MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ
In dit onderwerp
Abortus
Complicaties
Naar boven

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Abortus

Abortus provocatus is de opzettelijke beëindiging van een zwangerschap langs medische weg.

Abortus is niet overal ter wereld wettelijk toegestaan. De situatie varieert van ‘wettelijk verboden' tot ‘beschikbaar op verzoek'. Voor ongeveer tweederde van alle vrouwen ter wereld is een abortus wettelijk toegestaan. In Nederland is abortus wettelijk toegestaan tot en met de 24e zwangerschapsweek, waarbij de vrouw zelf bepaalt dat er sprake is van een noodsituatie. Een abortus mag alleen worden uitgevoerd volgens de eisen van de Wet Afbreking Zwangerschap in ziekenhuizen en klinieken die daarvoor een vergunning hebben. Sinds 2000 kunnen vrouwen ook kiezen voor de zogeheten ‘abortuspil'. Deze pil mag tot 3 weken over tijd worden toegediend. Deze behandeling wordt op dezelfde wijze als een ‘traditionele' abortus door een kliniek of een ziekenhuis begeleid. In 2003 werden in Nederland ruim 30.000 abortussen uitgevoerd (inclusief ruim 5000 overtijdbehandelingen; een overtijdbehandeling is een abortus tot 16 dagen over tijd), waarvan ruim 4000 bij tienermeisjes. In Nederland worden relatief weinig abortussen uitgevoerd, ook omdat het aantal pilgebruiksters in Nederland zeer hoog is: 40% van alle vruchtbare vrouwen.

Abortus kan op verschillende manieren worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door middel van curettage of met geneesmiddelen. De gebruikte methode is deels afhankelijk van de zwangerschapsduur. De zwangerschapsduur kan moeilijk worden vastgesteld als de vrouw na de bevruchting een bloeding heeft gehad, als zij te zwaar is of als de baarmoeder naar achteren gekanteld ligt in plaats van naar voren. In deze gevallen wordt de zwangerschapsduur meestal geschat met behulp van echografie.

Bij een curettage wordt de inhoud van de baarmoeder via de vagina verwijderd. Deze methode wordt bij ongeveer 95% van alle abortussen toegepast. Er zijn verschillende technieken mogelijk. De zwangerschapsduur bepaalt welke techniek wordt toegepast.

De zuigcurettage wordt vrijwel altijd toegepast bij zwangerschappen van minder dan 12 weken. Hierbij wordt gebruikgemaakt van een dunne, flexibele buis aan een vacuümapparaat, meestal een machinale zuigpomp of een handpomp, soms een vacuümzuiger. De buis wordt via de baarmoedermond in de baarmoederholte gebracht, waarna de baarmoeder voorzichtig en grondig wordt leeggemaakt. Soms lukt het niet de zwangerschap met deze techniek te beëindigen, vooral in de eerste week nadat de menstruatie is uitgebleven.

Bij zwangerschappen van 4 tot 6 weken hoeft de baarmoederhals voor een zuigcurettage niet of nauwelijks te worden opgerekt (gedilateerd) omdat een kleine zuigbuis kan worden gebruikt. Bij zwangerschappen van 7 tot 12 weken wordt de baarmoederhals meestal opgerekt omdat een dikkere zuigbuis nodig is. Om het risico van beschadiging van de baarmoederhals te beperken, kiest men in plaats van mechanische hulpmiddelen ook wel voor natuurlijke materialen die vocht opnemen, zoals stelen van gedroogd zeewier (laminariastiften). Laminariastiften worden in de baarmoederhals ingebracht en blijven ten minste 4 tot 5 uur zitten, meestal 's nachts. Doordat de laminariastiften grote hoeveelheden vocht uit het lichaam absorberen, zetten ze uit en wordt de baarmoederhals opgerekt. De baarmoederhals kan ook worden opgerekt met geneesmiddelen als prostaglandinen.

Bij zwangerschappen van meer dan 12 weken wordt meestal een curettage uitgevoerd. Nadat de baarmoederhals is opgerekt, worden de foetus en placenta met een speciale verlostang en een zuigbuis verwijderd. Vervolgens kan de baarmoeder voorzichtig worden leeggeschraapt om al het weefsel te verwijderen. Bij deze techniek ontstaan minder en kleinere complicaties dan wanneer een abortus met geneesmiddelen wordt opgewekt. Bij zwangerschappen van meer dan 18 weken kan een curettage echter ernstige complicaties veroorzaken, zoals beschadiging van de baarmoeder of de darmen.

Geneesmiddelen die worden gebruikt om een abortus op te wekken, zijn onder andere mifepriston Handelsnaam
Mifegyne
(RU-486, de abortuspil) en prostaglandinen, zoals misoprostol Handelsnaam
Cytotec
. Mifepriston Handelsnaam
Mifegyne
, dat oraal wordt toegediend, blokkeert de werking van het hormoon progesteron dat het baarmoederslijmvlies voorbereidt op ondersteuning van de foetus. Mifepriston Handelsnaam
Mifegyne
is alleen goedgekeurd voor het afbreken van zwangerschappen van 7 weken of minder. Prostaglandinen zijn hormoonachtige stoffen die de baarmoeder doen samentrekken. Ze kunnen oraal, als vaginale zetpil of per injectie worden toegediend. Nadat mifepriston Handelsnaam
Mifegyne
is ingenomen, wordt een prostaglandine toegediend. Het gebruikelijke doseringsschema bestaat uit 1 tot 3 tabletten mifepriston Handelsnaam
Mifegyne
, 2 dagen later gevolgd door een oraal tablet of vaginale zetpil met een prostaglandine ( misoprostol Handelsnaam
Cytotec
). Met dit schema wordt in ongeveer 95% van de gevallen een abortus opgewekt. Als er geen abortus optreedt, wordt een curettage uitgevoerd.

Complicaties

In het algemeen is het risico van complicaties bij abortus groter dan bij anticonceptie of sterilisatie, vooral bij jonge vrouwen. Het risico van complicaties door een abortus is gerelateerd aan de zwangerschapsduur en de methode van zwangerschapsbeëindiging. Hoe langer een vrouw zwanger is, des te groter is het risico. Wanneer een abortus door een ervaren arts in een ziekenhuis of kliniek wordt uitgevoerd, komen er echter weinig complicaties voor.

Perforatie van de baarmoeder met een chirurgisch instrument komt bij 1 op de 1000 abortussen voor. Soms worden ook de darmen of een ander orgaan beschadigd. Hevige bloedingen tijdens of direct na de ingreep komen bij 6 op de 10.000 abortussen voor. Bij sommige technieken kan de baarmoederhals scheuren, vooral in het tweede trimester van de zwangerschap.

Later kunnen infecties of bloedstolsels in de benen ontstaan. Als een deel van de placenta in de baarmoeder achterblijft, kunnen bloedingen optreden. Het komt zeer zelden voor dat een vrouw onvruchtbaar wordt door vorming van littekenweefsel op het baarmoederslijmvlies als gevolg van de ingreep of een daaropvolgende infectie (een aandoening die het ‘syndroom van Asherman' wordt genoemd). Als de foetus resuspositief bloed heeft, kan een vrouw met resusnegatief bloed resusantilichamen maken, net als bij elke zwangerschap, miskraam of bevalling. Deze antilichamen kunnen een gevaar vormen bij eventuele volgende zwangerschappen, tenzij de vrouw injecties met anti-D (anti-resus(D)-immunoglobuline) krijgt toegediend. (zie Risicozwangerschappen: Zwangerschapscomplicaties)

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Introductie

Volgende: Anticonceptie

Illustraties
Tabellen
Disclaimer