechten is niet nodig. Het implantaat geeft het progestageen langzaam af in de bloedbaan. Op dit moment is er één soort implantaat verkrijgbaar. Dit implantaat wordt met behulp van een naald ingebracht en is 3 jaar werkzaam (maar moet via een insnijding worden verwijderd).

De meest voorkomende bijwerkingen zijn onregelmatige of geen menstruaties in het eerste jaar van gebruik. Daarna worden de menstruaties doorgaans regelmatig. Een andere bijwerking van het middel is dat het veel meer doorbraakbloedingen veroorzaakt dan de overige hormoonbevattende middelen die op de markt verkrijgbaar zijn. Ook hoofdpijn en gewichtstoename kunnen voorkomen. Deze bijwerkingen kunnen sommige vrouwen doen besluiten het implantaat te laten verwijderen. Omdat het implantaat niet in het lichaam oplost, moet het door een arts worden verwijderd. Verwijderen is moeilijker dan inbrengen omdat het onderhuidse weefsel rond het implantaat dikker wordt. Er kan een klein litteken ontstaan. Zodra het implantaat is verwijderd, gaan de eierstokken weer normaal functioneren en wordt de vrouw opnieuw vruchtbaar.

Prikpil

De zogenoemde ‘prikpil' wordt in een arm- of bilspier geïnjecteerd en is zeer effectief als anticonceptiemiddel.

Medroxyprogesteronacetaat, een progestageen, wordt eens in de 3 maanden geïnjecteerd. Medroxyprogesteronacetaat kan de menstruele cyclus volledig verstoren. Van alle vrouwen die dit anticonceptiemiddel gebruiken, menstrueert ongeveer eenderde de eerste 3 maanden na de eerste injectie niet meer. Nog eens eenderde heeft meer dan 11 dagen per maand last van onregelmatige bloedingen en tussentijds bloedverlies. Naarmate dit anticonceptiemiddel langer wordt gebruikt, komen onregelmatige bloedingen minder vaak voor. Na 2 jaar treden bij ongeveer 70% van alle vrouwen helemaal geen bloedingen meer op. Wanneer met de injecties wordt gestopt, komt weer een regelmatige menstruele cyclus op gang. Bij ongeveer de helft van de vrouwen gebeurt dat binnen 6 maanden en bij ongeveer driekwart van de vrouwen binnen 1 jaar. Na het stopzetten van de injecties kan het tot een jaar duren voordat een vrouw weer vruchtbaar is.

Bijwerkingen zijn onder andere een geringe gewichtstoename en een tijdelijke afname van de botdichtheid. Meestal krijgen de botten weer hun oorspronkelijke dichtheid nadat de injecties zijn gestaakt. Het risico van kanker, waaronder borstkanker, is door het gebruik van medroxyprogesteronacetaat niet verhoogd. Het risico van baarmoederslijmvlieskanker daalt zelfs aanzienlijk. Wisselwerkingen met andere geneesmiddelen komen niet vaak voor.

Morning-after-anticonceptie

Bij morning-after-anticonceptie (de zogenoemde ‘morning-after-pil' of ‘noodpil') worden hormonen toegediend binnen 72 uur nadat onbeschermde geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden of nadat een anticonceptiemethode heeft gefaald (bijvoorbeeld bij een gescheurd condoom).

Er zijn twee behandelschema's. Het effectiefste schema bestaat uit één dosis levonorgestrel Handelsnaam
Stediril
Microgynon
Norlevo
, een progestageen, gevolgd door een tweede dosis na 12 uur. Met dit schema wordt 1% van de vrouwen zwanger. Bovendien heeft dit schema minder bijwerkingen dan het andere. Bij het tweede schema worden binnen 72 uur na de onbeschermde geslachtsgemeenschap twee combinatiepillen ingenomen en 12 uur later weer twee. Met dit schema wordt slechts 2% van de vrouwen zwanger, maar 50% heeft last van misselijkheid en 20% van braken. Om misselijkheid en braken te voorkomen, worden antibraakmiddelen (anti-emetica) gegeven, zoals hydroxyzine Handelsnaam
Atarax
Navicalm
voor oraal gebruik. Een alternatief voor de morning-after-pil is het morning-after-spiraaltje. Dit is een gewoon spiraal dat binnen 5 dagen na de onbeschermde gemeenschap moet worden geplaatst.

