MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ
In dit onderwerp
Introductie
Naar boven

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Introductie

De huid en de onderhuidse weefsels worden door de bloedsomloop op een constante temperatuur gehouden (circa 37,5 °C). De warmte van het bloed is hoofdzakelijk afkomstig van de energie die cellen afgeven bij de verbranding van voedingsstoffen (stofwisseling), een proces dat een regelmatige toevoer van deze stoffen en zuurstof vereist. Een normale lichaamstemperatuur is noodzakelijk om alle cellen en weefsels in het lichaam goed te laten functioneren. Bij iemand met een lage lichaamstemperatuur gaan de meeste organen, vooral hart en hersenen, steeds trager werken en uiteindelijk stoppen ze er volledig mee.

De lichaamstemperatuur daalt wanneer de huid aan een koudere omgeving wordt blootgesteld. Het lichaam reageert vervolgens door via diverse beschermingsmechanismen extra warmte op te wekken. Zo produceren de spieren dan extra warmte door onwillekeurige spiertrekkingen (‘rillen'). Ook vernauwen de kleine bloedvaatjes in de huid zich (vasoconstrictie), zodat meer bloed naar hart, hersenen en andere vitale organen stroomt. Doordat zo minder warm bloed de huid bereikt, koelen lichaamsdelen als vingers, tenen, oren en neus echter wel sneller af. Als de lichaamstemperatuur sterk daalt tot lager dan circa 31 °C, vallen deze beschermingsmechanismen uit en is het lichaam niet meer in staat om zichzelf op te warmen. Als de lichaamstemperatuur beneden de 28 °C komt, is dit een zeer kritieke situatie en is het risico van overlijden groot. Hoewel bij een snelle daling van de omgevingstemperatuur (bijvoorbeeld door in koud water te vallen) het lichaam zich niet meer kan aanpassen, is dit niet het geval wanneer de omgevingstemperatuur langzaam daalt (bijvoorbeeld oude mensen die lange tijd op een koude vloer liggen). In dat geval is het lichaam nog wel in staat zich aan de onderkoeling aan te passen.

Meestal treedt er zelfs bij bijzonder koud weer geen koudeletsel op als de huid, vingers, tenen, oren en neus goed zijn beschermd of slechts korte tijd aan de kou worden blootgesteld. Het risico van koudeletsel neemt toe wanneer de bloedtoevoer belemmerd is, men onvoldoende eet of er te weinig zuurstof beschikbaar is, zoals op grote hoogten het geval is.

Om in een koude omgeving warm te blijven zijn meerdere lagen kleding nodig, bij voorkeur van wol of van een synthetische stof als polypropyleen. Deze materialen werken namelijk ook isolerend, zelfs als ze nat zijn. Omdat het lichaam veel warmte via het hoofd verliest, is warme hoofdbedekking onmisbaar. Ook voldoende eten en drinken (vooral warme vloeistoffen) is belangrijk. Eten levert brandstof, terwijl warme dranken onmiddellijk voor warmte zorgen en uitdroging voorkomen. Alcoholische dranken moeten worden vermeden, aangezien alcohol de bloedvaatjes in de huid verwijdt (vasodilatatie). Daardoor heeft de persoon het tijdelijk warmer, maar in feite neemt het warmteverlies hierdoor juist toe en het vermogen om de situatie in te schatten af.

Vormen van koudeletsel zijn: onderkoeling (hypothermie), bevriezing van de opperhuid (congelatio erythematosa) en volledige bevriezing (congelatio gangraenosa), vorstbuil en loopgravenvoet. Andere problemen die met koude te maken hebben, zijn de ziekte van Raynaud en het Raynaud-fenomeen (zie Perifere vaatziekten: Ziekte van Raynaud en Raynaud‑fenomeen) en allergische reacties op koude. (zie Allergische reacties: Fysische urticaria)

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Volgende: Bevriezing

Illustraties
Tabellen
Disclaimer