MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Lichamelijk onderzoek

De pasgeborene wordt meestal binnen 12 uur na de geboorte door de arts of verloskundige zorgvuldig onderzocht. Het onderzoek begint met een aantal metingen van onder andere gewicht, lengte en hoofdomtrek. Het gemiddelde geboortegewicht is 3500 gram en de gemiddelde lengte 51 centimeter. Daarna worden huid, hoofd en gezicht, hart en longen, zenuwstelsel, buik en geslachtsorganen door arts of verloskundige onderzocht.

De huid is meestal roodachtig, al kunnen de vingers en de tenen enigszins blauw gekleurd zijn door de slechte doorbloeding in de eerste uren. Soms vertoont de huid enkele harde knobbels (necrose van subcutaan vetweefsel) op plaatsen waar door de druk van botten vetweefsel is afgestorven. Dergelijke knobbels worden meestal aangetroffen op het hoofd, de wangen en in de hals en vooral als bij de bevalling een tang is gebruikt. De knobbels kunnen door het huidoppervlak breken en dan een heldere, gele vloeistof afgeven, maar gewoonlijk genezen deze wonden vrij snel.

Bij een normale bevalling waarbij het hoofd het eerst wordt geboren, is het hoofd de eerste dagen enigszins vervormd. De schedelbeenderen schuiven over elkaar, opdat het hoofd bij de bevalling kan worden samengedrukt. Het is normaal dat de hoofdhuid enigszins gezwollen is en blauwe plekken vertoont. Soms veroorzaakt een bloeding van een van de schedelbeenderen en het vlies dat de beenderen omhult een kleine bult op het hoofd, die na enkele weken verdwijnt. Wanneer eerst de stuit (billen) van de baby wordt geboren (stuitligging), vervormt het hoofd meestal niet. Billen, geslachtsorganen of voeten kunnen daarentegen wel zwellen en blauw verkleuren.

De druk tijdens een bevalling via de vagina kan blauwe plekken in het gezicht van de pasgeborene veroorzaken. Ook kan het gezicht in het begin wat asymmetrisch zijn als gevolg van de samendrukking in het geboortekanaal tijdens de bevalling. Asymmetrie van het gezicht wordt soms veroorzaakt doordat een van de zenuwen die de gezichtspieren aansturen, tijdens de bevalling beschadigd raakt. Dit herstelt geleidelijk in de eerste weken erna.

De arts of verloskundige beluistert hart en longen met een stethoscoop om eventuele afwijkingen op te sporen. Ook wordt de huidskleur en de algehele toestand van de pasgeborene op aanwijzingen voor een probleem gecontroleerd. De hartslag wordt gecontroleerd.

De arts of verloskundige onderzoekt de baby op eventuele zenuwafwijkingen en test de reflexen. De belangrijkste reflexen van een baby zijn de Moro-reflex, de tepelzoekreflex en de zuigreflex.

Veel ernstige aandoeningen die niet bij de geboorte duidelijk naar voren komen, kunnen toch worden opgespoord door tussen de 4e en 7e dag een hielprik bij de pasgeborene uit te voeren. Door vroegtijdige diagnose en snelle behandeling kunnen afwijkingen die een gezonde ontwikkeling van het kind belemmeren, worden verminderd of voorkomen.

De arts of verloskundige onderzoekt de vorm van de buik en kijkt ook naar de grootte, de vorm en de positie van inwendige organen als nieren, lever en milt. Vergrote nieren kunnen op een afsluiting van de urinewegen duiden.

De arts of verloskundige onderzoekt de beweeglijkheid van de armen, benen en heupen en controleert of de pasgeborene geen heupdislocatie (ontwrichte heup) heeft.

De arts of verloskundige onderzoekt bij de geslachtsorganen of de urinebuis is geopend en op de juiste plaats uitmondt. Bij een jongetje moeten de zaadballen (testes) in de balzak (scrotum) zijn ingedaald. Bij een meisje zijn de schaamlippen (labia) duidelijk te zien. Door blootstelling aan de hormonen van de moeder blijven ze de eerste weken gezwollen. De arts of verloskundige onderzoekt of de anusopening niet is afgesloten.

illustrative-material.sidebar 1

Drie normale reflexen van pasgeborenen

Wanneer men de pasgeborene laat schrikken, wordt de Moro-reflex opgeroepen. Daarbij zwaait de pasgeborene armen en benen in een langzame beweging eerst naar opzij en daarna naar voren en houdt hij zijn vingers gestrekt. Bij aanraking van een van de mondhoeken wordt de tepelzoekreflex opgeroepen. Daarbij draait de pasgeborene zijn hoofd naar de kant waar hij wordt aangeraakt. Deze reflex helpt het kind om de tepel te vinden. Zodra er iets in de mond van de pasgeborene wordt gestopt, wordt de zuigreflex opgeroepen. Het kind begint dan onmiddellijk te zuigen.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Lichamelijke ontwikkeling

Volgende: Ontlasting en urine

Illustraties
Tabellen
Disclaimer