Barrièremiddelen

Barrièremiddelen beletten sperma letterlijk de toegang tot de baarmoeder. Voorbeelden zijn het condoom (mannen- of vrouwencondoom), pessarium en cervixkapje.

Condooms van latex zijn het enige anticonceptiemiddel dat bescherming biedt tegen seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's), waaronder aandoeningen veroorzaakt door bacteriën (zoals gonorroe en syfilis) en die veroorzaakt door virussen, zoals HIV-infectie. Hoewel condooms een zeer goede bescherming bieden, is deze niet 100%. Falen van een goedgekeurd condoom is echter volledig te wijten aan gebruikersfalen. Mannencondooms van polyurethaan zijn dunner en kunnen sneller scheuren. Mannencondooms van lamsdarm beschermen niet tegen virusinfecties als HIV-infectie en worden dus niet aanbevolen.

Voor een betrouwbare werking moeten condooms op de juiste wijze worden gebruikt. (zie Seksueel overdraagbare aandoeningen (soa's):IntroductieKader)

Sommige mannencondooms moeten zo worden aangebracht dat er ongeveer anderhalve centimeter afstand blijft tussen het uiteinde van het condoom en de penis, zodat er ruimte is om het sperma op te vangen. Andere mannencondooms hebben hiervoor een reservoir aan het uiteinde. De penis moet direct na de zaadlozing worden teruggetrokken, terwijl de rand van het condoom stevig tegen de basis van de penis wordt gedrukt om te voorkomen dat het condoom van de penis afglijdt en er sperma uitlekt. Vervolgens moet het condoom voorzichtig worden verwijderd. Sperma dat uit het condoom lekt, kan in de vagina terechtkomen en een zwangerschap veroorzaken. Na elke zaadlozing moet een nieuw condoom worden gebruikt. Als wordt getwijfeld aan de kwaliteit van een condoom, moet dat exemplaar niet worden gebruikt. Een zaaddodend middel (spermicide), verwerkt in het glijmiddel op het condoom of apart ingebracht in de vagina, vergroot de betrouwbaarheid van het condoom.

Het vrouwencondoom wordt in de vagina door een ring op zijn plaats gehouden. Het lijkt op een mannencondoom, maar is groter en minder betrouwbaar.

Het pessarium is een bolvormig, rubber kapje met een flexibele rand, dat in de vagina wordt ingebracht en over de baarmoedermond wordt geplaatst. Een pessarium voorkomt dat zaadcellen de baarmoeder binnengaan.

Pessaria zijn er in verschillende maten. Ze moeten worden aangemeten door een arts of verpleegkundige, die de vrouw ook leert hoe zij ze zelf moet inbrengen. Een pessarium moet de gehele baarmoedermond bedekken, zonder dat de vrouw er last van heeft. Zowel de vrouw als haar partner mag niets merken van de aanwezigheid van het pessarium. Daarnaast moet altijd een zaaddodende pasta of gel worden gebruikt, voor het geval het pessarium verschuift tijdens geslachtsgemeenschap. Het pessarium wordt vóór de geslachtsgemeenschap ingebracht en moet daarna ten minste 8 uur, maar niet langer dan 24 uur, blijven zitten. Als er nog een keer geslachtsgemeenschap plaatsvindt terwijl het pessarium nog op zijn plaats zit, moet opnieuw een zaaddodend middel worden aangebracht om de bescherming tegen zwangerschap te kunnen waarborgen. Het pessarium moet opnieuw worden aangemeten als een vrouw meer dan 5 kg zwaarder of lichter is geworden, het pessarium al langer dan een jaar heeft of bevallen is of een abortus heeft gehad, omdat in deze gevallen de afmeting en de vorm van de vagina veranderd kunnen zijn. Het percentage vrouwen dat tijdens het eerste jaar van het gebruik van een pessarium zwanger wordt, varieert van ongeveer 3% wanneer het pessarium op de juiste manier wordt gebruikt tot ongeveer 14% wanneer het wordt gebruikt zoals de meeste mensen dat doen.

Het cervixkapje lijkt op het pessarium, maar is kleiner en stugger. Het past precies over de baarmoedermond. Een cervixkapje moet door een arts of verpleegkundige worden aangemeten. Daarnaast moet altijd een zaaddodende crème of gel worden gebruikt. Het kapje wordt vóór de geslachtsgemeenschap ingebracht en blijft daarna ten minste 8 uur zitten, tot maximaal 48 uur.

