MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Decompressieziekte

Decompressieziekte (caissonziekte) is een aandoening waarbij stikstof dat onder hoge druk in het bloed en de weefsels is opgelost belletjes gaat vormen wanneer de druk weer daalt.

Lucht bestaat hoofdzakelijk uit stikstof en zuurstof. Doordat de lucht onder hoge druk is samengeperst, bevat elke ademteug in de diepte veel meer moleculen dan een ademteug aan de oppervlakte. Doordat zuurstof voortdurend door het lichaam wordt gebruikt, hopen de extra zuurstofmoleculen die onder hoge druk zijn ingeademd zich meestal niet op. De extra stikstofmoleculen accumuleren echter wel in het bloed en in het weefsel. Wanneer de omgevingsdruk tijdens het opstijgen weer daalt of bij het verlaten van een caisson wanneer de druk verlaagd wordt, vormt de opgehoopte stikstof die niet onmiddellijk kan worden uitgeademd belletjes in het bloed en het weefsel. De belletjes kunnen uitzetten en weefsel beschadigen of bloedvaten in tal van organen afsluiten. Dit kan direct gebeuren of via bloedstolseltjes die bij dit proces om de stikstofbelletjes ontstaan. De afgesloten bloedvaten veroorzaken pijn en allerlei andere symptomen. Stikstofbelletjes veroorzaken bovendien ontstekingen, waardoor spieren, gewrichten en pezen opzwellen en pijnlijk worden.

Het risico van decompressieziekte wordt groter naarmate de druk (oftewel de diepte van de duik) groter wordt en naarmate de duur van een verblijf onder verhoogde druk langer wordt. Andere risicofactoren zijn een te snelle stijging, vermoeidheid, extreme inspanning, uitdroging, koud water, zwaarlijvigheid en een gevorderde leeftijd. Omdat overtollig stikstof in opgeloste toestand nog zeker 12 uur na een duik in het lichaam aanwezig blijft, is bij meerdere duiken binnen één dag de kans op decompressieziekte groter dan bij één duik. Wie onmiddellijk na een duik in het vliegtuig stapt (bijvoorbeeld aan het eind van een vakantie) wordt aan nog lagere luchtdruk blootgesteld, wat het risico van decompressieziekte nog vergroot.

In kleine bloedvaatjes of in de weefsels zelf kunnen zich stikstofbelletjes vormen. Vooral weefsels met een hoog vetgehalte, zoals in het centraal zenuwstelsel, lopen kans te worden aangetast, aangezien stikstof gemakkelijk in vet oplost.

Decompressieziekte kan diverse organen licht tot ernstig aantasten.

Symptomen

Symptomen van decompressieziekte ontwikkelen zich geleidelijker dan bij overdrukbarotrauma. Slechts de helft van alle mensen met decompressieziekte krijgt klachten binnen een uur nadat ze boven zijn gekomen. Bij 90% doen de symptomen zich binnen zes uur voor. Symptomen beginnen geleidelijk en bereiken pas na enige tijd hun maximale hevigheid.

De minder ernstige vorm van decompressieziekte (type I, gewrichtsdecompressieziekte en huiddecompressieziekte) veroorzaakt meestal pijn. Die pijn treedt doorgaans op in de gewrichten van de armen of benen. Soms is het moeilijk aan te geven waar de pijn precies zit. De pijn kan aanvankelijk licht zijn of fluctueren, maar wordt geleidelijk intenser en kan zeer hevig worden. De pijn kan fel zijn of wordt soms omschreven als ‘intens' of ‘alsof er in het bot wordt geboord'. Bij huiddecompressieziekte zijn de symptomen jeuk, vlekjes op de huid en extreme vermoeidheid. Deze symptomen zijn niet levensbedreigend, maar kunnen wel de voorboden zijn van problemen die meer gevaar met zich meebrengen.

