MERCK MANUAL MEDISCH HANDBOEK
Tips voor betere resultaten
ABCDEFGHI
JKLMNOPQR
STUVWXYZ
In dit onderwerp
Na de operatie
Naar boven

Sectie

Hoofdstuk

Onderwerp

Na de operatie

Nadat de operatie is voltooid en de verdoving zijn uitwerking begint te verliezen, wordt de patiënt naar de verkoeverkamer gebracht, waar hij ongeveer één of twee uur nauwlettend in de gaten wordt gehouden. De meeste mensen voelen zich suf als ze wakker worden, vooral na een zware operatie. Sommige mensen zijn een tijdje misselijk of hebben het koud.

Afhankelijk van de aard van de chirurgie en de soort anesthesie mag de patiënt vanuit de verkoeverkamer meteen naar huis of moet hij in het ziekenhuis blijven, soms op de intensivecareafdeling. Iemand mag pas naar huis als hij helder denkt, normaal ademt, vloeistoffen kan drinken, kan urineren, kan lopen en geen hevige pijn heeft. Het operatieterrein mag niet meer bloeden en geen onvoorziene zwelling tonen.

Iemand die na een operatie in het ziekenhuis moet blijven, kan wakker worden en constateren dat er allerlei slangetjes en apparaten op hem zijn aangesloten. Aangebracht kunnen onder meer zijn: een beademingsbuis in de keel, kleefelektroden op de borst ter controle van de hartslag, een slangetje in de blaas, een apparaat verbonden met een vinger om het zuurstofgehalte in het bloed te meten, een verband op het operatieterrein, een slangetje in de neus of mond en één of meer slangetjes in de aders.

Na de meeste ingrepen is pijn te verwachten, maar die kan bijna altijd worden verlicht. Geneesmiddelen die pijn verlichten (analgetica) kunnen intraveneus (in een ader), oraal (door de mond), intramusculair (in een spier) of op de huid in de vorm van een pleister worden toegediend. Bij epidurale anesthesie laat de anesthesist mogelijk een kunststof slangetje in de rug zitten waardoor opiumachtige analgetica als morfine Handelsnaam
MS Contin
Kapanol
Noceptin
Sevredol
kunnen worden toegediend. Iemand die in het ziekenhuis moet blijven, krijgt mogelijk een apparaat waarmee hij zelf kan bepalen hoeveel pijnverlichtende geneesmiddelen worden toegediend (patiëntgecontroleerde analgesie). Als de pijn aanhoudt, kan worden verzocht om aanvullende behandeling (zie Pijn: Behandeling van pijn). Herhaaldelijk gebruik van opioïde analgetica veroorzaakt vaak obstipatie. Om dit te voorkomen, wordt mogelijk gebruikgemaakt van een middel dat de darmperistaltiek bevordert of van laxeermiddelen.

In de dagen na de operatie kunnen complicaties als koorts, bloedstolsels en infectie ontstaan. Veelvoorkomende oorzaken van koorts zijn samenvallen van kleine delen van de longen (atelectase), urineweginfectie en infectie van het operatieterrein. Atelectase kan vaak worden voorkomen door regelmatig krachtig in en uit te ademen door een bepaald handapparaat (incentieve spirometrie (zie Longrevalidatie)).

Stilliggen tijdens en na een operatie kan soms bloedstolsels in de beenaderen veroorzaken (diepveneuze trombose). Deze stolsels in de benen kunnen loskomen en met de bloedstroom naar de longen worden gebracht, waar ze de bloedcirculatie kunnen blokkeren (longembolie). De rest van het lichaam kan daardoor mogelijk van minder zuurstof worden voorzien en de bloeddruk kan soms snel dalen. Voor bepaalde ingrepen waarna de kans op bloedstolsels bijzonder groot is en bij mensen die waarschijnlijk bewegingloos moet blijven liggen, gebruikt men preventief antistollingsmiddelen, zoals heparine met een laag moleculair gewicht, of steunkousen om de bloedcirculatie te verbeteren.

Als er na de chirurgie langer dan een aantal dagen niet kan worden gegeten, kan een andere voedingsbron het herstel bespoedigen en problemen voorkomen. Mensen die aan hun slokdarm zijn geopereerd, krijgen veelal voedingsstoffen via een van de grote lichaamsaders (parenterale voeding) toegediend. Mensen met een functionerende slokdarm die door een andere oorzaak niet kunnen eten, krijgen vaak voedingsstoffen toegediend via een slangetje dat in de maag uitkomt. Een dergelijk slangetje kan door de neus, mond of buikwand worden ingebracht.

Om het risico van infectie te verkleinen, wordt de meestal dichtgehechte chirurgische wond (incisie) na de operatie met verband afgedekt. Het verband is steriel en bevat meestal een zalf met antibiotica. Het verband absorbeert het vocht dat uit de wond lekt. Omdat langdurige blootstelling aan dit vocht de wond kan infecteren, wordt het verband vaak vervangen, meestal elke dag.

Soms wijken de gehechte randen van de operatiewond uiteen (dehiscentie). Het operatieterrein kan ook geïnfecteerd raken. Een geïnfecteerde operatiewond kan een of meer dagen na een operatie steeds pijnlijker, rood en warm worden of er kan pus of veel vocht uit lopen. Er kan ook koorts ontstaan. Als er symptomen van dehiscentie of infectie ontstaan, dient zo spoedig mogelijk een arts te worden geraadpleegd.

Voordat iemand uit het ziekenhuis wordt ontslagen, dient hij een nieuwe afspraak te maken met de arts, dient hij te weten welke geneesmiddelen hij moet gebruiken en wat hij niet of in beperkte mate mag doen. Traplopen, autorijden, zware voorwerpen optillen en geslachtsgemeenschap hebben, zijn voorbeelden van activiteiten die mogelijk tijdelijk dienen te worden vermeden. Iemand dient ook te weten bij welke symptomen hij met de arts contact moet opnemen vóór de volgende afspraak.

Tijdens het herstel na een operatie kan iemand langzaam zijn normale doen en laten weer oppakken. Bij sommige mensen is revalidatie nodig, waarbij speciale oefeningen en activiteiten ter verbetering van de kracht en lenigheid worden uitgevoerd (Lichaamsbeweging en conditie: Introductie`). Zo kan de revalidatie na een heuptransplantatie bestaan uit het aanleren van manieren om te lopen, rekken en oefeningen te doen.

Laatste volledige inspectie/herziening februari 2003

Naar boven

Vorige: De dag van de operatie

Volgende: Voorbereidingen op de dag van de operatie

Illustraties
Tabellen
Disclaimer