Zaaddodende middelen

Zaaddodende middelen (spermiciden) zijn preparaten die zaadcellen doden zodra ze hiermee in contact komen. Ze zijn verkrijgbaar als vaginaal schuim en vaginale crèmes, gels en zetpillen en worden vóór de geslachtsgemeenschap in de vagina gebracht. Ook deze anticonceptiemiddelen vormen een fysieke barrière voor zaadcellen. De diverse preparaten zijn alle even onbetrouwbaar. Ze kunnen het best in combinatie met een barrièremiddel worden gebruikt, zoals een mannen- of vrouwencondoom of een pessarium.

Spiraaltje

Een spiraaltje (intrauterine device, IUD) is een klein, flexibel, kunststof voorwerp dat in de baarmoeder wordt gebracht. Een spiraaltje blijft (afhankelijk van het type) 5 tot 10 jaar zitten, tenzij de vrouw het eerder wil laten verwijderen. Een spiraaltje moet door een arts of verpleegkundige worden ingebracht en verwijderd. Het inbrengen duurt slechts enkele minuten. Het verwijderen gaat ook snel en veroorzaakt nauwelijks ongemak. Een spiraaltje doodt zaadcellen of maakt ze onbeweeglijk en voorkomt zo dat de eicel wordt bevrucht.

Op dit moment zijn er twee typen spiraaltjes verkrijgbaar. Het ene type geeft een progestageen af en werkt 5 jaar. Het andere type spiraaltje, waaruit koper vrijkomt, kan ten minste 5 jaar blijven zitten. Een jaar nadat een spiraaltje is verwijderd, is 80 tot 90% van de vrouwen die zwanger willen worden inderdaad zwanger.

Een spiraaltje dat wordt aangebracht binnen 1 week nadat onbeschermde geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden, is vrijwel net zo effectief als de morning-after-pil.

Bij het inbrengen van een spiraaltje wordt de baarmoeder kortstondig met bacteriën besmet, maar dit leidt zelden tot een infectie. Indien ook maar enig vermoeden van een seksueel overdraagbare aandoening bestaat, dient in principe antibiotische profylaxe te worden gegeven. Na de eerste maand na plaatsing is het risico van een bekkeninfectie door een spiraaltje niet verhoogd.

In de helft van alle gevallen zijn bloedingen en pijn de belangrijkste redenen voor een vrouw om het spiraaltje voortijdig te laten verwijderen. Het spiraaltje dat koper afgeeft, veroorzaakt heviger menstruaties. Daarentegen worden bij gebruik van het spiraaltje dat progestageen afgeeft de menstruaties minder hevig of blijven zelfs volledig uit (na 6 maanden gebruik).

Ongeveer 10% van de spiraaltjes wordt uitgestoten in het eerste jaar nadat ze zijn ingebracht, vaak al in de eerste maanden. Meestal zit er een plastic draadje aan het spiraaltje, zodat de vrouw zo nu en dan (vooral na een menstruatie) kan controleren of het spiraaltje nog in de baarmoeder zit. Als het draadje niet voelbaar is, moet de vrouw een ander voorbehoedmiddel gebruiken totdat is gecontroleerd of het spiraaltje nog op zijn plaats zit. Als een uitgestoten spiraaltje wordt vervangen door een nieuw exemplaar, blijft dit meestal wel op zijn plaats.

In zeldzame gevallen wordt de baarmoeder tijdens het inbrengen geperforeerd. Een perforatie veroorzaakt meestal geen symptomen en wordt pas ontdekt wanneer de vrouw het plastic draadje niet kan voelen en op een echogram of röntgenfoto zichtbaar is dat het spiraaltje zich buiten de baarmoeder bevindt. Een spiraaltje dat de baarmoeder heeft geperforeerd en in de buikholte is terechtgekomen, moet operatief worden verwijderd om te voorkomen dat de darmen worden beschadigd en er littekenvorming optreedt.

