MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Hartstilstand

Een hartstilstand kan ontstaan als gevolg van een geleidingsstoornis in het hart. Het hart klopt niet meer en de ademhaling stopt, waardoor het lichaam geen zuurstof meer krijgt. De dood volgt snel na het ontstaan van de hartstilstand, tenzij binnen vier minuten met reanimatie wordt gestart. Hoe meer tijd er echter verstrijkt, des te kleiner wordt de kans dat de reanimatie slaagt. In gevallen waarin dit wel lukt neemt de kans op hersenbeschadiging toe met de verstreken tijd.

Iemand met een hartstilstand ligt onbeweeglijk, ademt niet en reageert niet op vragen of prikkels, zoals schudden. Een hulpverlener die iemand aantreft die aan deze beschrijving voldoet, onderzoekt eerst of het slachtoffer bewusteloos is door op luide toon te vragen: ‘Bent u in orde?'. Als het slachtoffer niet reageert, draait de hulpverlener hem op zijn rug en ‘kijkt, luistert en voelt' of de ademhaling is gestopt: hij schudt beheerst aan de schouder, kijkt of de borstkas op en neer gaat, luistert of hij een ademhaling hoort en voelt bij de mond van het slachtoffer of er lucht stroomt. Indien de ademhaling afwezig blijkt, wordt de patiënt tweemaal beademd nadat de hulpverlener 112 heeft laten waarschuwen. Onmiddellijk hierna volgt de controle van de circulatie. Bij afwezige circulatie wordt de volledige reanimatie gestart. Pas als de beademing niet wil lukken, kan er gekeken worden of de ademwegen geblokkeerd zijn door te kijken of zich voorwerpen in de mond of keel bevinden.

Spoedeisende behandeling

Spoedeisende hulp bij hartstilstand moet zo snel mogelijk worden verleend. Een automatische externe defibrillator (een apparaat waarmee het hart weer op gang kan worden gebracht) moet onmiddellijk worden gebruikt als die voorhanden is. De volgende stap is het inroepen van deskundige medische hulp. Als de ademhaling niet op gang is gekomen (dit is als eerste gecontroleerd), dient te worden begonnen met reanimatie (cardiopulmonale resuscitatie, CPR). Reanimatie is een combinatie van beademing, waardoor er zuurstof in de longen komt, en hartmassage, waardoor er bloed uit het hart wordt geperst zodat zuurstof de hersenen en andere vitale organen kan bereiken.

Reanimatievaardigheden kunnen het beste via een cursus worden verkregen. Het Oranje Kruis en tal van andere hulpverlenende instanties verzorgen reanimatiecursussen. Aangezien de procedures in de loop der tijd kunnen veranderen, is het belangrijk om de aanbevolen herhalingscursussen te volgen.

Om met de reanimatie te kunnen beginnen, legt de hulpverlener het slachtoffer op zijn rug op een harde ondergrond door het hoofd, het lichaam en de ledematen gelijktijdig om te rollen. Als de ademhaling nog niet op gang is gekomen, plaatst de hulpverlener zijn mond op die van het slachtoffer en begint met kunstmatige beademing (mond-op-mondbeademing) door voorzichtig lucht in de longen van het slachtoffer te blazen. Om te voorkomen dat er lucht via de neus ontsnapt, knijpt de hulpverlener de neus van het slachtoffer dicht tijdens het uitblazen in de mond. De onderkaak van de patiënt wordt omhoog gehouden. Voor de mond-op-mondbeademing zijn speciale plastic kapjes beschikbaar die op mond en neus passen, goed afsluiten en de kans op besmetting via de slijmvliezen van het slachtoffer verminderen.

Beademing gaat bij kinderen en volwassenen vrijwel op dezelfde manier. Bij een pasgeborene plaatst de hulpverlener zijn mond echter over mond en neus samen. Om beschadiging van de kleinere longen van het kind te voorkomen blaast de hulpverlener ook minder krachtig uit dan bij volwassenen.

Als de borstkas na beademing niet omhoog komt, zijn de luchtwegen van het slachtoffer geblokkeerd. Komt de borstkas wel omhoog, dan blaast de hulpverlener twee keer diep en langzaam uit.

Vervolgens wordt er hartmassage gegeven. De hulpverlener knielt aan één kant, buigt zich met gestrekte armen over het slachtoffer en plaatst beide handen, de ene bovenop de andere, op het onderste deel van het borstbeen. Bij een volwassene drukt hij de borstkas in tot een diepte van vier tot vijf centimeter. Bij een kind moet de borstkas minder diep worden ingedrukt. Bij een pasgeborene drukt de hulpverlener het borstbeen van het kind net onder de tepels in tot een diepte van 1 tot 2,5 centimeter met de vingers. Reanimatie kan worden uitgevoerd door één persoon (die beurtelings kunstmatige beademing en hartmassage toedient) of door twee mensen (één zorgt voor de kunstmatige beademing, de ander geeft hartmassage). Beademing moet circa 15 tot 20 keer per minuut (één keer in de drie of vier seconden) plaatsvinden, hartmassage circa 80 tot 100 keer per minuut. Er worden afwisselend 2 beademingen en 15 hartmassages gegeven. Bij een volledige reanimatie komt dit dus neer op ongeveer acht beademingen in één minuut. Dit geldt zowel voor één als twee hulpverleners ter plaatse. De hulpverlener blijft reanimeren totdat medische hulp ter plaatse is, hij te moe is om door te gaan of het slachtoffer is hersteld.

illustrative-material.figure-short 1

Automatische externe defibrillator: het hart door uitwendige elektrische schokken op gang brengen 

Automatische externe defibrillator: 
het hart door uitwendige elektrische schokken op gang brengen 

Een automatische externe defibrillator (AED) is een apparaat waarmee ventrikelfibrilleren, een bepaald type hartritmestoornis, kan worden ontdekt en gecorrigeerd. Ventrikelfibrilleren veroorzaakt een hartstilstand. Als een hartstilstand optreedt, moet onmiddellijk een AED worden gebruikt, als die voorhanden is. Een AED wordt gebruikt voordat hulp wordt ingeroepen en voordat met reanimatie (CPR, cardiopulmonale resuscitatie) wordt begonnen, omdat dit grotere overlevingskansen biedt. Als de AED ventrikelfibrilleren ontdekt, dient het apparaat een elektrische schok toe (defibrillatie) die het normale hartritme kan herstellen en het hart weer op gang kan helpen. Als de hartstilstand ook na gebruik van een AED niet is verholpen, moet er hulp worden ingeroepen en reanimatie worden toegepast. 

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: Afgerukte of beknelde ledematen, vingers of tenen

Volgende: Inwendige bloeding

Illustraties
Tabellen
Disclaimer