MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Problemen bij de foetus of pasgeborene

Als de bevalling niet normaal verloopt, kunnen problemen ontstaan bij de foetus of pasgeborene.

Foetale nood. Foetale nood is een niet vaak voorkomende complicatie tijdens een bevalling. Deze complicatie doet zich meestal voor wanneer de foetus te weinig zuurstof krijgt. De duidelijkste aanwijzing voor foetale nood is een afwijkend hartritme bij de foetus. Tijdens de bevalling wordt de hartfrequentie van de foetus gecontroleerd met een foetale stethoscoop, in het begin elke 15 minuten en later na elke wee. De hartfrequentie van de foetus kan met cardiotocografie (CTG) ook continu worden geregistreerd. Als een belangrijke afwijking in de hartfrequentie wordt waargenomen, kan de arts of verloskundige die soms corrigeren door de ligging van de (rug naar zijligging) te veranderen of het vruchtwater met vocht aan te vullen. Als deze maatregelen geen effect hebben, kan de ernst van de foetale nood worden vastgesteld door via het baringskanaal een klein beetje bloed uit de schedelhuid van de baby op te zuigen en te onderzoeken (MBO: microbloedonderzoek). Zo nodig wordt de baby snel gehaald met behulp van een verlostang, vacuümextractor of via een keizersnede. Is het vruchtwater na het breken van de vliezen groen, dan kan de foetus in nood zijn (hoewel dit meestal niet het geval is). Deze verkleuring wordt veroorzaakt door de eerste ontlasting van de foetus (foetaal meconium). Foetale nood kan verband houden met serotiniteit (wanneer de placenta slecht functioneert) of met complicaties van de zwangerschap of de bevalling die gevolgen hebben voor de vrouw en daardoor ook voor de foetus.

Ademhalingsproblemen. In zeldzame gevallen begint een baby na de geboorte niet met ademhalen, terwijl er voor de bevalling geen problemen waren. In dat geval moet de baby worden gereanimeerd. Om deze reden kan personeel met ervaring in het reanimeren van baby's bij de bevalling aanwezig zijn.

Afwijkende positie en presentatie van de foetus. ‘Positie' verwijst naar de ligging van de foetus: met het gezicht naar achteren (naar de rug van de vrouw) of naar voren. ‘Presentatie' verwijst naar het lichaamsdeel van de foetus dat het eerst het geboortekanaal passeert. De meest voorkomende en veiligste combinatie is met het hoofd als eerste (vertexpresentatie of schedelligging) en het gezicht naar achteren, met het gezicht en lichaam in een hoek naar rechts of links en met de nek naar voren gebogen, de kin op de borst en de armen voor de borst gekruist. Als de foetus zich in een andere positie of presentatie bevindt, kan dit de bevalling bemoeilijken. Eventueel moet een keizersnede worden uitgevoerd.

Wanneer een foetus met het gezicht naar voren ligt (een afwijkende positie), is de nek vaak gestrekt in plaats van gebogen en heeft het hoofd meer ruimte nodig om het geboortekanaal te passeren. In dat geval kan een bevalling met behulp van een verlostang, vacuümextractor of via een keizersnede noodzakelijk zijn.

Er zijn verschillende afwijkende presentaties. Bij aangezichtsligging is de nek achterwaarts gebogen, zodat het gezicht eerst indaalt. Bij voorhoofdsligging is de nek matig gebogen, zodat het voorhoofd eerst indaalt. Meestal blijven foetussen niet in deze presentaties, maar corrigeren ze zichzelf.

Stuitligging, waarbij de billen eerst indalen, komt bij 2 tot 3% van de voldragen zwangerschappen voor. Bij een vaginale bevalling hebben baby's in stuitligging een grotere kans op letsel dan baby's die met het hoofd als eerste worden geboren. Dergelijke letsels kunnen voor, tijdens of na de geboorte ontstaan en de baby kan zelfs overlijden. Wanneer een stuitligging voor de bevalling wordt ontdekt, is de kans op complicaties minder groot.

Soms kan de arts de foetus draaien, zodat het hoofd eerst indaalt, door op de buik van de vrouw te drukken voordat de weeën beginnen, meestal in de 37e of 38e zwangerschapsweek. Als de weeën echter beginnen terwijl de foetus zich in stuitligging bevindt, kunnen er problemen ontstaan. De doorgang die de billen in het geboortekanaal maken, is mogelijk niet groot genoeg voor de passage van het hoofd (dat breder is). Wanneer het hoofd de billen volgt, kan het bovendien niet worden vervormd zodat het door het geboortekanaal kan passeren, zoals normaal gebeurt. Het lichaam van de baby kan dus al geboren zijn, terwijl het hoofd nog in de vrouw vastzit. Als gevolg daarvan kan het ruggenmerg of kunnen andere zenuwen worden uitgerekt, wat tot zenuwbeschadiging leidt. Op het moment dat de navel van de baby naar buiten komt, wordt de navelstreng samengedrukt tussen het hoofd van de baby en het geboortekanaal, waardoor de baby te weinig zuurstof krijgt. Hersenbeschadiging door zuurstofgebrek komt vaker voor bij baby's in stuitligging dan bij baby's bij wie het hoofd eerst indaalt. Bij een eerste bevalling zijn deze problemen het grootst, omdat de weefsels van de vrouw niet zijn opgerekt door eerdere bevallingen. Omdat de baby letsel kan oplopen of kan overlijden, wordt bij een stuitligging vaak de voorkeur gegeven aan een keizersnede.