Bij vrouwen die zwanger worden ondanks het feit dat het spiraaltje op zijn plaats zit, is het risico van een miskraam ongeveer 55%. Als de vrouw de zwangerschap wil uitdragen en het draadje van het spiraaltje zichtbaar is, verwijdert de arts het spiraaltje om de kans op een miskraam te verkleinen. Bij vrouwen die zwanger worden terwijl het spiraaltje op zijn plaats zit, is het risico van een buitenbaarmoederlijke (ectopische) zwangerschap ongeveer 5%, ofwel vijf keer zo hoog als normaal. Toch is de kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap voor vrouwen die een spiraaltje gebruiken veel lager dan voor vrouwen die geen enkele methode van geboortebeperking gebruiken, omdat een spiraaltje een zwangerschap zeer doeltreffend voorkomt.

illustrative-material.figure-short 2

Het spiraaltje (intrauterine device, IUD)

Het spiraaltje (intrauterine device, IUD)

Een spiraaltje (IUD) wordt door een arts via de vagina in de baarmoeder geplaatst. Spiraaltjes zijn gemaakt van plastic. Er bestaan spiraaltjes die uit een koperen draad die rond het onderstuk is gewikkeld koper afgeven en spiraaltjes die een progestageen afgeven. Aan het spiraaltje zit een plastic draadje, zodat een vrouw kan controleren of het nog op zijn plaats zit.

Andere vormen van geboorteregeling

Bij sommige methoden van geboorteregeling worden geen geneesmiddelen of barrièremiddelen gebruikt, maar is de anticonceptie een kwestie van timing.

Natuurlijke methoden van geboorteregeling

Natuurlijke methoden van geboorteregeling zijn gebaseerd op het onthouden van geslachtsgemeenschap tijdens de vruchtbare dagen van de vrouw. Bij de meeste vrouwen vindt de ovulatie (eisprong) ongeveer 14 dagen voor het begin van een menstruatie plaats. Hoewel een onbevruchte eicel maar ongeveer 12 uur overleeft, kunnen zaadcellen na geslachtsgemeenschap nog wel 6 dagen in leven blijven. Daardoor kan een bevruchting het resultaat zijn van geslachtsgemeenschap die tot 6 dagen vóór de ovulatie heeft plaatsgevonden.

Periodieke onthouding (de kalendermethode) is de minst betrouwbare natuurlijke methode van geboorteregeling, zelfs voor vrouwen met een regelmatige menstruatiecyclus. Om uit te rekenen wanneer zij geen geslachtsgemeenschap kan hebben, moet de vrouw 18 dagen van de kortste en 11 dagen van de langste van de laatste 12 menstruatiecycli aftrekken. Voorbeeld: als de cyclus van een vrouw tussen de 26 en 29 dagen duurt, moet zij van dag 8 tot en met dag 18 van elke cyclus geslachtsgemeenschap vermijden.

Andere, meer betrouwbare natuurlijke geboorteregelingmethoden zijn bijvoorbeeld de temperatuurmethode, de slijmmethode en een combinatie van beide.

Bij de temperatuurmethode meet een vrouw de lichaamstemperatuur in rust (basale lichaamstemperatuur) door zich elke ochtend voor het opstaan te temperaturen. De lichaamstemperatuur daalt voor de eisprong en stijgt daarna licht. Het paar heeft geen geslachtsgemeenschap vanaf het begin van de menstruatie tot ten minste 48 uur nadat de basale temperatuur van de vrouw is gestegen.

Bij de slijmmethode (methode volgens Billings) wordt de vruchtbare periode van de vrouw bepaald door observatie van het baarmoederhalsslijm (cervicaal slijm), dat kort voor de eisprong over het algemeen overvloediger en wateriger wordt. De vrouw kan, met een kleine kans op zwangerschap, geslachtsgemeenschap hebben na haar menstruatie totdat ze merkt dat er meer cervicaal slijm wordt afgescheiden. Ze heeft dan geen geslachtsgemeenschap tot 4 dagen nadat de hoeveelheid slijm het grootst is.

Bij de combinatie van de slijm- en temperatuurmethode (de sympto-thermale methode) wordt gelet op veranderingen in zowel het baarmoederhalsslijm als de basale lichaamstemperatuur en ook op andere symptomen die op een ovulatie kunnen wijzen, zoals lichte krampen. Van alle natuurlijke methoden van geboorteregeling is deze methode het meest betrouwbaar.

Coitus interruptus

Om te voorkomen dat er sperma in de vagina terechtkomt, kan de man de penis uit de vagina terugtrekken voordat tijdens zijn orgasme sperma wordt geloosd. Deze methode, ‘coitus interruptus' en ook wel ‘voor het zingen de kerk uit' genoemd, is niet betrouwbaar omdat al vóór het orgasme sperma uit de penis kan komen. Coitus interruptus vraagt van de man een grote zelfbeheersing en nauwkeurige timing.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Abortus

Volgende: Sterilisatie

Illustraties
Tabellen
Disclaimer