De ernstige vorm van decompressieziekte (type II, centrale zenuwstelsel, hart, longen en binnenoor) veroorzaakt meestal neurologische symptomen, variërend van een lichte gevoelsstoornis tot verlamming en overlijden. Het ruggenmerg is zeer kwetsbaar. Wanneer het ruggenmerg is aangetast, kan er gevoelsverlies (hypesthesie), een tintelend gevoel (paresthesie) of zwakte in armen en/of benen ontstaan. De neurologische uitvalsverschijnselen kunnen in enkele uren toenemen en irreversibel zijn. Ook gebeurt het dat het slachtoffer niet meer kan plassen. Buik- en rugpijn worden ook vaak gezien. Symptomen van hersenletsel lijken op die van een luchtembolie: hoofdpijn, verwardheid, moeite met praten en dubbelzien.

Soms zijn de zenuwen van het binnenoor aangetast, wat tot ernstige duizelingen (vertigo) leidt. Gasbelletjes die zich door de aders naar de longen verplaatsen, veroorzaken hoesten, pijn in de borststreek en benauwdheid, die steeds erger wordt. In ernstige gevallen kan iemand een hypovolemische shock krijgen en overlijden.

Een van de late gevolgen van decompressieziekte is vernietiging van botweefsel (aseptische botnecrose), vooral in schouder en heup. Dit leidt tot blijvende pijn en ernstige invaliditeit. Dergelijk letsel komt minder vaak voor bij sportduikers, maar wel bij mensen die werken in een omgeving die onder druk staat en bij beroepsduikers. Deze mensen worden langdurig aan hoge druk blootgesteld en lijden soms ongemerkt aan caissonziekte. Bot- en gewrichtsletsel kan zich in een periode van een aantal maanden of jaren ontwikkelen tot een ernstige vorm van artritis, die tot invaliditeit leidt. Als er inmiddels ernstig gewrichtsletsel is opgetreden, is de enige behandeling soms vervanging door een kunstgewricht.

Blijvende neurologische klachten als gedeeltelijke verlamming zijn gewoonlijk het gevolg van onbehandelbare, te late of ontoereikende behandeling van ruggenmergsymptomen. Soms is de beschadiging echter te ernstig om te kunnen herstellen, zelfs met de juiste behandeling. Herhaalde behandelingen met zuurstof in een hogedrukkamer kunnen het herstel sterk te bevorderen.

Diagnose en behandeling

Artsen stellen de diagnose decompressieziekte op basis van de symptomen en het feit dat de symptomen na het duiken zijn ontstaan. Beeldvormende onderzoeken als computertomografie (CT) of magnetische kernspinresonantie (MRI) maken afwijkingen in hersenen en ruggenmerg soms zichtbaar, maar zijn niet betrouwbaar. Met recompressie wordt echter al begonnen voordat de uitslagen van een CT- of MRI-scan bekend zijn, behalve in gevallen waar de diagnose twijfelachtig is of de duiker in stabiele toestand verkeert.

Als de duiker alleen klaagt over jeuk, huiduitslag en vermoeidheid is recompressie gewoonlijk niet nodig, maar dient de duiker wel onder observatie te blijven omdat het mogelijk is dat later ernstiger klachten optreden. Inademing van 100% zuurstof via een nauwsluitend duikmasker kan verlichting brengen.

Wanneer er andere symptomen van decompressieziekte optreden, is behandeling in een hogedrukkamer (recompressiekamer) noodzakelijk. Recompressie herstelt de normale bloedcirculatie en zuurstoftoevoer naar het aangetaste weefsel. Na recompressie wordt de druk geleidelijk verlaagd, met vaste stops, zodat de in overmaat aanwezige gassen het lichaam veilig kunnen verlaten. Omdat symptomen in het eerste etmaal kunnen terugkeren of verergeren, worden zelfs mensen behandeld die slechts lichte of voorbijgaande pijn of neurologische symptomen ervaren.

Recompressie is heilzaam tot lange tijd na het duiken (zelfs tot meer dan 48 uur) en moet zelfs worden gegeven als de dichtstbijzijnde hogedrukkamer op een grote reisafstand ligt. Vóór en tijdens het transport wordt zuurstof via een nauwsluitend masker toegediend. Vocht wordt oraal of intraveneus gegeven. Lang uitstel van behandeling vergroot de kans op blijvende beschadigingen.