Soms ligt een foetus horizontaal in het geboortekanaal en daalt een van de schouders eerst in. Er wordt dan een keizersnede uitgevoerd, tenzij de foetus de tweede is van een tweeling. In dat geval kan de foetus worden gedraaid voor vaginale baring.

Meerlingzwangerschappen. Het aantal tweeling-, drieling- en andere meerlingzwangerschappen is de afgelopen 20 jaar gestegen. Met behulp van echografie kan het aantal foetussen worden vastgesteld.

Wanneer de baarmoeder meer dan één foetus bevat, raakt deze overrekt. Een overrekte baarmoeder begint vaak met samentrekkingen voordat de zwangerschap voldragen is. Daardoor worden de baby's meestal te vroeg geboren en zijn ze klein. In sommige gevallen trekt de overrekte baarmoeder na de bevalling niet goed samen, waardoor bij de vrouw een bloeding ontstaat. Omdat de foetussen in verschillende posities en presentaties kunnen liggen, kan een vaginale bevalling gecompliceerd zijn. Ook veroorzaakt de samentrekking van de baarmoeder na de geboorte van de eerste baby soms een verschuiving van de placenta van de andere baby of baby's. Als gevolg daarvan kan de tweede of volgende baby tijdens en na de bevalling meer problemen hebben.

Een arts beslist daarom vaak van tevoren hoe een tweeling wordt geboren: vaginaal of via een keizersnede. Soms wordt de eerste baby van een tweeling vaginaal geboren, maar wordt voor de tweede baby een keizersnede veiliger geacht. Bij drielingen en andere meerlingen wordt meestal een keizersnede uitgevoerd.

Schouderdystokie. Er is sprake van wanneer een schouder van de foetus achter het schaambeen van de vrouw blijft haken, waardoor de baby in het geboortekanaal vast blijft zitten. Het hoofd komt naar buiten, maar wordt stevig naar achteren getrokken tegen de vaginale opening. De baby kan niet ademhalen omdat de borst wordt samengedrukt door het geboortekanaal. Daardoor daalt de zuurstofspiegel in het bloed van de baby. Deze complicatie komt vaker voor bij grote foetussen, vooral wanneer de bevalling moeizaam verloopt of wanneer een verlostang of vacuümextractor wordt gebruikt omdat het hoofd van de foetus niet volledig in het bekken is ingedaald.

Bij deze complicatie probeert de arts snel verschillende technieken om de schouder te bevrijden, zodat de baby vaginaal kan worden geboren. In extreme gevallen, als deze technieken falen, kan de baby in de vagina worden teruggeduwd en via een keizersnede worden geboren.

Uitzakking van de navelstreng. Bij ongeveer 1 op de 1000 bevallingen komt de navelstreng vóór de baby door de vagina (prolaps) naar buiten. Wanneer de navelstreng uitzakt, kan hij bekneld raken, waardoor de bloedtoevoer naar de foetus wordt afgesneden. Deze complicatie kan duidelijk (overt) of verborgen (occult) zijn.

Een uitzakking is duidelijk wanneer de vliezen zijn gebroken en de navelstreng in of buiten de vagina uitpuilt voordat de baby te voorschijn komt. Een duidelijke uitzakking komt vaak voor bij een stuitligging, maar kan ook voorkomen wanneer het hoofd van de baby eerst indaalt, vooral als de vliezen te vroeg breken of de foetus niet in het bekken van de vrouw is ingedaald. Als de foetus niet is ingedaald, kan bij het breken van de vliezen de navelstreng voor de foetus uit door de vloeistofstroom worden meegevoerd. Als de navelstreng uitzakt, moet de baby onmiddellijk worden gehaald, vrijwel altijd via een keizersnede, om te voorkomen dat de bloedtoevoer naar de foetus wordt afgesneden. Totdat de operatie begint, probeert een verpleegkundige of arts de druk van het lichaam van de foetus op de navelstreng te verminderen, zodat de bloedtoevoer door de uitgezakte navelstreng niet wordt afgesneden.

Bij een verborgen uitzakking zijn de vliezen intact en bevindt de navelstreng zich voor de foetus, of zit de navelstreng vast voor de schouder van de foetus. Meestal kan een verborgen uitzakking worden ontdekt door een afwijkend patroon in de hartfrequentie van de foetus. Wanneer de vrouw van positie verandert of het hoofd van de foetus wordt opgetild om de druk op de navelstreng te verminderen, wordt het probleem vaak gecorrigeerd. Vaak is een keizersnede noodzakelijk.

Navelstreng om de nek. Bij ongeveer één op de vier bevallingen is de navelstreng om de nek van de foetus gedraaid. Dit heeft meestal geen schadelijke gevolgen voor de baby. Soms wordt voor de geboorte op een echogram ontdekt dat de navelstreng om de nek zit. Er hoeft echter geen actie te worden ondernomen. Tijdens de bevalling voelt de arts of verloskundige altijd of de navelstreng om de nek is gedraaid. Als dit het geval is, kan de navelstreng over het hoofd van de baby worden geschoven.

illustrative-material.figure-short 1

Positie en presentatie van de foetus

Positie en presentatie van de foetus

Tegen het eind van de zwangerschap neemt de foetus de positie voor de bevalling in. De normale positie van een foetus is met het gezicht naar achteren (naar de rug van de vrouw), het gezicht en lichaam in een hoek naar rechts of links en met de nek gebogen. De normale presentatie is met het hoofd als eerste (schedelligging). Een afwijkende positie is met het gezicht naar voren. Afwijkende presentaties zijn onder andere aangezichts-, voorhoofds-, stuit- en schouderligging.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Introductie

Volgende: Problemen bij de vrouw

Illustraties
Tabellen
Disclaimer