Preventie

Een duiker kan decompressieziekte meestal voorkomen door de hoeveelheid stikstof die het lichaam opneemt te beperken. Dit kan worden bereikt door de diepte en de duur van de duik zodanig te beperken dat decompressiestops tijdens het omhoogkomen niet nodig zijn (door duikers aangeduid als ‘no-deco-limits') of door zich bij het opstijgen te houden aan decompressiestops zoals aangeduid in decompressietabellen. Een dergelijke tabel geeft een opstijgschema waarbij gewoonlijk de in overmaat aanwezige stikstof kan ontsnappen zonder schade aan te richten. Veel duikers dragen tegenwoordig een draagbare duikcomputer die de diepte en duur van de duik continu bijhoudt. De computer berekent het decompressieschema voor veilige terugkeer naar het oppervlak en geeft aan wanneer de decompressiestops moeten plaatsvinden.

In aanvulling op het opvolgen van de aanwijzingen in een tabel of van computerrichtlijnen voor het opkomen maken veel duikers een veiligheidsstop van enkele minuten op ongeveer vijf meter diepte.

Ook bij inachtneming van deze procedures kan het risico van decompressieziekte echter niet volledig worden uitgesloten. Circa 50% van alle gevallen van decompressieziekte ontstaat na een duik met no-deco-limits. De incidentie van decompressieziekte is niet afgenomen, ondanks het feit dat duikcomputers tegenwoordig algemeen worden gebruikt. Dat decompressieziekte niet volledig uit te sluiten valt, kan veroorzaakt worden door het feit dat de gepubliceerde tabellen en computerprogramma's de risicofactoren, die voor iedere duiker verschillen, niet volledig kunnen incalculeren of doordat sommige duikers zich niet aan de aanbevelingen van de tabel of computer houden.

Andere voorzorgsmaatregelen zijn eveneens noodzakelijk. Na enkele dagen duiken wordt bijvoorbeeld doorgaans geadviseerd een periode van 12 tot 24 uur aan de oppervlakte door te brengen alvorens te vliegen of naar een grotere hoogte te gaan. Mensen die volledig zijn hersteld na een lichte decompressieziekte moeten minimaal twee weken afzien van duiken. Mensen die zich aan de duiktabel of computerrichtlijnen hebben gehouden en toch decompressieziekte oplopen, dienen pas weer te gaan duiken nadat ze een grondig medisch onderzoek hebben ondergaan naar achterliggende risicofactoren, bijvoorbeeld een hartafwijking. Het Duikmedisch Centrum (0223-653076) in Den Helder is 24 uur per dag bereikbaar voor adviezen over duikersziekten.

illustrative-material.sidebar 1

Belangrijke risicofactoren voor duikers

Aspirant-duikers moeten worden onderzocht door een arts die verstand heeft van duiken. Deze let op hun lichamelijke conditie en op de hierna genoemde lichamelijke en geestelijke aandoeningen die het risico van een ongeluk en letsel vergroten:

  • alcohol- of drugsmisbruik 
  • chronische of tijdelijke verstopping van de neus en de neusbijholten
  • type-1-diabetes 
  • geneesmiddelen die sufheid kunnen veroorzaken
  • epilepsie 
  • flauwten 
  • impulsief gedrag; accident proneness 
  • hartritmestoornissen 
  • longaandoeningen als astma, longcysten, emfyseem, chronische bronchitis, eerdere klaplong (pneumothorax) 
  • overgewicht* 
  • ouderdom* 
  • open foramen ovale (een aangeboren hartafwijking)
  • lichamelijke gebreken 
  • slechte conditie van hart en bloedvaten 
  • zwangerschap 
  • gescheurd trommelvlies 

Beroepsduikers kunnen aanvullend medisch onderzoek laten verrichten, zoals onderzoek van hart- en longfunctie, gehoor en gezichtsvermogen, inspanningsonderzoek en röntgenonderzoek van botten. Daarnaast is een goede duikopleiding absoluut noodzakelijk.

*Verhoogd risico van decompressieziekte. 

illustrative-material.sidebar 2

Inademing van lucht onder hoge druk

Lucht is een mengsel van gassen, voornamelijk stikstof en zuurstof en daarnaast zeer geringe hoeveelheden andere gassen. Elk gas heeft een partiële druk, afhankelijk van de concentratie van het gas in de lucht en van de atmosferische druk. Zowel zuurstof als stikstof kunnen bij hoge partiële druk schadelijke gevolgen hebben. 

Zuurstoftoxiciteit treedt bij de meeste mensen op wanneer de partiële druk van zuurstof 1,6 atmosfeer bereikt, wat neerkomt op een diepte van ruim 65 meter bij inademing van lucht. De symptomen zijn tintelingen, focale trekkingen (spiertrekkingen van het gezicht of de lippen), duizelingen (vertigo), braken en kokerzien. Circa 10% van alle mensen krijgt systemische epileptische insulten of raakt bewusteloos, wat meestal tot verdrinking leidt. 

Stikstofnarcose wordt veroorzaakt door hoge partiële druk van stikstof en lijkt op dronkenschap. De slachtoffers komen in een toestand van euforie, raken gedesoriënteerd en hun beoordelingsvermogen is zeer slecht. Soms komen ze niet tijdig aan de oppervlakte en zwemmen ze zelfs naar een grotere diepte, in de veronderstelling dat ze juist naar boven zwemmen. Bij de meeste duikers die perslucht inademen, wordt dit effect merkbaar op een diepte van 30 meter en kan het de duiker volledig uitschakelen op een diepte van 100 meter (ongeveer 10 atmosfeer absolute druk). 

Om deze effecten zo gering mogelijk te houden, ademen duikers die naar grote diepten gaan meestal een speciaal gasmengsel in, in plaats van gewone lucht. Er worden lage concentraties zuurstof gebruikt, verdund met helium of waterstof in plaats van stikstof. Helium en waterstof veroorzaken namelijk geen narcose. 

Als kooldioxide zich in het bloed ophoopt, is dat voor het lichaam een teken om te gaan ademen. Duikers, snorkelaars bijvoorbeeld, die hun adem inhouden in plaats van een ademhalingstoestel te gebruiken, ademen voor de duik vaak krachtig en snel in en uit (hyperventileren), waardoor ze een grote hoeveelheid kooldioxide uitademen terwijl de zuurstofspiegel van het bloed slechts weinig stijgt. Met deze kunstgreep kunnen ze hun adem langer inhouden en langer onder water zwemmen, doordat de kooldioxideconcentratie in het bloed laag is. Dit is echter ook gevaarlijk omdat de duiker zijn zuurstofvoorraad kan verbruiken en het bewustzijn kan verliezen voordat de kooldioxideconcentratie hoog genoeg wordt om te waarschuwen dat het tijd is om naar de oppervlakte terug te keren om adem te halen. Deze opeenvolging van gebeurtenissen is waarschijnlijk de oorzaak van talrijke onopgehelderde verdrinkingen onder deelnemers aan harpoenviswedstrijden en bij andere duikers die hun adem inhouden. 

Bij sommige scubaduikers hoopt zich kooldioxide op doordat ze hun ademhalingsritme niet voldoende opvoeren bij zware inspanning. Anderen houden kooldioxide vast doordat de perslucht in de diepte een grotere dichtheid heeft, waardoor een grotere inspanning nodig is om deze te verplaatsen door de luchtwegen van de duiker en de ademhalingsapparatuur. Door hoge kooldioxidespiegels kan het slachtoffer black-outs krijgen, stijgt het risico van epileptische insulten als gevolg van zuurstoftoxiciteit en kan een stikstofnarcose verergeren. Duikers die regelmatig hoofdpijn hebben na de duik of die er prat op gaan weinig lucht te gebruiken, houden mogelijk kooldioxide vast.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Barotrauma

Illustraties
Tabellen
Disclaimer